Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1297

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
03-654010-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte pleegt met twee mededaders een woningoverval bij zijn vader. Hoewel verdachte een initiërende rol heeft bij de voorbereiding van dit feit, vervolgt de officier van justitie verdachte voor medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling. Wegens het ontbreken van de klacht van de vader tegen zijn zoon (art. 315 lid 2 Sr.) kon de officier van justitie verachte niet vervolgen voor de diefstal met geweld uit de woning van de vader van verdachte, zoals dat wel bij verdachtes mededaders het geval was.

Bij de strafmaat heeft de rechtbank wel rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de bedreiging heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Parketnummer : 03/654010-14

Datum uitspraak : 17 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken,

in de zaak van de minderjarige:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman is mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 3 februari 2015.

De rechtbank heeft op 3 februari 2015 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

Tevens zijn toen gehoord, de ouders van verdachte en een vertegenwoordiger van de jeugdreclassering.

.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 28 maart 2014 te Lanaken (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [C] en/of [D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (een) stroomstootwapen(s) op korte afstand van het lichaam van die [C] gehouden althans de/een stroomstootwapen(s) op die [C] gericht in elk geval de/een stroomstootwapen(s) aan die [C] en/of [D] getoond en/of (vervolgens) de/het stroomstootwapen(s) geactiveerd;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 28 maart 2014 te Lanaken (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [C] en/of [D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (een) stroomstootwapen(s) op korte afstand van het lichaam van die [C] gehouden althans de/een stroomstootwapen(s) op die [C] gericht in elk geval de/een stroomstootwapen(s) aan die [C] en/of [D] getoond en/of (vervolgens) de/het stroomstootwapen(s) geactiveerd tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 14 maart 2014 tot en met 28 maart 2014 in Nederland en/of België opzettelijk middelen heeft verschaft door 2, in elk geval een aantal, stroomstootwapens te leveren;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen Nu het verweten feit in België is gepleegd heeft de rechtbank zich er van vergewist dat het feit ook in België strafbaar is;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens gesteld dat zijns inziens het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De verklaring van [C] 2 ;

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting 3 ;

De opsomming der in beslaggenomen goederen 4 : wapen met elektrische schok.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 maart 2014 te Lanaken (België) tezamen en in vereniging met anderen, [C] en [D] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend stroomstootwapens op korte afstand van het lichaam van die [C] gehouden en aan die [C] en [D] getoond en de stroomstootwapens geactiveerd;

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

primair

Medeplegen van bedreiging met zware mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 in verband met 47 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Door de kinder- en jeugdpsycholoog drs. A. Laurijssen-Timmers is omtrent de geestvermogens van verdachte op 14 oktober 2014 een rapport uitgebracht. De deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt meewerken aan behandeling door de forensische (poli)behandelkliniek De Catamaran.

De officier van justitie acht een taakstraf in de vorm van een werkstraf niet aan de orde, gelet op de ernst van het feit en het belang van de maatschappij dat tegen zulke feiten streng wordt opgetreden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd zich te kunnen vinden in de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden van begeleiding door de jeugdreclassering en behandeling in De Catamaran.

De raadsman vindt echter dat deze voorwaarden, zonder de ernst van het strafbare feit daarmee te bagatelliseren, niet gekoppeld dienen te worden aan een voorwaardelijk jeugddetentie. Verdachte is voor de eerste keer met justitie in aanraking gekomen en is geen harde crimineel. Hij schaamt zich heel erg dat hij dit feit gepleegd heeft. De raadsman is van mening dat in dit geval kan worden volstaan met een voorwaardelijke werkstraf waarin ook de ernst van het feit is meegewogen. Zeker een zo hoge jeugddetentie zoals is gevorderd, hetgeen ook op zijn strafblad wordt vermeld, zal voor verdachte stigmatiserend werken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte en zijn twee mededaders, allen 13 jaar, komen met elkaar in contact en maken plannen om de woning van zijn vader te overvallen. Verdachte weet dat zijn vader binnenkort op vakantie gaat en dat in de kluis van zijn vader geld en sieraden liggen. Hij weet ook de code van deze kluis. Kort voor de daadwerkelijk overval op de woning van zijn vader, hebben verdachte en zijn medeverdachten via Facebook en Whatsapp contact over hoe zij die overval zullen gaan plegen. Zij maken plannen over de aanschaf van stroomstootwapens, pepperspray en bivakmutsen. Verdachte koopt voornoemde spullen via internet. Ook spreken zij af hoe zij tijdens de overval te werk zullen gaan.

