Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1254

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-02-2015
Datum publicatie
16-02-2015
Zaaknummer
AWB-14_2396
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 16 februari 2015 een tussenuitspraak gedaan in een zaak tussen de stichting De Aldenborgh en de gemeente Weert. De zaak gaat over het verlenen van subsidie voor de theatervoorstelling “Gaoj je mej nao de Merrentj”. De gemeente heeft € 2.000,- aan subsidie verleend, maar De Aldenborgh had om een bedrag van € 5.000,- gevraagd. De gemeente heeft niet het gehele bedrag toegewezen, omdat De Aldenborgh een eerder aanbod tot subsidiëring van de communicatiekosten van Stichting Weert 600 Jaar Stad heeft afgewezen. Dat Aldenborgh deze keuze heeft gemaakt, kan niet ten laste komen van de gemeentekas, zo stelt de gemeente Weert.

De rechtbank vindt dat de gemeente Weert zich niet zonder nadere motivering op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het moment waarop Stichting Weert 600 het aanbod deed, was slechts twee maanden voordat de theatervoorstelling zou plaatsvinden. Het is de vraag in hoeverre De Aldenborgh nog een keuze had. In het besluit heeft de gemeente hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. De rechtbank vindt dat de gemeente de gelegenheid moet krijgen om zich alsnog uit te laten over dit punt. Daarom heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. Het is nu aan de gemeente om te bepalen of ze van de geboden gelegenheid gebruik willen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/2396

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2015 in de zaak tussen

Stichting [naam stichting], te [vestigingsplaats stichting] eiseres

(gemachtigde: [naam gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J.W.M. Theunissen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres subsidie verleend voor een bedrag van € 2.000,- voor het theaterprogramma “De Aldenborgh 75 jaor; Gaoj je mej nao de Merrentj” (de activiteit).

Bij besluit van 24 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, door [namen vertegenwoordigers]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door

[gemachtigde namens verweerder]

Overwegingen

1. Op 8 november 2013 heeft eiseres subsidie aangevraagd voor de activiteit. Deze activiteit dient om het 75 jarige jubileum van eiseres te vieren. Dit zal gebeuren middels een openbare theatervoorstelling, waaraan lokale verenigingen en artiesten meewerken. In de brief van 8 november 2013 stelt eiseres dat het programma met begroting aanvankelijk was ingediend bij de stichting Weert 600 jaar Stad (Weert 600), maar dat op grond van onbekende criteria het project in een later stadium niet meer is meegenomen in het voorlopig jubileumprogramma. Op 28 februari 2014 heeft eiseres een (nieuwe) begroting ingediend bij verweerder. In totaal is een bedrag van €11.650,- begroot en wordt een bedrag van €5.000,- subsidie aangevraagd.

2. In het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van €2.000,- aan subsidie verleend voor de activiteit, gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de deelsubsidieverordening Cultuur 2013 voor het geven van een openbaar theaterprogramma ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van eiseres. Volgens verweerder bedraagt het subsidiabele tekort een bedrag van €2.000,-. In de begroting zitten namelijk ook kosten die in een eerder stadium door Weert 600 beschikbaar zijn gesteld voor communicatie (bedrag van €3.000,-). Dit aanbod is echter door eiseres afgeslagen, waardoor deze kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. De begroting geeft geen aanleiding tot verdere opmerkingen.

3. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. In bezwaar stelt eiseres dat de geste van Weert 600 dateert van 8 januari 2014. Op dat moment was het drukwerk al lang uitbesteed bij de eigen huisdrukker, die dit tegen een zeer coulant tarief verzorgde. Eiseres zag zich ook genoodzaakt over te gaan tot actie, want Weert 600 heeft het project in november 2013 “als een baksteen laten vallen”.

4. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat het primaire besluit op een juiste grondslag berust. Er is een subsidie verstrekt van €3.000,00 door Weert 600. Verder vult verweerder aan dat de communicatiekosten reeds zijn opgenomen in de begroting van een eerdere aanvraag bij de provincie, waarvan de activiteit onderdeel uitmaakt. Naar aanleiding van die aanvraag heeft de provincie in 2012 subsidie verleend.

