Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1600

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
C-03-202083 - KG ZA 15-54
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Recht van hypotheek. Betalingsachterstand. Hennepplantage. Opzegging overeenkomst van geldlening. Parate executie. Zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/202083 / KG ZA 15-54

Vonnis in kort geding van 25 februari 2015

in de hoofdzaak tussen

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. B.G.M.C. Peters

tegen

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. K. Heemrood-van Dijk

alsmede in het incident tot voeging tussen

[eiser in het incident] ,

wonend te [woonplaats],

eiser in het incident,

advocaat mr. P.P. Klokkers

en

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verwerende partij in het incident,

advocaat mr. K. Heemrood-van Dijk.

Partijen zullen hierna [eiseres], [eiser in het incident] en SNS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de bij brieven van 12 en 13 februari 2015 door SNS ingediende producties

  • -

    de bij faxbericht van 16 februari 2015 door [eiseres] ingediende aanvullende producties

  • -

    een faxbericht van 18 februari 2015 met een akte “houdende voeging en tussenkomst” van [naam]

  • -

    de mondelinge behandeling en de bij die gelegenheid voor het eerst overgelegde originele dagvaarding met producties, het door SNS overgelegde overzicht van de betalingsachterstand, de door mr. Klokkers overgelegde akte “houdende voeging en tussenkomst” van [eiser in het incident]

  • -

    de pleitnota’s van [eiseres] en SNS.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en haar partner [eiser in het incident] zijn ieder voor de helft eigenaar van de onroerende zaak (een woning met aanhorigheden, hierna: de woning) aan het adres [adres] te [woonplaats]. [eiseres] heeft op 16 augustus 2006 een aflossingsvrije hypothecaire geldlening van € 108.700,00 onder nummer 90.99.04.931/07 afgesloten bij BLG Hypotheken, onderdeel van SNS. Op deze overeenkomst zijn de “Algemene voorwaarden hypotheken” en de “Algemene bankvoorwaarden” van toepassing. Tot zekerheid van de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen is bij hypotheekakte van 16 augustus 2006 een eerste recht van hypotheek gevestigd op de woning.

2.2.

Vanaf (in ieder geval) 1 januari 2007 is [eiseres] met grote regelmaat tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting tot maandelijkse betaling van de aan SNS verschuldigde hypotheekrente van € 389,51. Vanaf 8 januari 2013 is er ter zake van die verplichting sprake van een ononderbroken betalingsachterstand, laatstelijk tot een bedrag van € 4.930,47.

2.3.

Bij aangetekende brief van 19 september 2013 heeft SNS vanwege de op dat moment bestaande betalingsachterstand van € 2.726,01 de totale schuld van € 119.926,01 (inclusief € 500,00 administratiekosten) van [eiseres] opgeëist en [eiseres] gesommeerd dit bedrag binnen zeven dagen te betalen. SNS heeft [eiseres] voorts medegedeeld dat bij niet tijdige betaling de notaris opdracht gegeven zal worden om de woning te veilen.

2.4.

Bij aangetekende brief van 3 december 2013 heeft SNS [eiseres] medegedeeld dat zij aan de notaris opdracht zal geven om de woning te veilen en dat een taxateur met [eiseres] contact zal opnemen. [eiseres] heeft deze brief niet in ontvangst genomen.

2.5.

Bij brief van 4 februari 2014 is [eiseres] door SNS medegedeeld dat de woning in verband met een betalingsachterstand van € 3.442,92 moet worden getaxeerd en dat een taxateur met haar contact zal opnemen.

2.6.

In het taxatierapport van 7 augustus 2014 heeft drs. A.J. Jeurissen de woning per 4 augustus 2014 getaxeerd op een waarde van € 105.000,00 (marktwaarde vrij van huur- en gebruiksrecht), van € 85.000,00 (bij levering in verhuurde staat). Voorts is de vermoedelijke verkoopopbrengst bij executoriale veiling van de woning geschat tussen € 60.000,00 en

€ 65.000,00 (vrij van huur en gebruiksrecht) en tussen de € 50.000,00 en € 55.000,00 (bij levering in verhuurde staat). De taxateur vermeldt in rapport voorts het volgende:

“Wel is de garageberging tot voor kort in gebruik geweest ten behoeve van een hennepplantage. Het gebruik is bij politie-inval beëindigd. De basisapparatuur is verwijderd; bakken, potgrond, ventilatiekanalen, regelwerken etc. zijn nog in de berging aanwezig.”

2.7.

Bij brief van 6 november 2014 deelt BLG [eiseres] mede dat zij is opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister.

2.8.

SNS (althans BLG) heeft twee brieven van 25 november 2014 aangetekend naar [eiseres] gezonden. Beide brieven hebben als onderwerp “aankondiging opzeggen bancaire relatie”. Tussen partijen is niet in geschil dat één van deze twee brieven abusievelijk verzonden is aan [eiseres] nu daarin diverse standaardtekstblokken opgenomen zijn die geen betrekking hebben op de situatie van [eiseres]. De andere brief vermeldt dat het houden van een hennepkwekerij in strijd is met de algemene voorwaarden. SNS deelt [eiseres] in de brief mede voornemens te zijn de bancaire relatie met [eiseres] op te zeggen. Opzegging zal daadwerkelijk geschieden indien [eiseres] niet uiterlijk 2 december 2014 de totale schuld van € 113.630,45 (€ 108.700,00 hoofdsom en € 4.930,45 achterstand) aan BLG betaalt.

2.9.

[eiseres] heeft op 9 februari 2015 € 4.930,45 aan BLG betaald.

2.10.

Op 14 februari 2015 heeft BLG via de krant en internet bekend gemaakt dat zij de woning via een executieveiling te koop aanbiedt, dat zij kijkdagen wil organiseren en dat zij de woning op 19 maart 2015 op de veiling wil aanbrengen.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiseres] vordert:

primair:

a. BLG te gelasten de voorgenomen executie op te schorten totdat over de opeisbaarheid en de opzegging van de geldleenovereenkomst in een bodemprocedure zal zijn beslist,

Subsidiair:

b. haar een termijn te gunnen van 3 maanden om te herfinancieren, welke termijn pas gaat lopen nadat [eiseres] uit het Externe Incidentenregister zal zijn verwijderd;

c. en, indien herfinanciering niet is gelukt, haar daarna een termijn van twaalf maanden te gunnen ten einde de woning onderhands te kunnen verkopen.

primair en subsidiair:

BLG te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 627,00 (incl. btw), de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] (samengevat) het volgende aan.

Zij was er niet van op de hoogte dat er door haar partner een hennepplantage was aangelegd in de schuur. Zij acht het opzeggen van de overeenkomst, het opeisen van het volledig geleende bedrag en het in gang zetten van de openbare verkoop van de woning daarom voorbarig. [eiseres] is van mening dat BLG de zorgplicht jegens haar veronachtzaamt en dat er sprake is van een buitengewoon zware en disproportionele maatregel die rauwelijks wordt uitgevoerd. Zij stelt tot 25 november 2014 nimmer gesommeerd te zijn tot betaling van de gehele achterstand teneinde een executieveiling te voorkomen. Door het jarenlange gedogen van de betalingsachterstand heeft BLG bij [eiseres] een zekere verwachting gewekt. BLG heeft haar nimmer een schriftelijk overzicht verstrekt van de betalingsachterstand en heeft ook overigens nagelaten haar schriftelijke informatie te verstrekken. Ook heeft BLG haar niet gewezen op de mogelijke consequenties van de betalingsachterstand. Voorts is haar geen mogelijkheid geboden een aflossingsregeling te treffen. Op grond van de telefonische contacten met BLG over de betalingsachterstand, waarbij BLG zich behulpzaam toonde, mocht [eiseres] erop vertrouwen dat BLG niet rauwelijks zou overgaan tot opeisen van de geldlening en openbare verkoop van de woning, zonder haar de mogelijkheid te bieden de betalingsachterstand aan te zuiveren en haar situatie in een persoonlijk gesprek nader toe te lichten. De eisen van redelijkheid en billijkheid en de zorgplicht van de bank brengen volgens [eiseres] mee dat niet lichtvaardig tot opzegging van de geldleenovereenkomst mag worden overgegaan. [eiseres] stelt dat zij door de verkoop van de woning in een noodsituatie zal komen te verkeren, doordat er een grote restschuld zal ontstaan en zij kosten voor verhuizing naar en inrichting van een nieuwe woning zal moeten maken. Verder is haar zieke schoonmoeder die in de naastgelegen woning woont afhankelijk van de mantelzorg van [eiseres].

