Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1426

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
C/03/183370 / HA ZA 13-332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank is niet gehouden tot voortzetting kredietrelatie na overeengekomen einddatum. Evenmin tot schadevergoeding wegens beweerdelijk onrechtmatig uitgewonnen hypothecaire zekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0024
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/183370 / HA ZA 13-332

Vonnis van 18 februari 2015

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.

gevestigd te Amsterdam

eiseres in conventie, verweerster in reconventie

advocaat mr. J. Meuleman

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WIJCKERVESTE ADVISEURS B.V.

gevestigd te Maastricht

kantoor houdende te Kerkrade

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie

advocaat mr. Y.H.M. Einig.

Partijen zullen hierna de Bank en Wijckerveste genoemd worden.

1 De procedure

1.1

Het procesverloop tot 17 december 2014 blijkt uit het tussenvonnis van die datum (verder: “het tussenvonnis”). Het procesverloop daarna blijkt uit:

- de akten van beide partijen van 14 januari 2014

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie

2.1

In het tussenvonnis heeft de rechtbank beide partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de verdere behandeling en beslissing in de zaak ABN AMRO Bank N.V. / [naam 1] met nummer C/10/445712/HA ZA 14-241 (verder: “de zaak Bank/[naam 1]”) die door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 15 oktober 2014 is verwezen naar deze rechtbank. De Bank heeft zich aldus uitgelaten dat in de zaak Bank/[naam 1] op 10 september 2014 is geantwoord terwijl de onderhavige procedure voor vonnis staat, waardoor gelijktijdig vonnis in beide gevoegde zaken te veel vertraging in de onderhavige zaak zal opleveren, reden waarom zij afziet van gevoegde behandeling. Wijckerveste heeft zich aldus uitgelaten dat zij en [naam 1] wensen dat beide zaken gezamenlijk worden behandeld en daarin wordt beslist door de rechter die dit vonnis wijst.

2.2

Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis is het aan de aanlegger (de Bank) om in de verwezen procedure (Bank/[naam 1]) aan de rechter naar wie is gewezen (deze rechtbank) afschriften van de op de procedure betrekking hebbende stukken over te leggen en om de andere partij ([naam 1]) bij exploot op te roepen tot voortprocederen in de verwezen procedure. Nu de Bank dit heeft nagelaten, hetgeen haar vrij staat, wordt thans (slechts) vonnis gewezen in de onderhavige zaak.

In conventie

2.3

De Bank legt aan haar vordering ten grondslag de kredietovereenkomst tussen partijen van 5 juni 2009 die is geëxpireerd op 1 juni 2010, waarna zij Wijckerveste bij schriftelijke sommatie nog de gelegenheid heeft gegeven uiterlijk op 15 juli 2010 het krediet af te lossen. Nu Wijckerveste dit niet heeft gedaan, vordert de Bank haar veroordeling tot betaling van het restant van het krediet per 18 juli 2013, € 999.580,54, te vermeerderen met rente en kosten waaronder de kosten van het door de Bank gelegde beslag onder ING Bank.

2.4

Wijckerveste heeft als primair verweer gevoerd dat het de Bank niet vrij stond om het krediet op de expiratiedatum van de overeenkomst geheel op te eisen omdat de Bank krachtens afspraak tussen partijen (zie hierna onder 2.5) althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (zie hierna onder 2.6) gehouden was en is de kredietrelatie voort te zetten, althans dat de door de Bank gegeven redenen de beëindiging van de relatie niet kunnen dragen (zie hierna onder 2.7).

2.5

Vast staat dat de kredietrelatie tussen partijen (aan de kant van de Bank: haar rechtsvoorganger Fortis Bank) dateert van 29 december 2005 en is aangegaan (mede) op initiatief van de Bank, en dat partijen met de initiële overeenkomst een bestendige kredietrelatie beoogden die in beginsel telkens zou worden verlengd. Wijckerveste stelt nu, samengevat, dat deze wijze van totstandkoming van de overeenkomst en dit overeengekomen beginsel meebrengen dat de Bank gehouden was de overeenkomst op de laatste expiratiedatum, 1 juni 2010, opnieuw te verlengen, althans dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Bank dit zou doen, één en ander gelet op het feit dat Wijckerveste harerzijds haar verplichtingen steeds tijdig is nagekomen en haar vermogenspositie is verbeterd.

2.5.1

Het verweer dat de Bank krachtens overeenkomst tussen partijen verplicht was het krediet per 1 juni 2010 te verlengen, faalt. Het zou hebben kunnen slagen wanneer partijen de op 29 december 2005 tot 1 januari 2007 aangegane kredietovereenkomst (periodiek) zonder meer zouden hebben verlengd en de omstandigheden sedert het aangaan althans de laatste verlenging van de overeenkomst (op 2 juni 2009 tot 1 juni 2010) niet substantieel zouden zijn gewijzigd. Zo is het echter niet gegaan. De enige verlenging zonder meer is die van 9 januari 2007 “tot wederopzegging”. Op 2 juni 2009 is niet díe overeenkomst verlengd of de voortzetting ervan bevestigd maar hebben partijen een nieuwe overeenkomst gesloten, uitdrukkelijk voor de bepaalde tijd tot 1 juni 2010, waarin ook een ten opzichte van de vorige nieuwe voorwaarde is opgenomen: dat de Bank een haar conveniërend taxatierapport inzake de registergoederen te Spaubeek zal ontvangen. Daaruit blijkt de intentie van de Bank om die nieuwe overeenkomt van 2 juni 2009 slechts aan te gaan - of zo men wil: de bestaande kredietfaciliteit per die datum slechts te verlengen - in verband met de voortgang van het project van Wijckerveste te Spaubeek, en om tot een definitief einde van de kredietovereenkomst te komen wanneer die voortgang voor de Bank onbevredigend zou zijn. Dat laatste heeft zich kennelijk voorgedaan, hetgeen reeds volgt uit de onweersproken stelling van de Bank dat aan de voorwaarde van ontvangst van het taxatierapport niet tijdig is voldaan. Het kan niet anders dan dat ook Wijckerveste zich bij het aangaan - of zo men wil: verlengen voor bepaalde tijd - van de overeenkomst van die intentie van de Bank, en van het einde van de overeenkomst op de nieuw overeengekomen einddatum bij gebreke van vervulling van de voorwaarden van de Bank, bewust is geweest. Dat blijkt uit haar

e-mail van 9 juni 2011 aan de Bank, waarin zij pogingen in het vooruitzicht stelt om alsnog de door de Bank gewenste voortgang in het project te krijgen teneinde uit de daarmee te behalen winst het krediet sneller te kunnen aflossen.

2.5.2

Aan het oordeel dat de overeenkomst op 1 juni 2010 is geëindigd en dat het de Bank daarom vrij stond de hoofdsom van het krediet op te eisen, doet niet af - indien al juist; Wijckerveste stelt het en biedt aan het te bewijzen, de Bank betwist het - dat medewerkers van de Bank in de aanloop naar die datum gesprekken hebben gevoerd met [naam 1] van Wijckerveste over een verdere verlenging van het krediet en hebben “aangegeven akkoord te zijn met een verdere continuering van het rekening-courantkrediet”. Wijckerveste stelt immers vervolgens (conclusie van antwoord onder 6) dat dit akkoord geformaliseerd moest worden in een schriftelijke overeenkomst en dat de medewerkers waarmee [naam 1] had gesproken werden ‘overruled’ door hun superieuren bij de Bank. Daarmee erkent Wijckerveste dat in die gesprekken geen overeenkomst tot stand is gekomen die voor de Bank een verbintenis heeft geschapen. Dan kon Wijckerveste aan dit gesprek ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de kredietrelatie zou worden voortgezet. Zij kon dit evenmin ontlenen aan de naderhand nog met medewerkers van de Bank gevoerde telefoongesprekken en correspondentie, nu ook volgens de eigen stellingen van Wijckerveste daarin slechts te kennen is gegeven dat de Bank bereid was een verlenging van de kredietfaciliteit te bespreken maar daartoe geen toezegging heeft gedaan.