5. Eiseres stelt in beroep in de eerste plaats dat zij het betreurt dat verweerder haar niet heeft gehoord. Verweerder stelt dat eiseres wel degelijk is uitgenodigd voor een hoorzitting, maar dat zonder bericht van verhindering niemand is verschenen.

6. Voor zover eiseres stelt dat verweerder de hoorplicht, zoals deze is neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. In het door verweerder overgelegde procesdossier bevindt zich een uitnodiging voor de hoorzitting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld. Verweerder heeft eiseres immers in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, van welke gelegenheid eiseres geen gebruik heeft gemaakt.

7. Vervolgens betoogt eiseres in beroep dat verweerder ten onrechte uitgaat van een subsidiabel tekort van € 2000,00. Verweerder had geen rekening mogen houden met het aanbod van Weert 600, omdat aan de communicatie en publiciteit al reeds lang vorm en inhoud was gegeven met aan haar bekende partijen. Het aanbod van Weert 600 is ook pas in een heel laat stadium gedaan, op 8 januari 2014. In beroep overlegt eiseres een deel van een gespreksverslag van het gesprek dat op 8 januari 2014 heeft plaatsgevonden op het gemeentehuis. In dit verslag is opgenomen dat de burgemeester van Weert een bedrag van

€3.000,- biedt aan eiseres voor communicatie, aldus eiseres.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gespreksverslag van het gesprek van

8 januari 2014 niet bij het beroep kan worden betrokken, omdat het niet relevant is. Het gesprek heeft immers niet plaatsgevonden met verweerder, maar met Weert 600. Dat eiseres heeft afgezien van een bijdrage door Weert 600 kan niet ten laste komen van de gemeente, maar komt voor rekening en risico van de partij die het aanbod heeft afgeslagen. De door Weert 600 aangeboden subsidie van €3.000,00 kan worden gezien als een voorliggende voorziening. Verder heeft verweerder bij het bepalen van de maximale subsidie eveneens meegenomen dat aan de stichting uit andere fondsen subsidie is toegekend (cultuurparticipatiefonds).

9. Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep, overweegt zij over het door eiseres overgelegde gespreksverslag en de overgelegde geluidsopname als volgt. Anders dan verweerder betoogt, kan niet worden gesteld dat deze documenten in het geheel niet relevant zijn voor de onderhavige beroepsprocedure. Hoewel het gesprek niet met verweerder, maar met Weert 600 heeft plaatsgevonden, heeft eiseres het gespreksverslag ingebracht ter onderbouwing van een ingenomen standpunt. De rechtbank ziet geen aanleiding te concluderen dat sprake was van onrechtmatigheden, die er toe zouden moeten leiden dat het gespreksverslag geen onderdeel zou kunnen uitmaken van het dossier. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat er evenmin aanknopingspunten bestaan, dat sprake is van onzuiver bestuur, zoals eiseres betoogt. Het feit dat de burgemeester ook voorzitter van Weert 600 is, is daarvoor in elk geval onvoldoende. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van enige strijd met artikel 2:4 van de Awb.

10. De rechtbank leidt uit de stukken af dat door Weert 600 een toezegging is gedaan aan eiseres een bedrag van €3.000,00 aan communicatie ter beschikking te stellen. Hoewel het eiseres misschien bij aanvang van het gesprek op 8 januari 2014 niet duidelijk was met wie en in welke hoedanigheid dit gesprek plaatsvond, stelt de rechtbank vast dat dit gedurende of in elk geval na het gesprek duidelijk moet zijn geworden voor eiseres. De rechtbank leidt dit af uit de brieven die eiseres nadien nog heeft gestuurd aan verweerder.

11. Het is tussen partijen niet in geschil dat Stichting Weert 600 een bedrag van

€3.000,00 heeft aangeboden voor communicatie, te besteden bij een van de door Weert 600 genoemde communicatiebureaus. Partijen zijn verdeeld over de vraag of deze toezegging – en het afslaan van dit aanbod door eiseres – van invloed mag zijn op het subsidiebesluit.

12. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

In artikel 4:23 van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

De gemeenteraad van de gemeente Weert heeft de Algemene Subsidieverordening Welzijn en evenementen 2013 (de subsidieverordening) vastgesteld. De subsidieverordening is in werking getreden per 1 januari 2013.

