Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:11371

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
C/03/214502 / HA RK 15-271
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking toegewezen – voorstelbaar dat bij verzoeker de vrees is kunnen ontstaan dat het deze rechter aan partijdigheid jegens hem ontbrak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer : C/03/214502 / HA RK 15-271

Datum uitspraak : 9 december 2015

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

[verzoeker] ,

domicilie kiezend te Heerlen ten kantore van zijn advocaat,

advocaat mr. P.J.M. Graus,

hierna: verzoeker,

tot wraking van mr. P.H.J. Frénay, rechter in deze rechtbank, (hierna de rechter)

1 Het verloop van de procedure

Op 9 december 2015 is in het kort geding in de zaak met nummer

C/03/213321 / KG ZA 15-584 tussen verzoeker als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde partij namens de eisende partij de wraking verzocht van de rechter. Van dit verzoek is een proces-verbaal opgemaakt.

De rechter heeft de wrakingskamer via de griffier mondeling bericht dat hij niet in het verzoek tot wraking berust, dat hij niet schriftelijk zal reageren en niet gehoord wenst te worden tenzij de wrakingskamer dit noodzakelijk acht.

De behandeling van het verzoek heeft aansluitend op 9 december 2015 plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen verzoeker met zijn advocaat en gedaagde partij met haar advocaat. De rechter is niet verschenen. Voorts is aanwezig mevrouw [naam] , werkzaam in het kantoor van mr. Graus.

2 De beoordeling

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun - onder meer ingevolge artikel 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.

Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel komt vast te staan.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van de verzoeker relevant, maar is doorslaggevend of de zijdens verzoeker gestelde twijfel aan de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de zitting en de ter zitting van de wrakingskamer nader toegelichte gronden waarop het verzoek tot wraking berust. Ook is kennis genomen van de mondelinge mededeling van de rechter dat hij niet berust in de wraking, doch ook dat hij niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het verzoek.

Ter zitting van de wrakingskamer is door de advocaat van verzoeker uiteen gezet dat hij, in de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van het kort geding een preliminair standpunt wenste in te nemen. De advocaat was daarbij duidelijk over de slechte relatie die hij met deze rechter heeft, die in het verleden is ontstaan en die in het standpunt ook een belangrijke rol speelde. Om duidelijk te maken waartoe zijn standpunt diende en waarom het daarin vervatte verzoek in zijn visie noodzakelijk was heeft mr. Graus ook in de wrakingskamer zijn standpunt uitvoerig uiteengezet en toegelicht. Mr. Graus heeft de verhouding met de rechter betiteld als een ‘incomptabilité d’humeurs’. Daarnaast heeft hij echter ook aangegeven dat hij in het belang van zijn cliënt niet voornemens was over te gaan tot wraking van de rechter. In wezen hield zijn standpunt niet meer in dan het verzoek uitsluitend zijn eigen woorden met behulp van de dictafoon op te nemen. Door de rechter is hij echter niet in de gelegenheid gesteld zich volledig uit te spreken. Dit gegeven heeft hem uiteindelijk gebracht tot het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer stelt vast dat het proces-verbaal van de zitting in kort geding, voor zover hier van belang, weergeeft:

‘Mr. Graus geeft aan dat hij een preliminair verweer wil voeren.

De voorzieningenrechter vraagt mr. Graus bij herhaling om aan te geven waar zijn verweer of betoog naar toe leidt en met name of mr. Graus de voorzieningenrechter gaat wraken, zoals hij eerder in andere zaken waarin deze rechter als rechter optrad heeft gedaan.

Mr. Graus geeft bij herhaling aan dat hij eerst zijn betoog wil kunnen voeren. Mr. Graus verzoekt om hetgeen hij hier op de zitting verklaart te kunnen opnemen op opnameapparatuur, omdat hij eerder geconfronteerd is met een in zijn beleving onjuiste weergave van hetgeen hij in een andere zaak, waar deze rechter bij betrokken was, heeft verklaard.

De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af omdat er geen grond is om een opname te verrichten nu mr. Graus zelf een getuige heeft meegenomen, die het verloop van de zitting kan bijwonen.

De voorzieningenrechter geeft aan dat als mr. Graus niet wil aangeven waar zijn preliminair betoog in uitmondt, bijvoorbeeld een wraking van de rechter of een onbevoegdheid van de rechter, hij niet langer het woord krijgt om zijn preliminair betoog naar voren te brengen.”

De wrakingskamer stelt vast dat het betoog van mr. Graus dat hij meermalen door de rechter is onderbroken met de vraag waar het preliminaire betoog toe leidt en wat hij daarmee beoogt, steun vindt in de inhoud van het door de rechter en griffier vastgestelde proces-verbaal van het kort geding. Uit datzelfde proces-verbaal blijkt vervolgens ook dat het onbeantwoord blijven van deze op zichzelf gerechtvaardigde vraag, de rechter heeft genoopt, volgens mr. Graus zelfs bij herhaling, tot het plaatsen van de opmerking dat mr. Graus zou behoren aan te geven of het preliminair betoog uitmondt in bijvoorbeeld een verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter of een beroep op zijn onbevoegdheid en dat, indien hij dat niet zou doen hij, mr. Graus dus, niet langer het woord zou krijgen om zijn preliminair betoog naar voren te brengen. Naar de onweersproken gebleven stellingen van mr. Graus is daarbij door de rechter verwezen naar een andere zaak die de rechter had behandeld en waarin mr. Graus, niet als advocaat maar in privé, de rechter eveneens heeft gewraakt.

De wrakingskamer stelt vast dat de uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding naar voren komende uitspraken van de rechter en de wijze waarop hij tijdens die mondelinge behandeling mr. Graus tegemoet trad, voor de objectieve buitenstaander niet getuigen van een open en neutrale houding.

De rechter heeft, juist door de toegevoegde opmerkingen en suggesties betreffende het wraken en het terugkomen op een eerdere wraking van hem als rechter in een andere zaak door mr. Graus, de indruk gewekt dat hij niet onbevooroordeeld in het contact met deze advocaat staat. Daarbij weegt naar het oordeel van de wrakingskamer mee dat het hier niet ging om een eenmalige verspreking of vergissing van de rechter. De rechter heeft de opmerking over het wraken meermalen aangehaald en ook als voorbeeld gebruikt naar mr. Graus toe waar het ging om het doel van het preliminair betoog. Tevens merkt de wrakingskamer op dat de rechter aan mr. Graus heeft medegedeeld dat de wrakingskamer het verzoek meteen zal behandelen, daarmee tot uitdrukking brengend dat op voorhand rekening was gehouden met een wrakingsverzoek.

De wrakingskamer komt in het licht van de hiervoor weergegeven gang van zaken tot de conclusie dat het voorstelbaar is te achten dat bij verzoeker vanwege de in de loop van de behandeling van het kort geding in toenemende mate blijkende ‘incomptabilité d’humeurs’ van zijn advocaat en die van de rechter op enig moment de vrees is kunnen ontstaan dat het deze rechter aan onpartijdigheid jegens hem ontbrak.

Het bovenstaande in ogenschouw nemend komt de wrakingskamer dan ook tot het oordeel dat het verzoek tot wraking van de rechter dient te worden toegewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking van mr. Frénay toe.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en

mr. M.J.A.G. van Baal, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.W.D. Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.1

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

1 type: coll: