Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1277

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
3792692 CV EXPL 15-683
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot betaling achterstallige huur en wettelijke rente toegewezen. Niet aannemelijk dat bodemrechter zal oordelen dat sprake is van onvoorziene omstandigheid ex artikel 6:258 BW, daar omstandigheid in redelijkheid was te voorzien en voor rekening komt van de partij die hierop een beroep doet. Contractuele boete vanwege ontbreken spoedeisend belang afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3792692 CV EXPL 15-683

Vonnis in kort geding van 17 februari 2015

in de zaak van:

[eiser],

wonend [adres 1]

[woonplaats],

eisende partij,

procederend in persoon,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMBULANTE THUISZORG BV,

kantoorhoudend Berkelplein 10

6301 ZD Valkenburg aan de Geul,

gedaagde partij,

procederend bij bestuurder [naam bestuurder].

Partijen zullen hierna [eiser] en Thuiszorg genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 januari 2015

  • -

    de mondelinge behandeling van 9 februari 2015, waar partijen zijn verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] verhuurt met ingang van 1 december 2011 aan Thuiszorg de kantoor-ruimte aan het [adres 2], tegen een per kwartaal bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van thans € 6.486,41 (tot 1 december 2014

€ 6.424,61 per kwartaal).

2.2.

Thuiszorg heeft vanaf het derde kwartaal van 2014 de huurprijs onbetaald gelaten. In artikel 18.2 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene bepalingen staat daarover:

“Telkens indien een uit hoofde van een huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle mand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter, als voorzieningenrechter, Thuiszorg zal veroordelen:

  1. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiser] te betalen € 19.397,43 aan achterstallige huur tot en met maart 2015, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;

  2. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiser] te betalen € 2.100,- aan contractueel verbeurde boetes;

  3. tot betaling van de kosten van dit geding en de nakosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat Thuiszorg, door de verschuldigde huur over het derde en vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 niet te betalen, tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Deze betalingsachterstand en de bij gebreke van een spoedige titel steeds grotere onzekerheid over de mogelijkheden van verhaal van de vordering op Thuiszorg, maken zijn belang bij de gevorderde voorziening spoedeisend, aldus [eiser]. Daar Thuiszorg ook na verschillende sommaties in gebreke is gebleven met betaling, is zij ook de contractuele boete en de wettelijke handelsrente verschuldigd.

3.3.

Thuiszorg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot vorderingen tot betaling van een geldsom is in kort geding terughoudendheid op zijn plaats. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang ervan in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (het restitutierisico) bij afweging van de belangen van partijen niet aan toewijzing niet in de weg staat.

4.2.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat de huurachterstand, naarmate de huurovereenkomst voortduurt, in omvang toeneemt terwijl de mogelijkheden van verhaal op Thuiszorg - vanwege de aanmerkelijke kans dat zij op korte termijn in staat van faillissement wordt verklaard - afnemen. Op grond hiervan wordt geoordeeld dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering om Thuiszorg te veroordelen tot betaling van de achterstallige huur. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [eiser] dit belang ook heeft bij veroordeling van Thuiszorg tot betaling van verbeurde contractuele boetes. Dit onderdeel van de vordering zal reeds daarom worden afgewezen.

4.3.

Ter mondelinge behandeling heeft Thuiszorg - door te wijzen op de omstandigheid dat zij de opdracht voor het verzorgen van AWBZ-zorg niet gegund heeft gekregen en zich daardoor genoodzaakt heeft gezien haar bedrijfsactiviteiten te staken - kennelijk een beroep willen doen op onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW. Thuiszorg heeft gesteld dat, hoewel de huurovereenkomst tussentijdse beëindiging in beginsel niet toelaat, een afweging van de belangen in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengt dat [eiser] in de - naar hij wist - door Thuiszorg vanaf januari 2014 gewenste beëindiging van de huurovereenkomst moest bewilligen, althans dat Thuiszorg in elk geval vanaf 1 juli 2014 geen huur verschuldigd is.

4.4.

Dit verweer tegen de overigens toewijsbare vordering slaagt slechts indien aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van onvoorziene omstandigheden, die van dien aard zijn dat [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten. Ook bij het oordeel híerover dient de voorzieningenrechter terughoudendheid te betrachten. Op de overeengekomen duur van de huurovereenkomst, die tussentijdse beëindiging uitsluit, kan slechts een uitzondering worden gemaakt in geval van zwaarwegende omstandigheden die niet alleen door partijen feitelijk niet voorzien zijn maar die ook in redelijkheid niet konden worden voorzien, en die niet voor rekening komen van de partij (Thuiszorg) die zich erop beroept.

4.5.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat de bodemrechter de door Thuiszorg genoemde omstandigheid zal kwalificeren als onvoorzien in vorenbedoelde zin. De omstandigheid dat Thuiszorg - doordat de door haar gewenste fusie met Cicero Zorggroep niet is geslaagd - de aanbesteding van de AWBZ-zorg is misgelopen waardoor zij geen middelen (meer) heeft om de huurprijs te voldoen, is immers een omstandigheid die in redelijkheid bij het sluiten van de huurovereenkomst had kunnen worden voorzien en voor het intreden waarvan in de overeenkomst een voorziening had kunnen worden getroffen, hetgeen Thuiszorg echter heeft nagalaten te doen. Het is bovendien een omstandigheid die in de risicosfeer van Thuiszorg ligt en voor haar rekening dient te komen. Bij dit oordeel weegt mee dat Thuiszorg heeft nagelaten in dit kort geding aannemelijk te maken dat [eiser] van haar vertrek uit het gehuurde in januari 2014 - niettegenstaande de betaling van de huurprijs over de eerste twee kwartalen van dat jaar - en van haar wens om de huurovereenkomst te beëindigen op de hoogte was, laat staan daarmee heeft ingestemd.

4.6.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat Thuiszorg gehouden was en is om aan haar betalingsverplichting uit de huurovereenkomst te voldoen. Nu Thuiszorg de specificatie van de achterstallige huur tot april 2015 niet heeft weersproken en geen restitutierisico aan de zijde van [eiser] is gesteld of gebleken, zal de vordering tot betaling van € 19.397,43 worden toegewezen. De door het enkele verzuim verschuldigde wettelijke rente hierover, als gevorderd vanaf de datum van dagvaarding, wordt ook toegewezen. De wettelijke handelsrente is niet verschuldigd omdat deze huurovereenkomst geen handelsovereenkomst is als bedoeld in art. 6:119a BW, althans onvoldoende is gesteld om in het kader van dit kort geding te oordelen dat het dat wel is, en een spoedeisend belang bij die kwalificatie en de op grond daarvan verschuldigde hogere rente ontbreekt.

4.7.

Thuiszorg zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

dagvaarding € 94,19

griffierecht € 466,00

verletkosten € 50,00

totaal € 610,19

4.8.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Thuiszorg om aan [eiser] te betalen € 19.397,43 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2015 tot de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt Thuiszorg in de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot op heden begroot op € 610,19,

5.3.

veroordeelt Thuiszorg, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door een gemachtigde van [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten begroot op € 100,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten daarvan,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.

Type: NG