In artikel 2, eerste lid, van de subsidieverordening is neergelegd dat voor het beleidsterrein cultuur subsidie wordt verstrekt en dat hiervoor een deelsubsidieverordening wordt vastgesteld.

In artikel 6, derde lid, van de subsidieverordening is bepaald dat een aanvraag voor eenmalige subsidie wordt ingediend bij het college uiterlijk één week voor de start van de uitvoering, doch niet voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de subsidieverordening beslist het college op een aanvraag voor eenmalige subsidie binnen acht weken na de uiterste indieningsdatum van de volledige aanvraag.

In artikel 9, eerste lid, van de subsidieverordening zijn – in aanvulling op de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb – de weigeringsgronden neergelegd.

Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van verordening heeft de gemeenteraad de deelsubsidieverordening cultuur 2013 (de deelsubsidieverordening) vastgesteld.

In hoofdstuk 3: Fonds voor culturele activiteiten van de deelsubsidieverordening zijn regels neergelegd voor eenmalige subsidie.

In artikel 12 van de deelsubsidieverordening is bepaald dat (een programma van) bijzondere (podium)activiteiten, gericht op het uitdragen van historische en hedendaagse culturele waarden voor een breed publiek, alsmede experimentele, incidentele of nieuwe activiteiten die van groot belang worden geacht voor de cultuur, in aanmerking komen voor subsidie.

Ingevolge artikel 15 van de deelsubsidieverordening wordt de subsidie waarop de aanvrager aanspraak kan maken als volgt bepaald:

1. De subsidie bedraagt maximaal het tekort van de door het college goedgekeurde begroting van de activiteit of het programma van activiteiten tot een maximum van

€5.000,-. Voor de beoordeling van de begroting stelt het college beleidsregels vast;

2. Als het tekort na de uitvoering van de activiteit lager is dan het tekort in de door het college goedgekeurde begroting, dan wordt de subsidie neerwaarts, gecorrigeerd, tot maximaal het gerealiseerde tekort.

In artikel 17 van de deelsubsidieverordening is een hardheidsclausule neergelegd. Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van de artikelen 1 en 2, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.

13. De rechtbank overweegt als volgt.

14. Naar aanleiding van de door eiseres ingediende aanvraag lag het ter beoordeling aan verweerder voor of was voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 van de deelsubsidieverordening. Nu verweerder tot subsidieverlening is overgegaan, is verweerder (dus) van oordeel dat aan de voorwaarden is voldaan. In de deelsubsidieverordening is bepaald dat de subsidie maximaal het tekort bedraagt van de goedgekeurde begroting van de activiteit. In de deelsubsidieverordening is niet uitgewerkt wat onder een tekort wordt verstaan, noch is sprake van een discretionaire bevoegdheid van verweerder.

15. Naar aanleiding van het procesdossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. Aanvankelijk had eiseres de aanvraag voor subsidie ingediend bij Weert 600. Om voor eiseres onbekende redenen is de activiteit niet meegenomen in het programma ter viering van zeshonderd jaar marktrechten. De rechtbank constateert dat op enig moment tussen de Weert 600 en eiseres onenigheid en een vervelende sfeer is ontstaan. Eiseres zag zich door het niet meenemen van de subsidieaanvraag door Weert 600 genoodzaakt om op zoek te gaan naar andere financiële middelen. Eiseres heeft zich vervolgens tot verweerder gewend met een subsidieaanvraag. Tussen de aanvraag en de datum van de activiteit was vier maanden gelegen. De rechtbank begrijpt dat dit op relatief korte termijn moest gebeuren, vanwege de situatie die was ontstaan met Weert 600. Vervolgens heeft verweerder de behandeling van de aanvraag aangehouden in afwachting van de beslissingen van het Prins Bernhard Cultuurfonds en de provincie. Ongeveer twee weken voordat de activiteit zou plaatsvinden, op 28 februari 2014, dient eiseres een gewijzigde begroting in, op welke begroting rekening is gehouden met de bijdrage van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Verweerder heeft op grond van deze begroting bij het primaire besluit bepaald dat subsidie wordt verleend.