2.6

De redelijkheid en billijkheid, hoe vermogend ook in het recht, kunnen geen verbintenissen scheppen maar slechts aanvullend of beperkend werken ten aanzien van verbintenissen die uit andere bron zijn ontstaan. Nu die laatste, gelijk hiervoor overwogen, voor de Bank met betrekking tot het voortzetten of vernieuwen van de kredietovereenkomst per 1 juni 2010 niet bestaat, dient het verweer ook op dit punt worden verworpen. Van omstandigheden, zo zwaarwegend dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Bank Wijkcerveste houdt aan het einde van de kredietrelatie op de overeengekomen einddatum, is overigens niet gebleken.

2.7

Sinds de kredietrelatie (de overeenkomst) door het intreden van de overeengekomen einddatum was geëindigd, behoefde de Bank geen andere redenen voor die beëindiging te noemen, zodat de door Wijckerveste opgeworpen vraag of de door de Bank opgegeven redenen de beëindiging van de relatie konden dragen geen beantwoording behoeft. Ten overvloede overweegt rechtbank dat, als zij deze vraag zou moeten beantwoorden, het belang van de Bank bij beëindiging van de relatie tegen dat van Wijckerveste bij voortzetting ervan zou moeten worden afgewogen. [naam 1] heeft namens Wijckerveste bij de pleidooien te kennen gegeven dat hij niet van deze bank afhankelijk is voor de financiering van zijn projecten, maar dat de door hem gewenste voortzetting van de kredietrelatie een principekwestie is: hij “wil winnen”. Die wens, hoe begrijpelijk ook, vormt geen belang waarmee in die afweging rekening zou worden gehouden.

2.8

De hoofdsom is o.g.v. het bovenstaande toewijsbaar. Wijckerveste verzet zich tegen de verschuldigdheid van contractuele rente vanaf 16 juli 2010 omdat die vordering in strijd zou zijn met het standpunt van de Bank dat de overeenkomst op 1 juni 2010 is geëindigd althans omdat tot 1 juli 2013 herhaaldelijk uitstel van betaling is gegeven, zodat Wijckerveste niet in verzuim is geraakt. Dit verweer wordt verworpen. Beëindiging van de overeenkomst, in die zin dat de Bank is ontslagen uit haar verplichting het krediet ter beschikking te houden en gerechtigd is de hoofdsom op te eisen, brengt voor Wijckerveste de verplichting mee om de hoofdsom terug te betalen maar ontslaat haar niet uit de doorwerkende contractuele verplichting om, zo lang aan die eerste verplichting niet is voldaan, de overeengekomen rente over de hoofdsom te vergoeden. Onjuist is ook de opvatting dat reeds het (onverplicht) verleende uitstel van de verplichting tot betaling van de hoofdsom op de einddatum van de overeenkomst ontslag uit of opschorting van de verplichting tot betaling van rente heeft meegebracht.

De vordering tot betaling van de contractuele rente vanaf 16 juli 2010 is wel in strijd met de mededeling van de Bank aan Wijckerveste bij brief van 28 mei 2013 dat tot die datum de in rekening gebrachte (marktconforme) renteverplichtingen waren nagekomen. Op deze stelling van Wijckerveste bij antwoord is de Bank nadien ook niet ingegaan. De rechtbank zal daarom de (naar hoogte niet betwiste) rente toewijzen vanaf 1 juni 2013, waarop in mindering strekt hetgeen Wijckerveste na 28 mei 2013 nog ten titel van rente mocht hebben voldaan.

2.9

Wijckerveste wordt veroordeeld in de proceskosten van de Bank in conventie, die van het met recht (zie ook hierna onder 2.11) gelegde beslag daaronder begrepen. De proceskosten worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot als volgt:

dagvaarding € 92,82

griffierecht € 3.715,00

beslag € 273,14

salaris advocaat (5 x € 3.211) € 16.055,00

totaal € 20.135,96

2.10

Omdat de gegrondheid van hetgeen in conventie als verrekeningsverweer is gevoerd niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en dit verweer tevens als grondslag van de (door de - toelaatbare - wijziging van eis geheel onvoorwaardelijke) eis in reconventie is aangevoerd, zal de rechtbank alle aanspraken van Wijckerveste jegens de Bank in reconventie beoordelen.

In reconventie

2.11

De vordering tot opheffing van het beslag moet worden afgewezen reeds omdat de vordering in conventie ter verzekering waarvan het beslag is gelegd, wordt toegewezen.

Dat de Bank bij het beslagrekest zou hebben nagelaten de verweren van Wijkckerveste tegen haar vordering te vermelden en aldus de voorzieningenrechter onvoldoende zou hebben geïnformeerd, vormt geen zelfstandige grond tot opheffing en is bovendien onjuist. De Bank had geen aanleiding de gepretendeerde, verrekenbare tegenvordering op grond van de uitwinning van het recht van hypotheek te vermelden omdat Wijckerveste pas door de akte van cessie van 28 oktober 2013 eigenaar van deze vordering is geworden en het beslagrekest dateert van 22 juli 2013.

2.12

Op de volgens haar onrechtmatige uitwinning van dit hypotheekrecht, op het hiervoor onder 2.5.1 genoemde perceel in Spaubeek, baseert Wijckerveste een vordering tot schadevergoeding, van € 21.179,51 aan kosten van juridische bijstand en taxatie en verder op te maken bij staat, welke vordering zij door cessie heeft verkregen van [naam 1]. Het perceel is onverdeeld eigendom van [naam 1] en diens (voormalige) zakenpartner [naam 2] en de Bank heeft op het perceel een recht van hypotheek ter verzekering van o.a. de verplichting van [naam 2] tot terugbetaling van een aan hem verstrekt krediet van € 1.000.000. De bedoeling van partijen, enerzijds de Bank, anderzijds [naam 1] en [naam 2], was dat beide laatsten elk voor 50% eigenaar zouden worden van het perceel en beiden slechts voor de helft (althans ieders eigen aandeel) van het voor de ontwikkeling van het perceel verstrekte krediet hypothecaire dekking wilden verstrekken. Zo staat het helaas niet in de hypotheekakte maar zo is het wel bedoeld en dat wist de Bank, maar deze heeft niettemin vanwege het betalingsverzuim van uitsluitend [naam 2] haar hypotheekrecht op het gehele perceel uitgewonnen, aldus Wijckerveste.

2.12.1

Bij de beoordeling van deze vordering staat voorop dat de hypotheekakte krachtens artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs oplevert van de waarheid van hetgeen [naam 1] en [naam 2] daarin als bewijs ten behoeve van de Bank hebben verklaard, te weten dat zij, gezamenlijk aangeduid als kredietnemer, op het gehele perceel te Spaubeek hypotheek gaven tot het bedrag van € 2.000.000 tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank van de kredietnemer te vorderen mocht hebben of krijgen. Dit dwingende bewijs staat weliswaar open voor het door Wijckerveste aangeboden tegenbewijs, maar de rechtbank zal niet tot bewijsvergaring overgaan. De door Wijckerveste gestelde bedoeling van partijen bij de vestiging van een recht van hypotheek ten gunste van de Bank zou niet haar weerslag hebben kunnen krijgen in een reële zekerheid voor de Bank. De Bank moet dan immers verondersteld worden voor een lening van € 2.000.000 een zekerheid te hebben willen bedingen die zij nooit had kunnen uitwinnen en die waarschijnlijk geen notaris had willen vestigen: rechten van hypotheek niet op een registergoed - waarop krachtens art. 3:260 BW dat recht slechts gevestigd kan worden - maar op de onverdeelde aandelen van [naam 1] en [naam 2] in de eigendom van het perceel, elk voor hun aandeel in de schuld aan de Bank van beiden. Gelet op deze onmogelijkheid van het volgens Wijckerveste ook door de Bank beoogde resultaat, had van Wijckerveste mogen worden verwacht meer specifiek aan te bieden te bewijzen wat partijen dan wél als zekerheid voor de geldlening aan [naam 1] en [naam 2] beoogden en wat zij in dat verband over en weer hebben verklaard. Dat heeft Wijckerveste nagelaten. Aldus ontbeert deze vordering de voor toewijzing noodzakelijke grondslag in de feiten.

