Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1567

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
03.866289.13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn: Gebleken is dat de termijn tussen de dag van aanhouding 5 maart 2013 en de eerste zitting op 29 oktober 2013 lang is, hetgeen niet aan de verdachte is te wijten. Ook de termijnen tussen de zitting op 29 oktober 2013 en de verhoren bij de rechter-commissaris (28 mei 2014 en 31 juli 2014) alsmede de termijn tussen deze verhoren en de laatste zitting op 3 februari 2015 zijn erg lang. Deze verhoren bij de rechter-commissaris, die voor een vertraging van de zaak hebben gezorgd, hebben plaatsgevonden op verzoek van verdachte, die aanvankelijk iedere betrokkenheid bij het feit ontkende. Ook door het gebrek aan voortvarendheid bij het inplannen van de zaak is er vertraging opgelopen. Door dit alles is er weliswaar sprake van een ongewenst lange duur van de zaak, doch niet van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte echter wel rekening houden met het feit dat inmiddels een lange tijd is verstreken, temeer nu - zoals hierboven al overwogen - verdachte in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Parketnummer : 03/866289-13

Datum uitspraak : 17 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken,

in de zaak van de ten tijde van het tenlastegelegde minderjarige en thans meerderjarige:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman is mr. drs. E. Gorsselink, advocaat te Venlo.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 29 oktober 2013 en 3 februari 2015.

De rechtbank heeft op 3 februari 2015 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

Tevens zijn ter terechtzitting van 3 februari 2015 gehoord de ouders van de verdachte.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 7 februari 2013, te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, op de openbare weg, de Rijksweg Zuid, althans op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy Note II) en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een mes op korte althans dichte afstand van het gezicht van die [A] heeft gehouden en/of daarbij heeft geroepen althans heeft gezegd: "Geef mij nu je telefoon en je geld anders steek ik je kapot" althans

woorden van gelijke aard en/of strekking;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 februari 2013 te Sittard, aan/op de openbare weg, de Rijksweg, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [A] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en geld toebehorende aan deze [A], welke bedreiging met geweld bestond uit het dreigend voor die [A] gaan staan en het dreigend tegen deze [A] zeggen: "Geef me je spullen";

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte van het primair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken en dat het subsidiair tenlastegelegd feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat verdachte van het primair tenlastegelegd feit dient te worden vrijgesproken. De raadsman refereert zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegd feit.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Het primair tenlastegelegd feit

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair onder feit 1 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit het procesdossier en de verklaringen ter zitting is niet gebleken dat verdachte de telefoon en portemonnee van [A] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Uit de aangifte blijkt immers dat [A] de telefoon en portemonnee onder bedreiging heeft afgegeven. Hoewel de telefoon en portemonnee van [A] uiteindelijk wel in handen komen van verdachte, heeft hij deze goederen niet zelf weggenomen. Dat is hem wel primair tenlastegelegd. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

4.3.2.

Het subsidiair tenlastegelegd feit

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

1. De aangifte van [A].2

2. De bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van

3 februari 2015 afgelegd.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

subsidiair

op 7 februari 2013 te Sittard, aan de openbare weg, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [A] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en geld toebehorende aan deze [A], welke bedreiging met geweld bestond uit het dreigend voor die [A] gaan staan en het dreigend tegen deze [A] zeggen: "Geef me je spullen".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1.

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

subsidiair

afpersing.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Het is van belang dat verdachte een stevige waarschuwing krijgt, zodat hij niet nogmaals de fout ingaat. Voorts vordert de officier van justitie een taakstraf op te leggen voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende jeugddetentie.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke jeugddetentie dient te worden afgewezen, aangezien de verdachte geen stok achter de deur nodig heeft. Hij is immers niet eerder in aanraking gekomen met justitie en heeft ook na het feit, dat al bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden, geen strafbare feiten meer gepleegd. Daarnaast stelt de raadsman dat de gevorderde taakstraf voor de duur van 180 uren dient te worden verminderd in het voordeel van verdachte. Verdachte wordt immers al gestraft door de oplegging van een schadevergoeding en omdat hij een strafblad krijgt.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zijn vriend [A] op klaarlichte dag aan de openbare weg bedreigd en gedwongen tot afgifte van zijn telefoon en portemonnee. Dit was een vooropgezet plan. Al ’s ochtends op school heeft verdachte aan getuige [B] verklaard dat hij de telefoon van [A] zou gaan afpakken. Hij is ’s middags met [A] en [B] naar een park bij school gegaan en even later is hij samen met [B] een stukje gaan wandelen. Korta daarna heeft hij [A] bedreigd. Hij is, nota bene met dezelfde kleren maar met zijn muts (deels) over zijn gezicht getrokken, voor [A] gaan staan en heeft hem gedwongen tot afgifte van zijn gloednieuwe telefoon en portemonnee.

De rechtbank neemt verdachte deze bedreiging zeer kwalijk. Niet alleen heeft verdachte bijna twee jaar lang iedere betrokkenheid bij het misdrijf ontkend, daarnaast heeft hij zijn vriend [A] neergezet als een leugenaar en fantast. Verdachte heeft immers verklaard dat [A] stoned was en niet helemaal wakker leek. Ook heeft verdachte door zijn hardnekkige ontkenning getuige [B] meegesleept in zijn leugenachtig gedrag. Hij heeft haar onder druk gezet om te verzwijgen dat hij [A] heeft bedreigd. Pas tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 28 mei 2014 verklaart [B] dat verdachte verantwoordelijk is voor de bedreiging.