16. Als de ingediende begroting als uitgangspunt wordt genomen, bestaat het tekort uit een bedrag van €5.000,00. De rechtbank acht het in beginsel niet onredelijk dat verweerder bij de subsidieverlening rekening houdt met andere mogelijke middelen waarover eiseres kon beschikken. Nu enkel het “tekort” wordt gefinancierd, impliceert dit dat subsidieverlening op grond van de deelsubsidieverordening een laatste middel is. In de brief van 28 februari 2014 geeft eiseres aan dat in het jubileumjaar de voorkeur wordt gegeven aan de huisdrukker en dat derhalve het aanbod van Weert 600 is afgeslagen. Dit is natuurlijk een afweging die aan eiseres is voorbehouden, maar met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke voorkeur niet betekent dat verweerder daarom moet overgaan tot subsidiëring van de communicatiekosten. In het bezwaarschrift stelt eiseres echter dat het drukwerk al was uitbesteed aan de huisdrukker. In beroep stelt eiseres dat aan de communicatie en publiciteit al reeds lang vorm en inhoud was gegeven, waarbij als voorbeeld is genoemd de huisdrukker. Eiseres heeft deze stellingen – zo moet verweerder worden toegegeven – niet voorzien van enige onderbouwing. De rechtbank constateert echter dat verweerder dit aspect eerst tijdens de behandeling ter zitting aan de orde stelt en tijdens een eerder stadium in de procedure niet betwist dat eiseres reeds afspraken had gemaakt. Verweerder heeft steeds volstaan met de conclusie dat het een keuze van eiseres was om geen gebruik te maken van het aanbod van Weert 600. Vanwege de tijdsdruk – de activiteit zou op 15 maart 2014 plaatsvinden – is het echter de vraag in hoeverre sprake is van een vrije keuze door eiseres.

17. Gelet op de gehele gang van zaken, zoals hiervoor geschetst, acht de rechtbank het op zichzelf begrijpelijk dat bepaalde kosten – die zijn opgenomen op de begroting – al zijn gemaakt door eiseres. Het is overigens onduidelijk of eiseres al daadwerkelijk kosten had gemaakt of dat enkel sprake was van opdrachtverlening. Verweerder stelt tijdens de behandeling ter zitting weliswaar dat het reeds gemaakt zijn van de kosten zich niet verdraagt met het opnemen van diverse posten op de begroting, maar in de gemeentelijke subsidieregels kan geen steun worden gevonden voor dit betoog. De verwijzing naar artikel 4:46, derde lid, van de Awb biedt verweerder geen soelaas, reeds omdat deze bepaling enkel van toepassing is bij de vaststelling en niet bij de subsidieverlening.

18. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Verweerder zal de stellingen van eiseres – dat aan de communicatie en publiciteit al reeds lang vorm en inhoud was gegeven met aan haar bekende partijen – uitdrukkelijk dienen te betrekken in de heroverweging. Het is dan wel aan eiseres om het betoog, dat ten tijde van het aanbod door Weert 600 op 8 januari 2014 al onomkeerbare stappen waren gezet, te voorzien van een verifieerbare en deugdelijke onderbouwing. Eiseres kan op dit punt niet blijven volstaan met de enkele stelling.

19. Hetgeen in rechtsoverweging 20 is overwogen, brengt met zich mee dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

20. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

21. Gelet op deze gestelde termijn dient eiseres, indien en zodra verweerder heeft aangegeven gebruik te willen maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen, per omgaande haar betoog te onderbouwen. Hiertoe zal eiseres per omgaande de relevante stukken aan verweerder moeten doen toekomen. Verweerder dient vervolgens te motiveren in hoeverre en op welke gronden het aanbod van Weert 600 kan worden gezien als een voorliggende voorziening.

22. Voorts stelt de rechtbank verweerder – indien dit nog noodzakelijk of gewenst is – in de gelegenheid te onderbouwen waar steun kan worden gevonden voor het standpunt dat het reeds gemaakt zijn van de kosten zich in dit specifieke geval niet verhoudt met het opnemen van diverse posten op de begroting. Ook de relevantie van de eerder verleende subsidie door de provincie kan verweerder nog nader onderbouwen, indien dat nog aangewezen is na het herstel van het hiervoor geconstateerde gebrek.

23. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

24. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

Z.C.J. Adams, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2015.

w.g. Z.C.J. Adams,

griffier

w.g. K.M.P. Jacobs,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 februari 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.