2.12.2

De stelling dat op de Bank ten opzichte van [naam 1] een zorgplicht rustte die zij heeft geschonden door hem er niet voor te waarschuwen dat bij verzuim van uitsluitend [naam 2] het gehele perceel zou kunnen worden uitgewonnen, kan evenmin als juist worden aanvaard. [naam 1] moet als – in Wijcekervestes woorden – ervaren en succesvol projectontwikkelaar hebben begrepen wat voor hem de consequenties zouden kunnen zijn van het verstrekken van hypotheek op een registergoed dat hij in onverdeelde mede-eigendom met een ander had, voor schulden van beiden, in het geval van verzuim van (slechts) die ander jegens hun gezamenlijke financier.

2.13

Wijckerveste heeft samen met [naam 3] de zuidzijde van het Roda JC stadion ontwikkeld. De samenwerking hield voor zoveel hier van belang in dat [naam 3] tegen een hypotheek van € 8.500.000 een financiering van € 7.500.000 van (de rechtsvoorganger van) de Bank verkreeg, waarvan € 500.000 in rekening-courant en € 7.000.000 als 21-jarige geldlening, dit laatste bedrag door de Bank in een “bouwdepot” te houden en uit te betalen aan [naam 3] na betaling van de bouwnota’s uit de rekening-courant, één en ander ter financiering van door Wijckerveste voor € 8.500.000 te bouwen en te kopen appartementen in de stadionring. De in de overeenkomst tussen de Bank en [naam 3] bedoelde bouwnota’s kwamen aldus, naar de Bank wist en zelfs van [naam 3] heeft bedongen, uitsluitend van koper/aannemer Wijckerveste. De overeenkomst tussen de Bank en [naam 3] bepaalt:

Van de geldlening zal een bedrag groot € 7.000.000 in depot worden gehouden. Na betaling van de bouwnota’s vanuit uw rekening-courant zal na inlevering van de nota het factuurbedrag, inclusief BTW, worden vergoed vanuit het bouwdepot.

Uitkeringen ten laste van het bouwdepot zullen uitsluitend worden gedaan, nadat ten genoege van ons is aangetoond, dat door de bouw, verbouwing of afwerking de waarde van het onderpand dat met de lening wordt gefinancierd evenredig is gestegen.

De koop-/aannemingsovereenkomst tussen Wijckerveste en [naam 3] bepaalt:

De termijnen voor de koop-/aannemingsovereenkomst zijn de volgende:

(…)

  • -

    termijn 4 t/m 10, elk groot € 450.000, naar rato stand van het werk € 3.150.000

  • -

    termijn 11, bij oplevering € 450.000

(…) worden de termijnen steeds opeisbaar veertien dagen na dagtekening van een door of vanwege de ondernemer [Wijckerveste] gedaan betalingsverzoek.

2.13.1

Wijckerveste heeft de elfde termijn van de koop-/aanneemprijs slechts gedeeltelijk betaald gekregen, na inspanningen waarvoor zij kosten heeft moeten maken, van de curatoren van de inmiddels gefailleerde [naam 3]. Zij heeft hierdoor schade geleden waarvoor zij de Bank aansprakelijk stelt, primair op de grondslag dat het hiervoor geciteerde beding uit de overeenkomst tussen de Bank en [naam 3] ten opzichte van haar een derdenbeding is, in de nakoming waarvan de Bank toerekenbaar is tekortgeschoten, subsidiair omdat de Bank als beheerder van het bouwdepot gehouden was met de bij de Bank bekende belangen van Wijckerveste rekening te houden, wat de Bank onrechtmatig heeft nagelaten. De Bank heeft namelijk de financiering van [naam 3] verhoogd tot

€ 10.000.000 terwijl het bouwdepot leeg was en de laatste termijn van € 450.000 daaruit nog aan Wijckerveste moest worden betaald.

2.13.2

Op de grondslag dat sprake zou zijn van een derdenbeding moet de vordering worden afgewezen. Dat is het beding in de overeenkomst tussen de Bank en [naam 3] t.o.v. Wijckerveste niet: gesteld noch gebleken is dat het beding - naar de definitie van art. 6:253 BW - voor Wijckerveste het recht heeft geschapen een prestatie (betaling) van de Bank of van [naam 3] te vorderen of op andere wijze jegens één van hen een beroep (tot betaling van de bouwnota’s uit het depot) op de overeenkomst te doen. [naam 3] had de verplichting jegens Wijckerveste om haar nota’s te voldoen nadat aan de onder 2.13 geciteerde voorwaarde uit hun overeenkomst was voldaan; de Bank had de verplichting jegens [naam 3] om betalingen uit het bouwdepot aan hem te verrichten als aan de onder 2.13 geciteerde voorwaarde uit hún overeenkomst was voldaan. Een verband tussen beide verplichtingen, in die zin dat de Bank jegens Wijckerveste gehouden was zich ervan te vergewissen dat de bouwnota’s van Wijckerveste (uit de rekening-courant van [naam 3]) waren voldaan alvorens verdere financiering aan [naam 3] te verstrekken, ontbreekt althans is door Wijckerveste niet voldoende gemotiveerd gesteld.

2.13.3

Om deze reden is de vordering ook op de grondslag dat de Bank jegens Wijckerveste onrechtmatig zou hebben gehandeld in de wijze waarop zij het bouwdepot heeft beheerd, niet toewijsbaar. Wat deze grondslag betreft valt aan de overwegingen voor afwijzing toe te voegen dat Wijckerveste wel heeft gesteld maar niet bewezen dat [naam 3] gelden uit het bouwdepot zou hebben gebruikt voor iets anders (het kopen van dure sportauto’s) dan waarvoor (het betalen van de aannemer/koper) ze bedoeld waren, laat staan dat dit met medeweten van de Bank zou zijn gebeurd.

2.14

De vordering, tot slot, tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde rente over het krediet waarvan in conventie terugbetaling wordt gevorderd, wordt afgewezen. De verschuldigdheid van de door de Bank aan Wijckerveste berekende rente vloeit voort uit de overeenkomst tussen deze partijen, en kennelijk vond de laatste dat ook want zij heeft zonder protest betaald. Aan Wijckerveste kan worden toegegeven dat de Bank zich in de kredietovereenkomst een ruime bevoegdheid heeft toegekend om het rentepercentage vast te stellen en daarvan ook een ruim gebruik heeft gemaakt, maar dat doet niet de grondslag aan die in rekening gebrachte rente en de betaling ervan vervallen.

2.15

Wijckerveste wordt veroordeeld in de proceskosten van de Bank, in reconventie tot de uitspraak van dit vonnis begroot op:

salaris advocaat (3 x € 2.580) € 7.740

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

veroordeelt Wijckerveste om aan de Bank tegen bewijs van kwijting te betalen € 999.580,54 te vermeerderen met de contractuele rente (gelijk aan de 1-maands Euribor-rente vermeerderd met een liquiditeitspremie van 0,5% en een kredietopslag van 2,5% per jaar) vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag van voldoening, waarop in mindering strekt hetgeen Wijckerveste na 28 mei 2013 ten titel van rente mocht hebben voldaan,

veroordeelt Wijckerveste in de proceskosten van de Bank, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 20.135,96,

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Wijckerveste in de proceskosten van de Bank, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 7.740,

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.