3.3.

Het verweer van SNS strekt tot afwijzing van de vordering van [eiseres].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna (in paragraaf 5), voor zover van belang nader ingegaan.

4 De incidentele vordering

4.1.

Bij akte (binnengekomen ter griffie per faxbericht op 18 februari 2015 om 16:23 uur) heeft [naam] gevorderd om in onderhavige procedure als zelfstandige partij zich te mogen voegen en/of te mogen tussenkomen teneinde zijn belangen ter zitting te mogen bepleiten.

4.2.

Ter zitting heeft mr. Klokkers eenzelfde akte overgelegd, maar dan op naam van [eiser in het incident] en daarbij toegelicht dat in de gefaxte akte abusievelijk de voornamen van een broer van [eiser in het incident] zijn vermeld.

4.3.

SNS heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering omdat zij door de late indiening daarvan zich niet heeft kunnen voorbereiden.

4.4.

Het verweer van SNS slaagt. Ingevolge artikel 7.2 van het procesreglement kort gedingen rechtbanken civiel/familie dient een partij die een incidentele vordering wenst in te stellen, de vordering en de gronden daarvan zo spoedig mogelijk, uiterlijk 24 uur voor de terechtzitting schriftelijk mede te delen aan de wederpartij, aan eventuele overige partijen en aan de voorzieningenrechter. Ter zitting is komen vast te staan dat de gefaxte akte te laat is ontvangen door zowel SNS en de rechtbank. Nadere uitleg waarom eerst in een zodanig laat stadium de incidentele vordering is ingediend, is uitgebleven, zodat er geen grond is om af te wijken van het in het procesreglement voorgeschreven uiterste tijdstip waarop de vordering ingediend had moeten worden. Om die reden is ter terechtzitting [eiser in het incident] niet-ontvankelijk verklaard in de door hem ingediende incidentele vordering.

4.5.

[eiser in het incident] zal worden veroordeeld in de kosten van dit incident, aan de zijde van SNS tot op heden begroot op nihil.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

Het verst strekkende verweer van SNS houdt in, dat zij op grond van artikel 3:268 BW het recht van parate executie heeft omdat [eiseres] in verzuim is met de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening. Dit verweer slaagt. Vast staat immers dat [eiseres] reeds jaren tekortschiet in de nakoming van haar verplichting tot tijdige betaling van de verschuldigde hypotheekrente. [eiseres] betwist bovendien niet dat er in zoverre sprake is van verzuim en opeisbaarheid. BLG (althans SNS) is dan op grond van voornoemde bepaling bevoegd de woning van [eiseres] in het openbaar ten overstaan van een bevoegde notaris te verkopen. Artikel 3:268 BW vereist niet dat de overeenkomst van geldlening, voor de voldoening waarvan de hypotheek tot waarborg strekt, is opgezegd. Reeds op grond van deze overwegingen is het primair gevorderde in beginsel niet toewijsbaar.

5.2.

Voor zover [eiseres] heeft beoogd te betogen dat er geen grond meer is voor openbare verkoop van de woning omdat de achterstand afgelost is, wordt als volgt overwogen.

5.3.

De openbare verkoop is (ook) gegrond op het feit dat de overeenkomst opgezegd is, de totale geleende geldsom (inclusief achterstand) van [eiseres] opgeëist is en [eiseres] het in totaal opgeëiste bedrag niet betaald heeft binnen de door BLG (althans SNS) gestelde termijn. Met de betaling van (slechts) de achterstand heeft [eiseres] derhalve nog niet voldaan aan haar verplichting tot terugbetaling van het volledige aan haar geleende bedrag.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid geoordeeld zal worden dat de opzegging van de geldleningsovereenkomst en de opeising van het volledige geleende bedrag stand zal houden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.5.

