Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1751

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
03/201797 / HA RK 15-22
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking- bijzondere omstandigheden - leden van andere rechtbank – leden wrakingskamer bekend met rechters tegen wie een verzoek is ingediend en/of met het bestuur van de rechtbank - toewijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Zaaknummer: 03/201797 HA RK 15-22

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende [adres], [woonplaats],

(hierna: verzoeker),

advocaat mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van twee leden van de wrakingskamer van deze rechtbank, te weten mr. W.M. Callemeijn en mr. A.E.M. Effting-Zeguers.

1 De procedure

Op 21 januari 2015 heeft verzoeker tijdens de terechtzitting de meervoudige strafkamer, mrs. E.B.A. Ferwerda, G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en A.K. Kleine, rechters bij de rechtbank Limburg gewraakt.

Daarop is een wrakingskamer samengesteld met mr. van Unen als voorzitter en mr. Vluggen en mr. Geisel als leden die de behandeling van het verzoek eveneens op 21 januari 2015 hebben aangevangen. De behandeling is aangehouden en de algemeen voorzitter van de wrakingskamer van de rechtbank Limburg is geadviseerd toepassing te geven aan artikel 5.5 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg (hierna: het protocol).

De algemeen voorzitter heeft daarop conform artikel 5.5 van het protocol een verzoek uit laten gaan naar de rechtbank Oost Brabant om drie leden voor het formeren van een wrakingskamer.

Daarop heeft op 29 januari 2015 de nieuw samengestelde wrakingskamer bestaande uit mrs. G.J. Roeterdink, W.M. Callemeijn en A.E.M. Effting-Zeguers de behandeling van het verzoek voortgezet.

Mr. Soeteman heeft in voornoemde zitting namens verzoeker een verzoek tot wraking ingediend tegen de twee leden van de wrakingskamer mr. Callemeijn en mr. Effting-Zeguers (hierna de rechters).

De rechters hebben beiden medegedeeld niet in de wraking te berusten hetgeen kenbaar is gemaakt in de zitting. Tevens hebben de rechters kenbaar gemaakt geen schriftelijke reactie te zullen geven en niet ter zitting te zullen verschijnen.

De voorzitter heeft ad hoc twee nieuwe leden van de rechtbank Oost Brabant opgeroepen om een nieuwe wrakingskamer samen te stellen.

Op 29 januari 2015 heeft deze nieuwe wrakingskamer bestaande uit mr. G.J. Roeterdink, voorzitter, mr. H.G. Robers en mr. P.M. Knaapen het verzoek tot wraking inzake de rechters behandeld.

Verzoeker is met zijn advocaat ter zitting verschenen.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

In zeer bijzondere omstandigheden kan de algemeen voorzitter van de wrakingskamer toepassing geven aan artikel 5.5 van het protocol. Nu zij hieraan toepassing heeft gegeven zijn er drie rechters van een andere rechtbank benaderd om in een wrakingskamer deel te nemen.

Verzoeker heeft twee van deze rechters gewraakt omdat zij de schijn van partijdigheid tegen hebben. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betreffende twee rechters beiden een aantal jaren werkzaam zijn geweest in de rechtbank Roermond en beiden (goed) bekend zijn met het bestuur van de rechtbank Limburg. Nu er sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 5.5 van het protocol zijn voornoemde feiten problematisch omdat elke schijn van partijdigheid vermeden moet worden.

Daarbij komt dat de gewraakte rechters geen deel uitmaken van de poule van wrakingsrechters van de rechtbank Oost Brabant. Dit terwijl in het protocol de wijze van samenstelling van de wrakingskamer is opgenomen. Deze poule van wrakingsrechters bestaat uit 23 rechters en gelet op het tijdsverloop van 8 dagen moet het mogelijk zijn geweest om uit die 23 rechters 3 rechters te vinden zonder verleden in de rechtbank Roermond.

Voornoemde gronden zijn reden dat bij verzoeker de vrees voor vooringenomenheid is ontstaan en er op zijn minst een schijn van partijdigheid is ontstaan.

3 De beoordeling

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun – onder meer – ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM) toekomende recht op behandeling van hun zaak door (een) onpartijdige rechter(s) af te dwingen. Gelet op het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is wraking mogelijk op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling en overtuiging van de rechter (partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij enige vooringenomenheid koestert, althans dat de - objectief gerechtvaardigde - vrees bestaat dat de rechter niet onpartijdig is.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van partijdigheid en de overtuiging van verzoeker weliswaar relevant maar is doorslaggevend of de twijfel over de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer stelt zich op het standpunt dat het gegeven dat de rechters een groot aantal jaren terug werkzaam zijn geweest in de rechtbank Roermond en uit dien hoofde bekend zijn met de rechters tegen wie een wrakingsverzoek is ingediend en met het bestuur van de huidige rechtbank Limburg normaliter geen bezwaar oplevert om deel te nemen in de wrakingskamer.

Nu echter voornoemd gegeven zich voordoet in een zaak, waarin door de algemeen voorzitter van de wrakingskamer van de rechtbank Limburg toepassing is gegeven aan artikel 5.5 van het protocol omdat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden en het om die reden van belang is dat de wrakingskamer wordt samengesteld uit leden van een andere rechtbank die in het geheel geen binding hebben met de rechtbank Limburg dan wel met het bestuur van de rechtbank Limburg, is de situatie een andere.

Gezien het feit, dat de betrokken rechters een aantal jaren terug werkzaam zijn geweest in de rechtbank Limburg en uit dien hoofde bekend zijn met een of meer van de gewraakte rechters en met het bestuur van die rechtbank, is het voor de wrakingskamer, uitgaande van de positie van verzoeker, voorstelbaar dat bij verzoeker de vrees is ontstaan dat deze rechters jegens verzoeker enige vooringenomenheid koesteren.

Daarbij komt, dat volgens artikel 5.2. van het landelijk wrakingsprotocol een wrakingskamer zoveel mogelijk wordt samengesteld uit vaste leden van de wrakingspoule. De omstandigheid, dat in onderhavige situatie ook hieraan voorbij is gegaan (beide rechters maken geen deel uit van de wrakingspoule van de rechtbank Oost-Brabant), heeft naar het oordeel van de wrakingskamer de vrees van verzoeker, dat geen sprake meer zal zijn van een onbevangen en onpartijdige behandeling van het oorspronkelijke wrakingsverzoek, kunnen versterken.

De wrakingskamer concludeert dan ook dat het verzoek om wraking in deze bijzondere situatie gegrond is.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking d.d. 29 januari 2015 van mr. W.M. Callemeijn en mw.mr. A.E.M. Effting-Zeguers toe.

Deze beslissing is gegeven op 5 februari 2015 door mr. G.J. Roeterdink, voorzitter,

mr. H.G. Robers en mr. P.M. Knaapen, leden, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.