Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1115

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
K-04-3647838-AZ-14-361
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tijdens UWV-procedure afgewezen. Van Hooff Elektra-doctrine strikt genomen niet van toepassing, maar gelet op het feit dat de verstoring in de arbeidsrelatie eerst is ontstaan nadat voor de werknemer kenbaar was geworden dat de werkgever het dienstverband wenst te beëindigen, kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat het de werknemer thans enkel te doen is om een hogere beëindigingsvergoeding te verkrijgen. Het verzoek zal dus moeten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een gegronde reden daartoe. Het tegenverzoek van de werkgever is gedaan onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV. De kantonrechter is van oordeel dat het uitspreken van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder deze voorwaarde niet mogelijk is, omdat een dergelijke voorwaarde in strijd komt met het stelsel van het ontslagrecht en van de ontbindingsprocedure in het bijzonder. Tegenverzoek eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/336
AR-Updates.nl 2015-0211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 3647838 \ AZ VERZ 14-361

Beschikking van de kantonrechter van 11 februari 2015

in de zaak van:

[verzoeker] , wonende te [woonplaats] aan de [adres],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E. van Schaick,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht GF Machining Solutions International SA, gevestigd te 6616 Losone, Zwitserland aan het adres Via dei Pioppi 2,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.W.F.M. de Leeuw.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en GF genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Op 3 december 2014 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van [verzoeker], waarbij hij verzoekt de tussen hem als werknemer en GF als werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de in het verzoekschrift vermelde gewichtige redenen.

1.2.

Op 23 januari 2015 is door GF een verweerschrift ingediend, waarbij GF zich gemotiveerd heeft verzet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Tevens heeft GF bij tegenverzoek voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen.

1.3.

Op 28 januari 2015 is een mondelinge behandeling van de zaak gehouden.

1.4.

Partijen hebben daarna verzocht een beschikking te geven, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Gelet op de stukken en de ter mondelinge behandeling door partijen afgelegde verklaringen, alsmede gelet op hetgeen partijen op vragen van de kantonrechter over en weer nog hebben aangevoerd, stelt de kantonrechter het navolgende vast.

- [verzoeker] is op 18 maart 1996 bij (de rechtsvoorganger van) GF in dienst getreden en vervult thans de functie van Director Branch Office Benelux tegen een salaris van € 8.593,75 bruto per maand. [verzoeker] is 51 jaar oud.

- Op 3 september 2014 is [verzoeker] door zijn leidinggevenden geïnformeerd dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dat de werknemers die voor dit onderdeel werkzaam zijn – inclusief [verzoeker] – worden voorgedragen voor ontslag. [verzoeker] heeft daarbij tot eind september 2014 de gelegenheid gekregen om na te denken over het eventueel overnemen van productieactiviteiten door middel van een ‘management buyout’. Op 4 september 2014 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld en tot op heden niet hersteld.

- Op 26 september heeft [verzoeker] van GF een brief ontvangen waarin de arbeidsovereenkomst werd opgezegd tegen 31 maart 2015. [verzoeker] heeft de opzegging schriftelijk vernietigd en aangegeven dat hij bereid is te spreken over een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

- Op 10 november 2014 heeft GF bij UWV Werkbedrijf een ontslagvergunning aangevraagd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige verzoekschriften was nog geen beslissing op de aanvraag gegeven.

- Op 26 november 2014 heeft GF aan [verzoeker] een voorstel gedaan voor een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, welk voorstel door [verzoeker] niet is geaccepteerd.

2.2.

[verzoeker] verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat hij de ontslagprocedure bij UWV Werkbedrijf niet wenst af te wachten. Niet alleen omdat [verzoeker] een lange opzegtermijn heeft, maar ook omdat niet zeker is of UWV wel toestemming zal verlenen en er sprake is van een opzegverbod vanwege arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] stelt dat de organisatiewijzigingen van de laatste 10 jaar een zware wissel hebben getrokken op de verhouding met zijn leidinggevenden en zijn gezondheid en hebben geleid tot zijn huidige arbeidsongeschiktheid. De ontslagaanzegging en het eenzijdig handelen van GF zijn daarbij de spreekwoordelijke druppel geweest. Na de ziekmelding heeft GF geen contact met [verzoeker] opgenomen en hem feitelijk al uit zijn functie ontheven door hem niet meer op de hoogte te houden van de ontwikkelingen binnen het bedrijf, geen notulen meer te verstrekken en zijn autorisatie voor het computerprogramma Board in te trekken. GF heeft ook geen opvolging gegeven aan het advies van de bedrijfsarts om mediation aan te gaan. Uiteindelijk heeft pas op 21 januari 2015 (een week voor de mondelinge behandeling) een mediationgesprek plaatsgevonden maar dat heeft geen resultaat opgeleverd. Er is sprake van een verstoorde arbeidsrelatie en voortzetting van de arbeidsrelatie is ziekmakend zodat van [verzoeker] niet kan worden gevergd dat hij het einde van zijn dienstverband afwacht, aldus [verzoeker].