Door de bewezen verklaarde afpersing wordt grote inbreuk op de geestelijke integriteit van het slachtoffer [A] veroorzaakt. Het is een feit van algemene bekendheid is dat er bij slachtoffers van een delict als het bewezenverklaarde, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer ernstig kunnen worden belemmerd. Dit geldt zeker nu verdachte en [A] vrienden waren.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 januari 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

De door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden acht de rechtbank niet passend. Verdachte heeft zich weliswaar schuldig gemaakt aan afpersing, een ernstig feit, maar gelet op alle omstandigheden, waaronder ook de hierna te noemen persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie voor een duur van drie maanden te zwaar. De rechtbank zal daarom een andere straf opleggen.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte er rekening mee gehouden dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld en dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken. De rechtbank zal ook rekening houden met het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn. De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn, die in het geval van een minderjarige voor de behandeling in eerst aanleg kan worden gesteld op 16 maanden, vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit de verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen de verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 5 maart 2013, de dag waarop verdachte werd aangehouden. Gebleken is dat de termijn tussen de dag van aanhouding en de eerste zitting op 29 oktober 2013 een lange termijn betreft, die niet aan de verdachte is te wijten. Ook de termijnen tussen de zitting op 29 oktober 2013 en de verhoren bij de rechter-commissaris (28 mei 2014 en 31 juli 2014) alsmede de termijn tussen deze verhoren en de laatste zitting op 3 februari 2015 zijn erg lang. Hoewel de verhoren bij de rechter-commissaris dus voor een vertraging van de zaak hebben gezorgd, hebben deze verhoren plaatsgevonden op verzoek van verdachte, die aanvankelijk iedere betrokkenheid bij het feit ontkende. Ook door het gebrek aan voortvarendheid bij het inplannen van de zaak is er vertraging opgelopen. Hierdoor is weliswaar sprake van een ongewenst lange duur van de zaak, doch niet van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte wel rekening houden met het feit dat inmiddels een lange tijd is verstreken, temeer nu - zoals hierboven al overwogen - verdachte in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een passende bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Er kan echter niet worden volstaan met een taakstraf als door de officier van justitie gevorderd. Gelet op de ernst van het feit en het ontkennend gedrag van verdachte tot voor de laatste terechtzitting, acht de rechtbank het van het grootste belang dat recidive dient te worden voorkomen. De rechtbank ziet daarom aanleiding een taakstraf op te leggen voor de duur van 240 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8 De benadeelde partij

8.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [A] vordert een schadevergoeding van € 1438,59 met wettelijke rente . Deze schadevergoeding bestaat uit een materiële schadepost van € 588,59 en een immateriële schadepost van € 850,-. De benadeelde partij verwijst hiertoe naar een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 augustus 2006 in de ANWB Smartengids 2012, nummer 1280.

Voorts verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van benadeelde partij [A] geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

8.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding door de benadeelde partij. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt de raadsman zich op het standpunt dat dit bedrag dient te worden verminderd, aangezien de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 augustus 2006 betrekking had op een bedreiging van een slachtoffer met een wapen voor diens eigen woning. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval.

8.4.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [A] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 588,59. Dit betreffen de kosten voor een telefoon, beschermhoes, simkaart, portemonnee met inhoud en reiskosten.

Voorts is gebleken dat aan [A] immateriële schade is toegebracht. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van € 850,- komt de rechtbank aannemelijk voor. Hoewel de raadsman heeft gesteld dat de vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 augustus 2006 geen doel treft, omdat het slachtoffer in die zaak met een wapen en voor zijn eigen huis werd bedreigd, ziet de rechtbank aanleiding de gehele vordering toe te wijzen. In de onderhavige zaak is de benadeelde partij immers bedreigd door een goede vriend van hem, hetgeen hij nooit had verwacht. Toen de benadeelde partij dit vervolgens meldde bij de politie, is hij door de verdachte neergezet als leugenaar en drugsgebruiker. Verdachte heeft twee jaar lang het feit ontkend en heeft pas ter terechtzitting van 3 februari 2015 bekend. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat de benadeelde partij hierdoor psychische schade heeft geleden en minder vertrouwen in andere mensen heeft.

De rechtbank zal daarom de gehele vordering van de benadeelde partij [A] toewijzen. Nu de verdachte ter zake van het hiervoor onder 4.4. bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, de benadeelde partij [A], aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 77h, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegd feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4. is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2. is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 120 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorbracht bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstraf van twee uren per dag;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [A], wonende te [woonplaats benadeelde partij], [adres benadeelde partij], toe;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van € 1438,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding van € 1438,59, subsidiair

10 dagen jeugddetentie;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen jeugd-detentie, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. Wassenberg, voorzitter, mr. E.J.M. Boogaard-Derix en mr. P.H.J. Frénay, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Verhey, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 februari 2015.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL 2440 2013013857 en in de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Procesdossier pagina 35-37