Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:11335

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
28-01-2016
Zaaknummer
C/03/204625 / HA RK 15-84
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

restitutierisico niet van toepassing.

Deelgeschil kan ook zien op de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten. Dat uiteindelijk maar een klein bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend, of zelfs in het geheel geen schadevergoeding wordt toegekend, betekent op zich niet dat de buitengerechtelijke kosten onredelijk zijn gemaakt (Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586).

Uitgangspunt is dat deze kosten moeten worden begroot op de voet van artikel 6:96 BW en niet op grond van de zogenaamde PIV-staffel, zoals door de verzekeringsmaatschappij betoogd. Deze staffel heeft geen bin¬dende kracht en is ook in de rechtspraak (nog) niet algemeen aanvaard als richtsnoer voor de begroting van buitengerechtelijke kosten. Dat wordt nog onderstreept door het feit dat maar weinig advocaten hebben verklaard zich aan deze staffel gebonden te achten.

Onjuist is de stelling van de verzekeringsmaatschappij dat met het deelgeschil een voorlopig oordeel zou worden gevraagd over de buitengerechtelijke kosten, hetgeen niet zou zijn te verenigen met het doel van de deelgeschilprocedure.

Met het verzochte oordeel over de buitengerechtelijke kosten wordt geen voorlopig oordeel gegeven over de toewijsbaarheid daarvan, maar wordt een beslissing gegeven waaraan de rechter in een procedure ten principale op de voet van artikel 1019cc Rv is gebonden als ware het een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis.

Dat de criteria van spoedeisendheid en het restitutierisico niet gelden in een deelgeschilprocedure, betekent niet dat een verzoek om toewijzing van buitengerechtelijke kosten niet onderdeel zou kunnen uitmaken van een deelgeschil. Het tegendeel volgt immers uit de parlementaire geschiedenis betreffende de deelgeschilprocedure, waar de verzekeringsmaatschappij zelf ook naar verwijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/150

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/204625 / HA RK 15-84

Beschikking van 3 september 2015

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. D.S.G. Lie;

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

advocaat mr. V. Oskam.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de mondelinge behandeling.

2 Het geschil

2.1.

Verzoekster, verder te noemen: [verzoekster] , is op 21 mei 2010 slachtoffer geworden van een verkeersongeval, dat is veroorzaakt door een verzekerde van verweerster, verder te noemen: ASR.

2.2.

ASR heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. [verzoekster] stelt als gevolg van het ongeval diverse gezondheidsklachten te hebben opgelopen, te weten: onderrugpijnen (uitstralend naar de benen), hoofdpijnklachten, slaapstoornissen, herbelevingen, knieklachten rechts en psychische klachten (PTSS).

2.3.

Partijen zijn in onderhandeling over de afwikkeling van de schade. [verzoekster] stelt in het verzoekschrift dat zij in het kader van de vaststelling van de medische en juridische causaliteit voor een bedrag van in totaal € 13.348,98 aan kosten heeft gemaakt, bestaande uit kosten van buitengerechtelijke juridische bijstand en medische verschotten. Van dit totaal aan kosten heeft [verzoekster] een bedrag vergoed van € 5.000,--, zodat ASR volgens [verzoekster] nog dient te voldoen € 8.348,98. Ter zitting heeft [verzoekster] , naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer, erkend dat ASR in mindering op de gevorderde kosten nog heeft betaald een bedrag van € 1.868,32, zodat resteert te voldoen € 6.480,66. ASR weigert dat bedrag, ondanks herhaalde rappels, te voldoen.

2.4.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om in het kader van een deelgeschil op de voet van artikel 6:96 BW te bepalen dat de openstaande buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 6.480,66 integraal door ASR dienen te worden betaald. Volgens haar komen de door haar gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking, omdat er een conditio sine qua non verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten, de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend en omdat het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen en dat de daartoe gemaakte kosten ook redelijk zijn.

2.5.

Op grond van het vorenstaande verzoekt [verzoekster] – zoals de rechtbank dat verzoek begrijpt – dat de rechtbank:

  1. ASR veroordeelt tot betaling van de openstaande buitengerechtelijke kosten ad € 6.480,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2015 tot de dag der algehele voldoening;

  2. ASR veroordeelt in de kosten van deze procedure, althans de kosten daarvan begroot op € 6.489,96, te vermeerderen met griffierecht ad € 285,--;

  3. de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

3 De beoordeling

3.1.

ASR heeft allereerst ten verwere aangevoerd dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek, nu een beslissing op het onderhavige geschil niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Volgens ASR zijn er geen onderhandelingen die door een beslissing op het onderhavige geschil behoeven te worden vlotgetrokken, omdat beide partijen zich realiseren dat in verband met het verschil van inzicht over de medische causaliteit een medische (psychiatrische) expertise is aangewezen en dat een dergelijke expertise de sleutel tot een oplossing van het geschil is.

3.2.

De rechtbank merkt op dat ASR erkent dat ook een geschil over de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten onderwerp kan zijn van een deelgeschil, maar dat volgens ASR het onderhavige verzoek wordt ingezet voor een ander doel dan waartoe de deelgeschillenregeling is ontworpen.

3.3.

Dat standpunt moet worden verworpen. Het vereiste voor de ontvankelijkheid van een verzochte beslissing over de hoogte van de buitengerechtelijke kosten, dat de beslissing moet bijdragen tot de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, moet niet zodanig beperkt worden uitgelegd dat daarvan alleen sprake is indien (enkel nog, of naast posten van ondergeschikt belang) een geschil over de hoogte van deze schadepost nog in de weg staat aan een allesomvattende regeling van de schade door middel van een vaststellingsovereenkomst, derhalve in een geval waarin de buitengerechtelijke kosten als sluitpost worden gezien in een geschil over de schadebegroting, welke voor het overige is geregeld.

3.4.

Ook een inhoudelijk oordeel over de buitengerechtelijke kosten in een geschil als het onderhavige kan namelijk, zij het indirect, bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Immers, een oordeel over de redelijkheid van die kosten kan, in een geval als het onderhavige, bevorderen en er toe leiden dat een slachtoffer kan (blijven) beschikken over de financiële middelen om daarmee een advocaat te kunnen (blijven) betalen die het slachtoffer bijstaat bij de verdere onderhandelingen. Die bijstand kan bevorderen dat een vaststellingsovereenkomst kan worden gesloten. Anders dan ASR stelt, staat ook de parlementaire geschiedenis aan een dergelijke uitleg niet in de weg, nu daarin niet is opgenomen dat alleen een geschil over de buitengerechtelijke kosten in de beperkte zin (als bedoeld in 3.3.) onderwerp kan uitmaken van een deelgeschil.

3.5.

Daaruit volgt dat [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek, zodat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

3.6.

Subsidiair en ten gronde heeft ASR aangevoerd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten onredelijk zijn, omdat deze niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Bovendien kan volgens ASR die toets pas worden uitgevoerd, indien de totale schade vaststaat; pas dan kan de verhouding tussen omvang van de buitengerechtelijke kosten en de totale schade worden vastgesteld.

3.7.

De rechtbank verwerpt dit standpunt. ASR stelt kennelijk dat de buitengerechtelijke kosten slechts als redelijk kunnen worden gekwalificeerd, indien er een redelijke verhouding bestaat tussen de gemaakte kosten en de “opbrengst” (de uitgekeerde schadevergoeding). Dat standpunt vindt echter geen steun in het recht (vergelijk laatstelijk Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586). Beslissend is of de kosten ter vaststelling van schade en de aansprakelijkheid van een ander daarvoor in redelijkheid zijn gemaakt. Dat uiteindelijk maar een klein bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend, of zelfs in het geheel geen schadevergoeding wordt toegekend, betekent op zich niet dat de buitengerechtelijke kosten onredelijk zijn gemaakt. Het standpunt dat de redelijkheid van de gemaakte buitengerechtelijke kosten pas kan worden beoordeeld nadat de (totale) schade vaststaat is dan ook niet juist. Ook gedurende de onderhandelingen kan over de redelijkheid van die kosten een oordeel worden gegeven.

3.8.

Over de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank het volgende. Uitgangspunt is dat deze kosten moeten worden begroot op de voet van artikel 6:96 BW en niet op grond van de zogenaamde PIV-staffel, zoals door ASR betoogd. Deze staffel heeft geen bindende kracht en is ook in de rechtspraak (nog) niet algemeen aanvaard als richtsnoer voor de begroting van buitengerechtelijke kosten. Dat wordt nog onderstreept door het feit dat maar weinig advocaten hebben verklaard zich aan deze staffel gebonden te achten.

3.9.

De rechtbank verwerpt het algemeen luidend verweer van ASR, dat met het onderhavige deelgeschil een voorlopig oordeel zou worden gevraagd over de buitengerechtelijke kosten, hetgeen niet zou zijn te verenigen met het doel van de deelgeschilprocedure.