2.3.

GF voert verweer tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding en stelt - kort gezegd - dat het enkele feit dat GF heeft medegedeeld dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten niet maakt dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en dat er daardoor sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. Sinds die mededeling tracht [verzoeker] evenwel een breuk te forceren door GF allerlei verwijten te maken. Voor zover er al redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zijn deze aan [verzoeker] zelf te wijten, aldus GF. GF heeft [verzoeker] op 26 november 2014 nog een schriftelijk beëindigingsvoorstel gedaan, maar nog voordat de termijn om op het voorstel te reageren was verstreken heeft [verzoeker] het ontbindingsverzoek ingediend.

Voor zover het dienstverband niet op andere wijze zal eindigen, bijvoorbeeld middels opzegging na verkregen toestemming van UWV, verzoekt GF de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden wegens wijzigingen in de omstandigheden die aan [verzoeker] te wijten zijn.

2.4.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de door partijen aangehaalde Van Hooff Elektra-doctrine in de onderhavige situatie strikt genomen niet van toepassing is. Er is immers (nog) geen sprake van een door UWV Werkbedrijf verleende toestemming om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen, zodat van een opzegging en een ontbindings-verzoek tijdens de opzegtermijn eveneens geen sprake is. Het einde van het dienstverband staat derhalve nog niet vast. Het verzoek van [verzoeker] dient dan ook niet getoetst te worden aan de stringentere norm van Van Hooff Elektra, maar moet worden beoordeeld als een ‘normaal’ verzoekschrift. Daarbij staat wel voorop dat het indienen van een ontbindings-verzoek met als reden een (hogere) beëindigingsvergoeding te verkrijgen, op zichzelf geen gegronde reden voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan opleveren, zodat dient te worden getoetst of de grond voor het ontbindingsverzoek niet enkel is gelegen in de wens van [verzoeker] om een vergoeding te verkrijgen.

2.5.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoekschrift ten grondslag gelegd dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie die ziekmakend zou zijn. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan het gesprek van 3 september 2014 reeds sprake was van een moeizame of verstoorde relatie tussen hem en de heer [X] (Head of Region voor Europa) en/of de heer [Y] (Managing Director) als gevolg van de organisatiewijzigingen in 2007 en later. Iedere aanwijzing daarvoor ontbreekt in het dossier. Wel acht de kantonrechter aannemelijk dat [verzoeker] het niet eens was met de wijze waarop de verschillende reorganisaties bij GF werden doorgevoerd en dat [verzoeker] die reorganisaties als directeur moest begeleiden en dat dit bij hem tot onvrede heeft geleid. Dat maakt echter nog niet dat daarmee een verstoorde arbeidsrelatie voorafgaande aan 3 september 2014 kan worden vastgesteld.

2.6.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de verstoorde arbeidsrelatie, voor zover daarvan thans sprake is, naar het oordeel van de kantonrechter eerst is ontstaan (of geconstrueerd) nadat GF aan [verzoeker] heeft kenbaar gemaakt dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dus in het zicht van een voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit het feit dat [verzoeker] vervolgens een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter heeft ingediend nadat door GF een - in de visie van [verzoeker] te mager - beëindigingsvoorstel is gedaan, kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat het [verzoeker] enkel te doen is om een hogere beëindigingsvergoeding te verkrijgen. Het verzoek zal dus moeten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een gegronde reden daartoe.

2.7.

Het tegenverzoek van GF is gedaan onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat het uitspreken van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder deze voorwaarde niet mogelijk is, omdat een dergelijke voorwaarde in strijd komt met het stelsel van het ontslagrecht en van de ontbindingsprocedure in het bijzonder. De ontbindingsprocedure is gericht op het verkrijgen van een spoedige beslissing omtrent het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de overeenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Daarmee geeft artikel 7:685 BW slechts ruimte voor ontbinding op korte termijn. Nu GF in feite de UWV-procedure wil afwachten en slechts ontbinding vraagt voor het geval dat UWV afwijzend beslist, is van een onmiddellijke noodzaak tot ontbinding kennelijk geen sprake. Het verzoek van GF zal dus eveneens moeten worden afgewezen.

2.8.

Tot slot merkt de kantonrechter nog op dat [verzoeker] door aldus te beslissen feitelijk in ieder geval niet wordt benadeeld. In geval van opzegging ligt immers de route van een kennelijk onredelijk ontslag open. In geval van afwijzing van het verzoek tot toestemming door UWV of het niet kunnen opzeggen vanwege het ontslagverbod bij ziekte, kan een hernieuwd verzoek tot ontbinding worden ingediend.

2.9.

In de aard en uitkomst van deze procedure ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst het over en weer verzochte af,

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. J. Schreurs-van de Langemheen, en in het openbaar uitgesproken.

type: JSL

coll: em