Op 28 maart 2014 gaat de zoon de woning van zijn vader binnen. De oppas en zijn jongere broertje bevinden zich in de woning. De mededaders van verdachte bellen aan, waarna de deur door verdachte wordt geopend. De mededaders betreden de woning en bedreigen de oppas en het jongere broertje. De meegenomen stroomstootwapens staan aan en maken een indringend geluid. Een van de mededaders houdt, terwijl verdachte en de andere mededader boven in de woning naar de kluis gaan, de oppas en het broertje in bedwang onder dreiging van het stroomstootwapen. Als verdachte en zijn mededader weer naar beneden komen met de buit, slaan zijn mededaders op de vlucht.

De rechtbank overweegt dat de officier van justitie aan de medeverdachten het – strafrechtelijk veel zwaardere – ‘medeplegen van diefstal met geweld in een woning’, ten laste heeft gelegd en aan verdachte “slechts” het strafrechtelijk vele lichtere ‘medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, althans zware mishandeling’. Het verschil is daarin gelegen dat het technisch juridisch niet mogelijk is om aan verdachte het zwaardere feit, medeplegen van diefstal met geweld in een woning ten laste te leggen, nu, gelet op de familierelatie tussen verdachte en het slachtoffer, diens vader, als eigenaar van de goederen een klacht had moeten indienen. Dit heeft hij, niet gedaan; hij heeft slechts als getuige een verklaring afgelegd. Hoewel verdachte, zoals hij zelf ook verklaart, een belangrijke rol heeft gespeeld in de voorbereiding van het strafbare feit, wordt hem niet dit feit verweten, maar het minder ernstige feit van medeplegen van bedreiging met zware mishandeling . Bij de strafbepaling zal de rechtbank echter wel rekening houden met de bij verdachte bekende feiten en omstandigheden waaronder die bedreiging zou gaan plaatsvinden en ook heeft plaatsgevonden,

De rechtbank overweegt voorts dat, hoewel verdachte niet zelf de oppas en zijn broertje van 4 jaar heeft bedreigd met de stroomstootwapens, er sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking in hetgeen is voorgevallen, dat verdachte daar medeverantwoordelijk voor is. De bedreiging was een onderdeel van het voorop gezette plan van verdachte en zijn mededaders om de woning van de vader van verdachte te overvallen. Het was verdachte die de stroomstootwapens via internet heeft gekocht en aan zijn mededaders heeft gegeven. Verdachte heeft zijn mededaders de toegang tot de woning verschaft terwijl hij wist dat die de wapens bij zich hadden en terwijl hij wist dat de oppas en zijn broertje thuis waren.

De rechtbank neemt verdachte zijn gedrag zeer kwalijk. De slachtoffers (met name de oppas en het broertje) zijn heel hevig geschrokken van de bedreiging met de stroomstootwapens.

De oppas heeft verklaard dat zij aanvankelijk nog heeft gedacht dat het om een grap ging, maar ze begreep al snel dat het de daders menens was. Het slachtoffer heeft zich steeds bedreigd gevoeld doordat verdachte en zijn mededader bivakmutsen op hadden en in het bezit waren van stroomstootwapens die voortdurend een snerpend geluid maakten. Zij heeft zich gerealiseerd wat het voor haar, als hartpatiënt zou kunnen betekenen als de overvallers de stroomstootwapens daadwerkelijk hadden gebruikt. Het slachtoffer spreekt voorts van de grootste nachtmerrie die een oppas kan overkomen. Dit vooral ook van uit de verantwoordelijkheid die zij had voor het broertje van de zoon.

De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met het feit dat, gelet op het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2015, verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

De deskundige drs. A. Laurijssen-Timmers heeft op 13 oktober 2014 omtrent verdachte gerapporteerd.