3.10.

Met het verzochte oordeel over de buitengerechtelijke kosten wordt immers geen voorlopig oordeel gegeven over de toewijsbaarheid daarvan, maar wordt een beslissing gegeven waaraan de rechter in een procedure ten principale op de voet van artikel 1019cc Rv is gebonden als ware het een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis.

3.11.

In het verlengde van dat verweer heeft ASR nog aangevoerd dat het verzochte oordeel het bestek van een deelgeschil te buiten gaat, omdat de deelgeschilprocedure niet voorziet in de waarborgen die de procedure van een provisionele vordering en het kort geding wél bieden.

3.12.

De rechtbank merkt op dat ASR niet onderbouwt op welke waarborgen wordt gedoeld. Nu ASR verwijst naar de noot van mr. S. Colson onder de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2012, gepubliceerd in JA 2012 onder nummer 95, veronderstelt de rechtbank dat ASR doelt op de criteria van spoedeisendheid en het restitutierisico, die in de procedures van een provisionele vordering en een kort geding als wezenlijke gezichtspunten gelden bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een geldvordering. Dat die waarborgen niet zouden gelden in een deelgeschilprocedure, betekent niet dat een verzoek om toewijzing van buitengerechtelijke kosten niet onderdeel zou kunnen uitmaken van een deelgeschil. Het tegendeel volgt immers uit de parlementaire geschiedenis betreffende de deelgeschilprocedure, waar ASR zelf ook naar verwijst.

3.13.

De rechtbank stelt voorop dat indien de omstreden buitengerechtelijke kosten voor een belangrijk deel samenhangen met een geschil over de vergoeding van diezelfde kosten, dit op zich niet betekent dat de kosten gemaakt om die kosten vergoed te krijgen niet in redelijkheid zijn gemaakt. Vergoeding van de buitengerechtelijke kosten kan immers voor een slachtoffer van wezenlijk belang zijn, om zodoende te kunnen beschikken over de nodige financiën om de onderhandelingen over een schadevergoeding voort te zetten.

3.14.

De buitengerechtelijke kosten waarvan betaling wordt verzocht, zien, naar de rechtbank begrijpt, kennelijk niet alleen op de kosten in verband met vaststelling van de aansprakelijkheid van ASR en vaststelling van de omvang van de schade, maar zien ook op de kosten van de buitengerechtelijke werkzaamheden ter inning van de kosten van de buitengerechtelijke werkzaamheden in verband met de vaststelling van die aansprakelijkheid en van de vaststelling van die schade. Zoals vastgesteld bedraagt de (ter zitting verminderde) vordering ter zake buitengerechtelijke kosten € 6.480,66. Gelet op de aard van het geschil, dat niet alleen de omvang van de schade omvatte, maar ook de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, acht de rechtbank dit bedrag niet onredelijk.

3.15.

Ten aanzien van de gevorderde kosten van het onderhavige geschil heeft ASR aangevoerd dat zij deze kosten niet adequaat kan beoordelen, omdat zij niet beschikt over de daartoe door [verzoekster] aan te leveren specificatie. [verzoekster] heeft volgens ASR slechts een zeer globale opgave gedaan van betreffende de urenvoorlichting. Volgens ASR is er sprake van een overzichtelijk geschil – het innen van nog openstaande advocaatkosten – dat het aantal gedeclareerde uren niet rechtvaardigt. ASR geeft de rechtbank op grond daarvan in overweging het aantal te vergoeden uren te matigen tot 10,30 uur.

3.16.

De rechtbank is met ASR van oordeel dat het aantal door de advocaat van [verzoekster] gedeclareerde uren – 22 – bovenmatig is, gelet de beperkte omvang van het geschil – de betaling van buitengerechtelijke kosten – en op het feitelijk en juridisch simpele karakter daarvan. Dat betekent dat de rechtbank het aantal declarabele uren in redelijkheid stellen op tien. Bij een uurtarief van € 230,-- en een verhoging met btw en € 285,-- griffierecht, leidt dit tot een toewijsbaar bedrag van € 2.783,00 aan buitengerechtelijke kosten en € 285,-- aan griffierecht.

4 De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt ASR tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 6.480,66 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt ASR tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 2.783,00 aan proceskosten, te vermeerderen met € 285,-- aan griffierecht;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.W. Huinen, rechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT