Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1568

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
03 / 201975 / HA RK 15-26
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Wraking
Inhoudsindicatie

Administratieve voorbehandeling kort geding geen wrakingsgrond; vragen stellen is des rechters en wijst niet op vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 03 / 201975 / HA RK 15-26

De meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] (hierna: verzoeker),

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, rechter in deze rechtbank (hierna: ook de rechter).

1 Het verloop van de procedure

Op 3 februari 2015 is ter zitting van de (voorzieningen)rechter van deze rechtbank, locatie Roermond, de zaak van verzoeker met procedurenummer C03/201375 / KG ZA 15-21, behandeld. Ter zitting is door de rechter mondeling uitspraak gedaan: de dagvaarding tegen [A] (gedaagde 2 in genoemde zaak) is niet nietig verklaard, maar bepaald is dat verzoeker de gelegenheid krijgt gedaagde 2 opnieuw op te roepen met inachtneming van een termijn van ten minste vier weken.

Bij brief van 4 februari 2015 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.

De rechter heeft de wrakingskamer bericht dat zij niet in het verzoek tot wraking wenst te berusten. Zij heeft een schriftelijke reactie ingezonden en medegedeeld dat zij niet ter zitting van de wrakingskamer zal verschijnen.

De behandeling van het verzoek heeft ter zitting van de wrakingskamer plaatsgevonden op 13 februari 2015, waar verzoeker is verschenen. Voorts heeft mr. G.J.A. van Dinter als gemachtigde van [B] (gedaagde 1 in genoemde zaak) de zitting bijgewoond.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2 Standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft bij inleidende dagvaarding een kort geding geëntameerd jegens de gedaagden [B] en [A]. Verzoeker is allereerst van mening dat de rechter zijn standpunt dat mr. Van Dinter zich ter zitting feitelijk had gesteld voor (de niet verschenen) gedaagde 2 had moeten overnemen. Ten tweede is de beslissing van de rechter, inhoudende dat verzoeker met betrekking tot de dagvaarding van gedaagde 2 in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 115 Rv, volgens verzoeker apert onjuist, en daarmee gaf de rechter blijk van het afwijken van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken civiel/familie (verder te noemen: procesreglement) ten nadele van verzoeker, dan wel van dat procesreglement niet op de hoogte te zijn. Verzoeker heeft voorts betoogd dat uit de stelling van de rechter dat zij de betekening van de dagvaarding via de Luxemburgse deurwaarder niet kon beoordelen aan de hand van de overgelegde originele stukken, de veronderstelling voortvloeit dat verzoeker de rechterlijke macht, althans haar, onjuist zou hebben geïnformeerd. Bovendien heeft de rechter het originele stuk dienaangaande aanvankelijk geweigerd, zodat verzoeker daaruit afleidt dat het haar er om te doen was dat stuk buiten het dossier te houden. Verzoeker is van mening dat de rechter eenvoudig had kunnen verifiëren dat de genoemde deurwaarder daadwerkelijk een geregistreerde Luxemburgse deurwaarder is. Verder is er voorafgaand aan de datumbepaling van het kortgeding ten onrechte telefonisch contact geweest tussen een griffiemedewerker en de advocaat van de wederpartij, waarbij het griffiepersoneel, daarbij steeds de behandelend rechter consulterend, zich ten onrechte heeft bemoeid met keuzes die een advocaat als eisende partij maakt, en is er ten onrechte geopperd dat verzoeker een datum moest vragen bij de locatie Maastricht. Uit de houding van de rechter ter zitting heeft verzoeker tot slot afgeleid dat de rechter en de griffier in deze zaak geen zin hadden. Verzoeker heeft betoogd de houding van de rechter als passief en vooringenomen te hebben ervaren. Nadat de zitting formeel was beëindigd heeft de rechter desalniettemin nog de vraag aan de orde gesteld naar de bevoegdheid van de rechtbank Limburg, locatie Roermond. Verzoeker heeft nog verzocht om een nieuwe datum te bepalen en uit het ontkennende antwoord van de rechter heeft verzoeker afgeleid dat zij onvoldoende gemotiveerd was om het kort geding te behandelen. Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband bezien, kan verzoeker zich niet aan de indruk onttrekken dat de rechter subjectief partijdig is, alsmede objectief niet onpartijdig is en koestert verzoeker de vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel dat er sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker dit aangescherpt tot het verwijt van een partijdige en vijandige houding van de rechter.

3 Standpunt van de rechter

De rechter berust niet in de wraking en heeft in haar schriftelijke reactie verwoord dat zij weliswaar weet heeft van de wijze waarop met een conceptdagvaarding administratief wordt omgegaan, maar dat zij daarmee geen enkele bemoeienis heeft. De rechter heeft de gang van zaken ter zitting geschetst en aangegeven dat, nu gedaagde 2 niet was verschenen en
mr. Van Dinter had aangegeven niet voor gedaagde 2 op te treden, eerst diende te worden beoordeeld of de niet verschenen gedaagde rechtsgeldig is opgeroepen. Uit het feit dat verzoeker het pleidooi hieromtrent op papier had gesteld, heeft de rechter afgeleid dat de gestelde vraag niet onbegrijpelijk was en dat verzoeker van mening was dat de betekening enige toelichting behoefde. De rechter heeft in het feit dat mr. Van Dinter aanvankelijk het woord nam over de verstekverlening maar hiervan verder afzag nadat hij door de rechter op zijn eerdere standpunt was gewezen, geen grond gezien om aan te nemen dat gedaagde 2 toch door mr. Van Dinter werd vertegenwoordigd. Met betrekking tot de toepassing van de artikelen 114 en 115 Rv en het procesreglement heeft de rechter haar visie gegeven, die haar heeft doen concluderen dat de dagvaarding van gedaagde 2 niet met inachtneming van de in dit geval vereiste vier weken is betekend. Voor zover ter zitting is gesproken over een betekening in de Franse taal en door een Luxemburgse deurwaarder, heeft de rechter haar visie gegeven en betoogd dat dit niet af doet aan het feit dat reeds was geconstateerd dat de dagvaardingstermijn niet in acht was genomen.

Na het tussentijds oordeel over het al dan niet verstek verlenen, heeft de rechter inderdaad nog, vanuit een proactieve houding, de locatiekeuze ter sprake gebracht, omdat uit de dossierstukken naar voren kwam dat discussie daarover aan de orde zou komen en de zaak nu toch aangehouden werd teneinde een herstelexploit uit te laten brengen. Tot slot heeft de rechter gewezen op de inrichting van het IT-systeem van de rechtbank dat er aan in de weg staat dat de rechter zelf ter zitting direct een nieuwe zittingsdatum kan bepalen.

4 De beoordeling

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun – onder meer ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.

Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel komt vast te staan.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van de verzoeker relevant, maar is doorslaggevend of de zijdens verzoeker gestelde twijfel aan de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

Hetgeen voorafgaand aan de behandeling ter zitting is gebeurd, zoals de door verzoeker gestelde wijze waarop en de weg waarlangs tot dagbepaling van het kort geding is gekomen, kan geen grond vormen om het verzoek tot wraking van de rechter te honoreren. De stelling dat de rechter bij de administratieve behandeling zou zijn geconsulteerd, is niet onderbouwd, zodat de wrakingskamer niet tot de conclusie komt dat deze gang van zaken – wat daarvan ook zij – aan de rechter dient te worden toegerekend.

De wrakingskamer acht het passeren van verzoekers standpunt dat mr. Van Dinter zich feitelijk alsnog als gemachtigde van gedaagde 2 heeft gesteld door het woord te nemen omtrent de vraag naar de verstekverlening, een inhoudelijk rechterlijk oordeel en derhalve een procesbeslissing die geen grond voor wraking kan vormen. Naar de wrakingskamer heeft kunnen vaststellen heeft de rechter bij aanvang van de zitting bovendien niet gevraagd of er een (toereikend) mandaat was, maar voor wie de verschenen advocaat optrad.

Voor zover verzoeker heeft betoogd dat er een onjuiste beslissing met betrekking tot de dagvaardingstermijn is genomen, kan het verzoek te meer niet slagen omdat ook hier geldt dat het nemen van een processuele beslissing geen grond voor wraking is. Een dergelijke procesbeslissing levert in beginsel geen feit of omstandigheid op waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit is alleen anders, indien een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De mening van verzoeker dat het hier om een onjuiste (tussen)beslissing gaat levert niet die zwaarwegende aanwijzing op. Voorts heeft de wrakingskamer geen aanwijzingen, laat staan zwaarwegende aanwijzingen, gevonden in de door verzoeker gestelde gedragingen en uitingen van de rechter, waaruit af te leiden is dat de rechter niet onpartijdig of vooringenomen is. Van een passieve en/of ongemotiveerde houding, als dit al een wrakingsgrond zou kunnen opleveren, is de wrakingskamer niet gebleken anders dan in de subjectieve beleving van verzoeker.

Voor zover verzoeker uit de ter zitting gestelde vragen over de betekening door de Luxemburgse deurwaarder heeft afgeleid dat zijn integriteit in twijfel werd getrokken, stelt de wrakingskamer vast dat ook dit wellicht verzoekers subjectieve beleving is geweest, maar dat niet is gebleken dat dit zo door de rechter is bedoeld. Het stellen van vragen naar de echtheid van documenten dient ter vaststelling of een stuk conform de wet is opgemaakt en het is aan de behandelend rechter om te beoordelen of en welke vragen aan de orde zijn. Daaruit kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden afgeleid dat de rechter ten aanzien van verzoeker(s zaak) vooringenomen is geweest.

De stellingen van verzoeker over de inhoud en ondertekening van het opgemaakte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting laat de wrakingskamer, reeds omdat dit feiten van na het indienen van het verzoek tot wraking betreft, buiten beschouwing.

Uit het voorgaande concludeert de wrakingskamer dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, M.J.A.G. van Baal en I.M. Etman, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.