Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:11368

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
C/03?207382 / FA RK 15-1994
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Jarenlange strijd ouders, loyaliteitsproblemen kinderen, interventie middels deskundigenonderzoek, ouderschapsonderzoek, opdracht met instructies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 1 september 2015

Zaaknummer: C/03/207382 / FA RK 15-1994

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,

advocaat mr. K.M.C. Jansen, kantoorhoudende te Heerlen,

tegen:

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. T.H. Dijkstra, kantoorhoudende te Zwolle.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van de moeder, ingekomen ter griffie op 12 juni 2015;

  • -

    de aanvullende stukken van de moeder, ingekomen ter griffie op 9 juli 2015;

  • -

    het aanvullend verzoekschrift van de moeder, ingekomen ter griffie op 17 juli 2015;

  • -

    de brief van de Raad voor de Kinderbescherming Regio Zuidoost Nederland (hierna te noemen: de raad) van 20 juli 2015, ingekomen ter griffie op 21 juli 2015;

  • -

    het rapport van de raad van 22 juli 2015, ingekomen ter griffie op 30 juli 2015;

  • -

    het verweerschrift van de vader, tevens inhoudende zelfstandige verzoeken, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2015.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 augustus 2015. De zaak is gezamenlijk, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken met zaaknummers C/03/209408 / JE RK 15-1826 en C/03/209411 / JE RK 15-1827 betreffende de verzoeken tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

2 De feiten

Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2004], en;

  • -

    [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2002].

[minderjarige] en [minderjarige] zijn erkend door de vader en de moeder is belast met het gezag. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle van 10 juni 2015 is [minderjarige] voor de duur van drie maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI). [minderjarige] verblijft sinds 15 juni 2015 middels een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor crisisopvang van Xonar.

Bij beschikkingen van 21 augustus 2015 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van beide kinderen tot 21 augustus 2016 verleend en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 10 december 2015 verlengd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De moeder heeft, na aanvulling van het verzoek, verzocht de beschikking van de rechtbank Maastricht van 24 januari 2011 te wijzigen in die zin dat de vader het recht op omgang met de kinderen wordt ontzegd. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat omgang met de vader niet in het belang is van de kinderen. De vader betrekt de kinderen in de strijd tussen de ouders en zet de kinderen al jarenlang op tegen de moeder. Hierdoor hebben de kinderen ernstige loyaliteitsproblemen, hetgeen de raad al in meerdere rapportages heeft geconstateerd. Desondanks legt de vader zich niet neer bij het feit dat de kinderen bij de moeder verblijven en heeft hij de kinderen reeds meermalen aan het gezag van de moeder onttrokken. De moeder heeft geen enkel vertrouwen in de vader, die de kinderen blijft beïnvloeden en betrekken in zijn strijd tegen de moeder. De vader heeft een slechte invloed op de kinderen en zijn handelen is schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen. Nu de vader kennelijk ongeschikt is tot omgang met de kinderen, dient hem het recht op omgang te worden ontzegd.

De moeder heeft ter zitting primair gepersisteerd bij haar verzoek tot ontzegging van het recht op omgang. Subsidiair heeft de moeder verklaard in te stemmen met het advies van de raad. Voorts heeft de moeder gesteld dat de zelfstandige verzoeken van de vader dienen te worden afgewezen, nu gezamenlijk gezag niet in het belang is van de kinderen. Nog in een recente beschikking heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch geconstateerd dat ouders niet in staat zijn tot communicatie. Hierdoor zitten de kinderen klem tussen de ouders. Desgevraagd heeft de moeder verklaard open te staan voor een ouderschapsonderzoek dan wel een andere vorm van hulpverlening teneinde de communicatie tussen de ouders te verbeteren.

3.2.

De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot ontzegging van het recht op omgang dient te worden afgewezen, nu contact met de vader in het belang is van de kinderen. De vader heeft een goede band met de kinderen en is betrokken en zorgzaam. De moeder werkt contact tussen de vader en de kinderen echter tegen en informeert de vader niet over de ontwikkeling van de kinderen. Bovendien doen de kinderen verontrustende uitspraken over de thuissituatie van de moeder, waardoor de vader zich grote zorgen maakt. Hoewel [minderjarige] al jarenlang aangeeft bij de vader te willen wonen, wordt zij niet gehoord. Ook maakt de vader zich zorgen om [minderjarige], die steeds meer van hem vervreemdt. De vader verzoekt daarom de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over de kinderen. Daarnaast verzoekt hij het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat wordt bepaald dat zij het hoofdverblijf heeft bij de vader. De vader stemt niet in met de door de raad geadviseerde begeleide omgangsregeling, aangezien in het verleden reeds begeleide contacten hebben plaatsgevonden en uit het verloop van dat traject is gebleken dat de vader goed voor de kinderen zorgt. Bovendien is de geadviseerde regeling te beperkt. De vader heeft onvoldoende financiële middelen om één dag per veertien dagen af te reizen naar Limburg voor de begeleide omgangsregeling.

Ter zitting heeft de vader betwist dat hij de kinderen zou hebben beïnvloed. Hij stelt dat onvoldoende wordt gekeken naar de wens van [minderjarige] en de mogelijkheid van thuisplaatsing bij de vader en wil dat de kinderen worden onderzocht. De vader handelt enkel in het belang van de kinderen en is bereid tot communicatie met de moeder. Gelet op de problematiek zou mogelijk ook een bijzondere curator kunnen worden benoemd.

3.3.

De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en is ter zitting, buiten aanwezigheid van partijen, gehoord door de rechter. [minderjarige] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat zij heel graag bij de vader wil wonen. [minderjarige] heeft veel ruzie met de moeder en de sfeer bij de moeder thuis is niet goed. [minderjarige] is ongelukkig en mist haar familie en vrienden in [woonplaats]. Na afloop van het verhoor heeft de rechter het standpunt van [minderjarige] zakelijk weergegeven aan partijen.

3.4.

De raad heeft geadviseerd het verzoek van de moeder tot ontzegging van de omgang af te wijzen, nu omgang met de vader in het belang is van de kinderen. Gelet op de aanhoudende strijd tussen de ouders en de mogelijke beïnvloeding door de vader, acht de raad het noodzakelijk dat de contacten tussen de vader en de kinderen vooralsnog plaatsvinden gedurende vier uur per veertien dagen onder begeleiding van de GI. De raad heeft geadviseerd de beslissing op de verzoeken aan te houden in afwachting van de resultaten van de begeleide omgangsregeling. De gezinsvoogdijmedewerker kan in het kader van de ondertoezichtstelling onderzoeken welke hulpverlening voor de ouders het meest passend is.

3.5.

De GI heeft ten aanzien van [minderjarige] verklaard dat [minderjarige] veel belang heeft bij omgang met de vader. [minderjarige] heeft een sterke band met de vader en zij hebben veel contact met elkaar. Een ontzegging van het recht op omgang staat in groot contrast met de wens van [minderjarige] om bij de vader te wonen. De GI stemt daarom in met advies van de raad om de beslissing op de verzoeken aan te houden in afwachting van de resultaten van de begeleide omgangsregeling.

4 De overwegingen

4.1.

Op grond van artikel 1: 377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op verzoek van (één van) de ouders stelt de rechter een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht, dan wel ontzegt het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang slechts indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;

  2. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of;

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Voorts kan op grond van op grond van artikel 1: 253c BW de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Artikel 1: 253c, tweede lid BW bepaalt dat het verzoek slechts kan worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Op grond van artikel 1: 253a BW kan de rechtbank vervolgens (indien de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag) een beslissing nemen ten aanzien van onder andere het hoofdverblijf van een kind. De rechtbank neemt een beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.2.

De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om tot een weloverwogen oordeel te komen. Gebleken is dat tussen de ouders sprake is van een zeer ernstige, jarenlange aanhoudende ex-partnerstrijd, waardoor de kinderen klem zijn komen te zitten en zij ernstige loyaliteitsproblemen vertonen. De rechtbank acht dit zeer zorgelijk. [minderjarige] en [minderjarige] spreken van een strijd die al zeven jaren duurt en ter zitting is gebleken dat de afgelopen jaren maar liefst zestien of zeventien zittingen hebben plaatsgevonden tussen de ouders. Gebleken is ook dat in het verleden al meermalen is benadrukt dat de kern van de problematiek is gelegen in de (non)communicatie en ontbrekende samenwerking tussen de ouders, waarvoor inmiddels al meerdere vormen van hulpverlening zijn ingezet, waaronder thans ook de ondertoezichtstelling van beide kinderen. Desondanks zijn ouders klaarblijkelijk niet in staat de onderlinge strijd in het belang van de kinderen te staken, waardoor [minderjarige] en [minderjarige] op steeds meer fronten vastlopen. De ouders zijn al jarenlang niet of nauwelijks in staat als ouders van [minderjarige] en [minderjarige] met elkaar te communiceren. Met de raad en de GI acht de rechtbank het van groot belang dat de ouders in het belang van de kinderen werken aan hun ouderrelatie en onderlinge communicatie, zodat de kinderen daar niet langer last van hebben.

4.3.

Ter zitting heeft de rechtbank reeds met de ouders de mogelijkheid besproken van het gelasten van een zogenaamd ouderschapsonderzoek. Dit betreft een deskundigenbericht in de zin van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv). De ouders hebben verklaard hiermee in te stemmen en zij hebben dit ook na afloop van de zitting aan [minderjarige] medegedeeld. De ouders hebben voorts ingestemd de benoeming van de deskundigen aan de rechtbank over te laten. Ter zitting zijn de vraagstellingen aan de deskundigen reeds besproken en ook hier hebben de ouders mee ingestemd.

De rechtbank benadrukt dat ouders op grond van artikel 198 lid 1 Rv verplicht zijn mee te werken aan het ouderschapsonderzoek. Indien (één van) de ouders niet aan deze verplichting voldoen, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die de rechtbank geraden acht.

De rechtbank zal als deskundigen benoemen drs. C.E. Bronkhorst en drs. R.M. Kavelaars-Niekoop. De deskundigen - die zich bereid hebben verklaard het onderzoek te verrichten - wordt verzocht tijdens de onderzoeksfase gesprekken met de ouders te voeren en zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken te bewerkstelligen dat de ouders in het belang van [minderjarige] en [minderjarige] zodanig elkaar kunnen gaan respecteren en vertrouwen dat zij weer in staat zijn tot constructief overleg en zelfstandig kunnen komen tot afspraken over hetgeen hen verdeeld houdt. Indien de deskundige(n) dat noodzakelijk achten, kunnen zij de kinderen bij het onderzoek betrekken. De gesprekken tussen de deskundigen en de ouders en/of kinderen zullen in beginsel plaatsvinden op het kantoor van de deskundige drs. Bronkhorst te Eindhoven.

De rechtbank verzoekt de deskundigen te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

  1. Hoe is de relatie tussen de ouders op ouderniveau? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan?

  2. Kan de ouderrelatie zodanig worden verbeterd dat de kinderen buiten de strijd van de ouders blijven en de kinderen geen last hebben van de communicatie tussen de ouders? En indien dit het geval is, op welke wijze en met welke middelen, rekening houdend met de financiële middelen van de ouders en de afstand tussen de ouders, kan de ouderrelatie worden verbeterd?

  3. Kan de communicatie tussen de ouders ten aanzien van de kinderen zodanig worden verbeterd dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij in de toekomst in constructief overleg beslissingen nemen omtrent de kinderen? En indien dit het geval is, op welke wijze en met welke middelen, rekening houdend met de financiële middelen van de ouders en de afstand tussen de ouders, kan de communicatie worden verbeterd?

  4. Hoe is de relatie tussen de kinderen onderling en tussen ieder van de kinderen (en van hen samen) met elke ouder en met beide ouders? Kunnen deze relaties bijdragen aan de verbetering van de ouderrelatie en de oudercommunicatie en zo ja, dienen deze relaties te worden verbeterd? En indien dit het geval is, op welke wijze en met welke middelen?

  5. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van de contactregeling rekening te houden met elkaar en met de belangen van de kinderen?

  6. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van de contactregeling rekening te houden met de behoeften van de kinderen?

  7. In hoeverre zijn ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor contact met de kinderen?

  8. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen? En indien deze naar voren komen, welke bevindingen zijn dit?

De deskundigen dienen de rechtbank te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek en - bij gebreke van overeenstemming - de door de rechtbank gestelde vragen te beantwoorden en de rechtbank zo mogelijk te adviseren omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken óf omgangsregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het gezamenlijk gezag.

De rechtbank zal de deskundigen ieder binnen veertien dagen na afgifte van deze beschikking voorzien van een afschrift van de processtukken. Vervolgens zal de rechtbank de beslissing op de verzoeken tot wijziging van de omgangsregeling, wijziging van het gezag en vaststelling van het hoofdverblijf aanhouden tot uiterlijk 15 november 2015 (pro forma), in afwachting van de resultaten van het ouderschapsonderzoek. Indien de deskundigen of de advocaten tijdens het onderzoek vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot de hierna te noemen mr. J.J.M. Verhey, griffier bij de rechtbank.

4.4.

Uit de artikel 195, 199 en 200 juncto artikel 284 lid 1 Rv volgt dat de kosten van een ouderschapsonderzoek ten laste van partijen komen. Indien het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, kan de rechtbank op grond van artikel 284 lid 1 Rv de kosten van een dergelijk onderzoek geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk brengen indien sprake is van geen of verminderde draagkracht aan de zijde van (één van) de ouders.

In de onderhavige zaak is gebleken dat bij geen van de ouders sprake is van draagkracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kosten van de deskundigen ten laste van het Rijk zullen komen. De deskundigen dienen te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief van € 190,-, exclusief BTW. Indien de deskundigen met hun werkzaamheden boven de geschatte € 9500,00 dreigen te komen, dienen zij zich met de griffier daarover tijdig te verstaan.

4.5.

De rechtbank is op de door de raad genoemde gronden, welke de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, van oordeel dat een begeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vooralsnog in het belang van de kinderen noodzakelijk is gezien de strijd tussen de ouders, de mogelijke beïnvloeding van de vader en de problematiek van de kinderen.

De rechtbank zal daarom de door de raad geadviseerde omgangsregeling van vier uur per veertien dagen onder begeleiding van de GI voorlopig vaststellen in afwachting van de resultaten van het ouderschapsonderzoek en de voortzetting van de mondelinge behandeling, waarbij de omgangsregeling kan worden uitgebreid indien de gezinsvoogdijmedewerker dit in het belang van de kinderen acht.

5 Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat [minderjarige], geboren op [2004] te [geboorteplaats], en [minderjarige], geboren op [2002] te [geboorteplaats], voorlopig, in afwachting van de resultaten van het deskundigenonderzoek, omgang hebben met de vader:

- gedurende vier uren per twee weken, onder begeleiding van de GI, waarbij de omgangsregeling na verloop van tijd kan worden uitgebreid door de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg indien dat in het belang is van de kinderen;

gelast een deskundigenonderzoek zoals in punt 4.3. van deze beschikking bedoelt;

benoemt tot deskundigen drs. C.E. Bronkhorst, psycholoog en forensisch mediator, gevestigd en kantoorhoudende te 5627 LP Eindhoven, Orleanshof 28, en drs. R.M. Kavelaars-Niekoop, forensisch mediator, gevestigd en kantoorhoudende te 2809 NC Gouda, 2e Moordrechtse Tiendeweg 2;

bepaalt dat de kosten van de deskundigen ten laste zullen komen ’s Rijks kas;

bepaalt dat de griffier aan afschrift van deze beschikking met alle processtukken aan de deskundigen zal zenden;

bepaalt dat de deskundigen schriftelijk vóór 15 november 2015 zullen rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere verder beslissing aan tot 15 november 2015.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Verhey, griffier op

1 september 2015.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.