Zij komt tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van een zeer ongelijkmatige intelligentieprofiel met disbalans tussen de twee hersenhelften en tekortschietende executieve functies. Vanuit neurologisch standpunt wordt de problematiek beschreven als zijnde een informatieverstrekkingsstoornis die een Niet Verbale Leerstoornis (NLD) wordt genoemd. De complexe ouder-kindrelatieproblemen bestaan sinds vele jaren. Deze stoornis speelde ook ten tijde van het ten laste gelegde feit. De deskundige adviseert de verdachte daarom als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De deskundige acht het risico op een soortgelijk delict niet zo hoog. Het feit echter dat het feit zich heeft afgespeeld in de woning van zijn vader en verdachte mogelijk de initiator is geweest, is verontrustend. Toch vindt de deskundige het van belang dat wordt uitgezocht of er nog meer onderliggende factoren meespelen. De onevenwichtige ontwikkeling, tekortkomingen op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling, informatieverwerkingsproblemen, tekortkomingen op het sociaal-emotioneel adaptief vermogen wijzen op in aanleg gelegen problematiek. Voorgesteld wordt om gebruik te maken van een multidisciplinair team, dat naast procesdiagnostiek (om een eventuele autisme verwante problematiek uit te sluiten) een behandeling kan bieden die zowel individueel als systeemgericht is. De forensische (poli)behandelkliniek De Catamaran lijkt hiervoor een uitgesproken optie. Er wordt begeleiding van de jeugdreclassering geadviseerd, waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de hulpverlenende instanties, ook al zijn dat beslissingen die later mogelijk binnen het civiele kader worden uitgevoerd. Aandachtspunt is zijn huidige schoolgang.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de gedragsdeskundige en neemt de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over. De rechtbank acht verdachte aldus verminderd toerekeningsvatbaar.

De raad voor de kinderbescherming heeft geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht van Bureau Jeugdzorg Limburg en dat de verdachte wordt verplicht zich onder behandeling van een bepaalde zorginstelling te stellen, te weten De Catamaran te Eindhoven.

De jeugdreclassering heeft ter zitting aangegeven dat de behandeling van deze zaak bij verdachte tot veel spanning heeft geleid. Verdachte heeft zich begeleidbaar opgesteld. De voorgestelde behandeling dient in een verplicht kader vormgegeven te worden. Er is al lange tijd hulpverlening ingeschakeld voor verdachte. De ouders van verdachte hadden aanvankelijk ieder hun eigen gedachten over het vormgeven van de hulp aan verdachte. Toen verdachte in december 2014 geld wegnam bij zijn oma hebben de ouders een ommezwaai gemaakt en zijn zij gezamenlijk achter de ambulante behandeling bij Catamaran gaan staan.

De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat aan verdachte een geheel voorwaardelijk jeugddetentie dient te worden opgelegd voor de duur van 6 weken. De rechtbank legt daarmee, gelet op de nog jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld, een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht gelet op de ernst van het feit een taakstraf zoals door de raadsman is bepleit, onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte gedurende de proeftijd dient te worden begeleid door de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte meewerkt aan een ambulante behandeling door De Catamaran of een soortgelijke instelling.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 weken, geheel voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarde(n) of de bijzondere voorwaarde(n) heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde(n) dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat de verdachte

  • -

    zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, ook als dat inhoudt meewerken aan een ambulante behandeling bij de forensische polikliniek De Catamaran te Eindhoven, of een soortgelijke instelling;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op toezicht te houden op naleving van deze voorwaarden en veroordeelde daarbij te begeleiden;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.J. Frénay, voorzitter, mr. E.J.M. Boogaard-Derix en mr. J.J.M. Wassenberg, rechters, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 februari 2015.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2300-2014027869 d.d. 3 juni 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Pagina 55-57

3 Proces-verbaal ter terechtzitting van 3 februari 2015: verklaring verdachte onder A

4 Een geschrift: Bijlage A bij proces-verbaal van politie Lanaken-Maasmechelen proces-verbaalnummer TG.11.LA.003209/2014 d.d. 31 maart 2014, pagina 113