[eiseres] heeft zoals gezegd reeds jaren een achterstand in de betaling van de maandelijks verschuldigde hypotheekrente. Gelet op de door SNS overgelegde correspondentie blijkt dat SNS in ieder geval (ook) vanaf 19 september 2013 daar consequenties aan verbonden heeft. Immers bij die brief is [eiseres] medegedeeld dat de totale schuld van haar opgeëist wordt. [eiseres] betoogt in dit verband dat er sprake is van “standaardbrieven”, maar dat standpunt, nog daargelaten de vraag wat [eiseres] met dit standpunt beoogd te zeggen, valt ten aanzien van deze brief moeilijk vol te houden nu deze brief (onbetwist) aangetekend verstuurd is aan [eiseres] en haar in die brief is gewezen op de hoogte (€ 2.726,01) en de gevolgen van de achterstand (opeising en mogelijke veiling van de woning). De stelling van [eiseres] dat zij deze brief niet ontvangen heeft, valt niet te rijmen met het betoog van SNS dat [eiseres] naar aanleiding van die brief telefonisch contact heeft opgenomen met BLG om een betalingsregeling te treffen. [eiseres] betwist niet dat zij dit telefonisch verzoek gedaan heeft, zodat het niet aannemelijk is dat zij de betreffende brief niet ontvangen heeft. Wat hier verder ook van zij, zelfs indien zij de aangetekende brief niet in ontvangst genomen heeft, kan zij dat feit niet aan SNS tegenwerpen. Op grond van artikel 14 aanhef en onder a van de Algemene voorwaarden hypotheken was BLG bevoegd tot opzegging van de overeenkomst en de mededeling van deze opzegging bij brief van 19 september 2013 wordt geacht [eiseres] bereikt te hebben.

5.6.

Dat de overeenkomst van geldlening rauwelijks is opgezegd blijkt niet uit de door SNS overgelegde stukken. Daaruit blijkt immers dat [eiseres] door BLG vele malen op de betalingsachterstand gewezen is en wat de gevolgen van een dergelijke achterstand (kunnen) zijn, namelijk opzegging van de overeenkomst, opeising van het geleende bedrag alsmede de achterstand en, bij niet tijdige betaling van dat bedrag, openbare verkoop van de woning. Kennelijk is BLG al diverse malen coulant jegens [eiseres] geweest, in die zin dat zij weliswaar eerder de overeenkomst opgezegd heeft, de geldlening (en de achterstand) opgeëist heeft en openbare verkoop aangekondigd heeft, maar zonder aan dit alles uitvoering te geven. Anders dan [eiseres] betoogt kan zij aan die eerdere coulance van BLG geen rechten ontlenen. Haar stelling dat zij erop had mogen vertrouwen dat BLG niet tot opzegging, opeising en (uiteindelijk) openbare verkoop zou overgaan moet derhalve verworpen worden. Haar stelling omtrent de door een medewerkster van BLG gedane telefonische mededelingen is dermate vaag dat dit niet tot een ander oordeel in dezen leidt. Bovendien moet worden vastgesteld dat BLG na de brief van 19 september 2013 [eiseres] consequent heeft medegedeeld dat tot openbare veiling overgegaan zou worden. De in opdracht van SNS uitgevoerde taxatie zag (mede) ook daarop en dat moet [eiseres] ook duidelijk geweest zijn.

5.7.

