Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1557

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
3790369 AZ VERZ 15-5
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing ontbindingsverzoek, nadere afspraken tussen partijen staan toewijzing in de weg, geen overige (gewichtige nieuwe) omstandigheden zijdens werkgever aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/317
AR-Updates.nl 2015-0188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: 3790369 AZ VERZ 15-5

Beschikking van de kantonrechter van 26 februari 2015

op een verzoek van:

de naamloze vennootschap APG GROEP N.V.,

gevestigd te Heerlen,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A. van Toledo

tegen

[verweerder],

wonend aan de [adres],

[woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. R. Gijssen.

Partijen zullen hierna APG en [verweerder] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend:

  • -

    een verzoekschrift met producties, ontvangen op 22 januari 2015,

  • -

    een verweerschrift met producties, ontvangen op 17 februari 2015.

1.2.

Het verzoek van APG is mondeling behandeld ter zitting van de kantonrechter op

24 februari 2015, waar namens APG zijn verschenen mr. K. Timmers (advocaat in loondienst bij APG), [naam waarnemend directeur] (waarnemend directeur APG GSS) en [naam HR business partner] (HR business partner bij APG), bijgestaan door APG’s voornoemde gemachtigde en [verweerder] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde.

1.3.

Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

1.4.

Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] (geboren op [geboortedatum]) is sinds 16 februari 1998 bij (de rechtsvoorgangsters van) APG in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, laatstelijk in de functie van Manager HR Services & Information Management binnen het onderdeel Group Shared Services (hierna: GSS). Het laatstverdiende loon (volgens de loonspecificatie gedateerd januari 2015) bedraagt

€ 7.678,98 bruto per maand, excl. vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en bonus.

2.2.

Binnen het onderdeel GGS is een reorganisatie doorgevoerd.

2.3.

Bij brief van 18 juni 2014 – voor zover thans van belang – heeft APG ([naam directeur Shared Services], directeur Shared Services) het volgende aan [verweerder] laten weten:

“(...) Aan het begin van dit jaar hebben wij gesproken over mijn zienswijze inzake de invulling die jij geeft aan de functie van Manager HR Services & Information Mngt. Ik heb jou medegedeeld dat wij bij de implementatie van de nieuwe organisatie GSS jou niet zullen benoemen in de nieuwe functie van Business Manager 4 (rol Manager HR Services).

Daarbij heb ik tevens aangegeven dat een Manager HR Services a.i. zou worden geworven om jouw huidige taken tot datum implementatie over te nemen. Tot die datum zou jij de formele functie van Manager HR Services& Information Mngt voor wat betreft het gedeelte HR Services blijven uitoefenen.

Zoals bij jou bekend start op 24 juni a.s. de Manager HR Services a.i. Met jou is besproken dat jij vanaf die datum andere tijdelijke werkzaamheden zult gaan verrichten en ben jij niet meer actief in de functie van Manager HR Services& Information Mngt. Dat zijn tijdelijke projectmatige werkzaamheden. De inhoud en de duur moet nog worden bepaald. Na datum implementatie word jij formeel boventallig. Indien de tijdelijke werkzaamheden dan nog doorlopen zal er sprake zijn van opgeschorte boventalligheid., Over de situatie hierna gaan we te zijner tijd in gesprek met elkaar (...)”

2.4.

Per 24 juni 2014 is de Manager HR Services a.i. gestart.

2.5.

Bij brief van 25 juni 2014 heeft APG ([naam directeur Shared Services]) – voor zover thans van belang – aan [verweerder] het volgende laten weten:

“(...) In mijn brief van 18 juni heb ik aangegeven dat ik je in de nieuwe organisatie van GSS niet zal benoemen in de nieuwe functie van Business Manager 4 (rol Manager HR Services). Na datum implementatie van de reorganisatie GSS word je formeel boventallig. Deze boventalligheid wordt opgeschort voor de duur van 1 jaar, rekenend vanaf de implementatiedatum van de reorganisatie GSS zoals deze door de RvB wordt vastgesteld. Gedurende deze periode krijg je de ruimte om binnen APG een structurele plek te zoeken. Aan een eventuele overstap naar een andere plek binnen de organisatie wordt volledige medewerking verleend. (...)”

[verweerder] heeft deze brief (mede)ondertekend.

2.6.

De Raad van Bestuur heeft het definitieve besluit tot uitvoering van de Adviesaanvraag GSS op 8 september 2014 genomen.

2.7.

Op 3 oktober 2014 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen APG ([naam waarnemend directeur],

en [naam HR business partner]) en [verweerder], waarbij APG heeft aangegeven dat het tijdelijke werk en de termijn genoemd in de brief van 25 juni 2014 niet langer tot de mogelijkheden behoren. [verweerder] is te kennen gegeven dat van opschorting van de boventalligheid niet langer sprake kan zijn en dat APG zich genoodzaakt ziet al voor 8 september 2015 afscheid van hem te nemen, omdat er geen passende werkzaamheden voor hem meer voorhanden zijn. Van dit gesprek is een gespreksverslag gemaakt, gedateerd 6 oktober 2014.

3 Het geschil

3.1.

APG verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen partijen “per eerstmogelijke datum” te ontbinden, onder toekenning van de in het verzoekschrift genoemde vergoeding, kosten rechtens.

3.2.

APG heeft – kort gezegd – aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de functie van [verweerder] door een reorganisatie is komen te vervallen en dat [verweerder] boventallig is geworden. Partijen zijn overeengekomen dat de boventalligheid vanaf 8 september 2014 (definitief besluit van de RvB) voor de duur van een jaar wordt opgeschort en dat [verweerder] vanaf 24 juni 2014 projectwerkzaamheden binnen de afdeling Verandermanagement van GSS zou gaan verrichten. APG heeft vervolgens echter moeten constateren dat binnen de nieuwe setting alsmede binnen APG feitelijk geen passende werkzaamheden voor [verweerder] voorhanden zijn. APG kan [verweerder] dan ook geen werkzaamheden bieden, waardoor er geen goede invulling kan worden gegeven aan de periode van een jaar. [verweerder] kan hiervan geen verwijt worden gemaakt. APG heeft geen andere mogelijkheid dan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.

3.3.

[verweerder] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met het bestaan van één van de opzegverboden zoals bedoeld in de artt. 7:647, 7:648, 7:670 of 7:670a BW of met enig ander bijzonder verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4.2.

De ontbindingsprocedure ex art. 7:685 BW is een procedure waarin de kantonrechter betrekkelijk snel dient te beoordelen of er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer op korte termijn te ontbinden. Het is daarbij niet gebruikelijk dat getuigen worden gehoord of dat anderszins nader feitenonderzoek plaatsvindt. De kantonrechter moet het in een zaak als deze doen met hetgeen partijen voorafgaand aan de zitting en tijdens de zitting hebben aangevoerd.

4.3.

Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd laten weten de zinnen uit de brief van 25 juni 2014 waarin staat “Deze boventalligheid wordt opgeschort voor de duur van 1 jaar, rekenend vanaf de implementatiedatum van de reorganisatie GSS zoals deze door de RvB wordt vastgesteld. Gedurende deze periode krijg je de ruimte om binnen APG een structurele plek te zoeken. Aan een eventuele overstap naar een andere plek binnen de organisatie wordt volledige medewerking verleend.” aldus uit te leggen dat

(i) de implementatie van de reorganisatie is gestart op 8 september 2014, (ii) de boventalligheid van [verweerder] vanaf dat moment voor de duur van een jaar wordt opgeschort en (iii) [verweerder] in dat jaar de tijd krijgt om een andere structurele functie binnen APG te zoeken. De kantonrechter neemt dit dan ook als vaststaand aan.

4.4.

Nu partijen in de brief van 25 juni 2014 zijn overeengekomen dat de boventalligheid van [verweerder] van 8 september 2014 tot 8 september 2015 voor de duur van één jaar wordt opgeschort én dat [verweerder] tot 8 september 2015 de ruimte krijgt om een andere structurele plek binnen APG te zoeken, hebben partijen feitelijk afgesproken dat de (gevolgen van de) reorganisatie voor [verweerder] voor de duur van een jaar, tot 8 september 2015, worden opgeschort. Gelet daarop en gelet op het feit dat APG geen (gewichtige nieuwe) omstandigheden heeft aangevoerd die aannemelijk maken dat thans van deze afspraak tussen partijen dient te worden afgeweken, in die zin dat de arbeidsovereenkomst reeds thans dient te worden ontbonden, is de kantonrechter van oordeel dat het ontbindingsverzoek van APG dient te worden afgewezen. Dat [verweerder] tot nu toe nog geen andere (structurele) functie heeft gevonden doet hieraan niet af.

4.5.

[verweerder] heeft aangevoerd dat in de onderhavige zaak niet kan worden volstaan met het slechts toekennen van het liquidatietarief ter zake de proceskosten: [verweerder] verzoekt de kantonrechter om naast het te liquideren tarief ter zake de advocaatkosten een vergoeding toe te kennen conform het Sociaal Plan en het aanbod van APG voorafgaande aan het indienen van het ontbindingsverzoek, te weten het toekennen van € 1.000,00 excl. btw.

4.6.

APG heeft betwist dat het Sociaal Plan op [verweerder], die een zogenaamde ‘buiten CAO-er’ is, van toepassing is. Van toepassing van de faciliteiten van het Sociaal Plan kan volgens APG dan ook geen sprake zijn.

4.7.

Ter zitting is zijdens [verweerder] niet weersproken dat hij een ‘buiten CAO-er’ is, zodat de kantonrechter dit als vaststaand aanneemt.

4.8.

Anders dan [verweerder] heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat het Sociaal Plan niet op [verweerder] als ‘buiten CAO-er’ van toepassing is, nu blijkens art. 2 van het Sociaal Plan als werknemer is gedefinieerd “de werknemer die overeenkomstig de bepalingen van de vigerende cao een arbeidsovereenkomst heeft met de werkgever.”. Gelet daarop ziet de kantonrechter geen aanleiding tot het toekennen van een vergoeding van de proceskosten anders dan gebaseerd op het gebruikelijke liquidatietarief, te meer nu gesteld noch gebleken is dat het ontbindingsverzoek op volstrekt onterechte gronden is ingediend.

4.9.

APG zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de

kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,00 (salaris gemachtigde, 2 punten x liquidatietarief € 200,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af,

5.2.

veroordeelt APG tot betaling van de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: JC