In de aangetroffen hennepplantage heeft BLG aanleiding gezien de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen en haar (nogmaals) mede te delen dat de volledige lening (alsmede de achterstand) opgeëist wordt en dat bij niet tijdige betaling van het volledige bedrag tot openbare veiling overgegaan zal worden. Het argument van [eiseres] dat zij niet op de hoogte was van de hennepplantage acht de voorzieningenrechter van onvoldoende doorslaggevend belang om voorshands tot het oordeel te komen dat ten onrechte de bankrelatie opgezegd is. Het gegeven dat er in de bij de woning behorende berging een hennepplantage aangetroffen is, komt voor rekening en risico van [eiseres]. Strikt genomen hoeft de voorzieningenrechter zich overigens niet te buigen over de vraag of de opzegging van de bancaire relatie in een bodemprocedure stand houdt, want het petitum van de dagvaarding maakt enkel melding van de opzegging van de geldleenovereenkomst.

5.8.

Dat BLG (althans SNS) haar zorgplicht jegens [eiseres] geschonden heeft, is in dit geding niet gebleken. Het is aan [eiseres] om te zorgen dat haar administratie op orde is. BLG was derhalve niet gehouden om in te gaan op de verzoeken van [eiseres] om eerdere aan haar verzonden brieven (in kopie) nogmaals aan haar te doen toekomen. Ook was BLG niet gehouden tot verstrekking van een overzicht van de betalingsachterstand. Voorts is [eiseres] in de loop der jaren meermaals geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van de betalingsachterstand. Dat rauwelijks tot opzegging overgegaan is en SNS derhalve misbruik van haar bevoegdheid tot opzegging gemaakt heeft, is dan ook niet gebleken.

5.9.

De consequentie van de opzegging is, dat het gehele geleende bedrag (en de achterstand) opeisbaar wordt en dat bij niet tijdige betaling van dat volledige bedrag tot openbare verkoop overgegaan mag worden. Niet gezegd kan worden dat SNS in dezen misbruik gemaakt heeft van haar bevoegdheid tot veiling van de woning. Gelet op de jarenlange achterstand, het feit dat [eiseres] geld heeft moeten lenen om de achterstand ongedaan te maken en derhalve kennelijk zelf niet in staat is die achterstand te voldoen, gecombineerd met het gegeven dat zij onvoldoende gesteld heeft om aan te nemen dat zij in de toekomst wel aan haar betalingsverplichtingen zal voldoen, moet het belang van SNS prevaleren boven de door [eiseres] gestelde belangen (het voorkomen van een aanzienlijke restschuld, de mantelzorg voor haar schoonmoeder en verhuis- en inrichtingskosten). Gesteld noch gebleken is immers dat [eiseres] sedert 19 september 2013 enige actie ondernomen heeft ter afwending van deze gevolgen van de ruim van tevoren (reeds bij brieven van 19 september 2013 en 3 december 2013) aangekondigde openbare verkoop van de woning. Zelfs is niet gebleken dat zij pogingen ondernomen heeft om de woning onderhands te verkopen.

5.10.

Uit de laatste overwegingen onder 5.9. volgt tevens dat de subsidiaire vordering niet toewijsbaar is. Reeds sinds 19 september 2013 weet [eiseres] dat bij niet volledige betaling van het geleende bedrag inclusief achterstand de woning door BLG geveild zal worden. Vanaf dat moment had het derhalve op haar weg gelegen te onderzoeken of herfinanciering van de woning mogelijk was en, indien dat niet mogelijk is, om dan vanaf dat moment de woning onderhands te koop aan te bieden. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] vanaf 19 september 2013 tot heden enige actie op dit punt ondernomen heeft. Derhalve valt niet in te zien waarom haar thans nog een extra termijn van drie (althans twaalf) maanden gegund moet worden. [eiseres] heeft dat verder ook niet toegelicht.

5.11.

Omdat de primaire en subsidiaire vorderingen afgewezen zullen worden, is er geen grond voor toewijzing van de door [eiseres] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.

5.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van SNS tot op heden begroot op € 816,00 salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden.

5.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

6.1.

wijst de vordering af,

6.2.

veroordeelt [eiser in het incident] tot betaling van de kosten van het incident, aan de zijde van SNS tot op heden begroot op nihil,

in de hoofdzaak

6.3.

wijst de vordering af,

6.4.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van SNS tot op heden begroot op € 816,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot de dag van voldoening,

6.5.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW