Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:11083

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
4285721 BR VERZ 15-213
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling op het Notarisambt van 11 december 2012. Derdengeldrekening, geen bevoegdheid tot het middelen van rente.

Geen bevoegdheid voor notaris om één derdengeldrekening aan te houden voor diverse cliënten om vervolgens de gegenereerde rente te middelen en om te slaan over die cliënten.

In het kader van het bepaalde in artikel 4 van de Regeling op het notarisambt van 11 december 2012 dient een notaris, daarbij lettend op de omvang van het bedrag en de tijdsduur dat het bedrag op de bijzondere rekening staat, waarbij van de onderhavige nalatenschap sprake is, een rente te berekenen die in het economisch verkeer gebruikelijk is. Gesteld noch gebleken is dat andere bankrekeningen in 2014 en 2015 iets met de onderhavige nalatenschap van doen hebben. Daarbij komt dat de notaris niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan hij in tot middelen bevoegd zou zijn. De notaris dient immers de daadwerkelijk over de gelden van de nalatenschap ontvangen rente aan de erfgenamen te vergoeden op grond van artikel 4 van de Regeling op het notarisambt en de bijbehorende toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0009
NJF 2016/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

zaaknr: 4285721 BR VERZ 15-213

beschikking van de kantonrechter van 25 november 2015

inzake

[verzoeker] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster],

kantoor houdend te [adres] ,

verzoekende partij,

verschenen in persoon,

contra:

[verweerster] ,

wonend te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.H. van Roekel.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd worden.

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen ter griffie ontvangen op 26 juni 2015

  • -

    een brief met een bijlage van [verweerster] ter griffie ontvangen op 4 augustus 2015

  • -

    het verweerschrift ter griffie ontvangen op 13 oktober 2015

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 oktober 2015

  • -

    een brief met een bijlage van [verzoeker] van 20 oktober 2015 die na de mondelinge behandeling ter griffie is ontvangen op 21 oktober 2015

  • -

    een brief van [verweerster] , ter griffie ontvangen op 9 november 2015.

1.2.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 7 maart 2010 is te Maastricht [erflaatster] (verder te noemen: erflaatster) geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , laatstelijk wonende te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, overleden. Bij beschikking van de Rechtbank Maastricht van 14 december 2011 is [verzoeker] tot vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster benoemd.

2.2.

Sinds 10 december 2012 staat het geld van de nalatenschap op de derdenrekening van [verzoeker] , aangehouden bij de ABN AMRO-bank (verder te noemen: ABN AMRO). ABN AMRO stelt aan het begin van elk kwartaal het te vergoeden rentepercentage vast en informeert de notarissen daarover. ABN AMRO hanteert op de onderwerpelijke rekening nominale rente wat tot zogenoemde rente op rente leidt.

2.3.

Op 21 maart 2014 heeft een betaling vanaf de ABN AMRO-rekening plaatsgevonden. Vanaf 21 maart 2014 tot 31 december 2014 bedroeg het rekeningsaldo van de nalatenschap € 125.517,51 exclusief rente.

2.4.

Met uitzondering van [verweerster] hebben de overige twee erfgenamen de door [verzoeker] voorlopige opgestelde eindafrekening goedgekeurd.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt tussentijdse vaststelling van het vereffenaarsloon over 2014 (het hele jaar) en over 2015 vanaf 1 januari tot en met 22 juni aangezien [verweerster] de door hem opgestelde voorlopige eindafrekening van de nalatenschap niet heeft goedgekeurd.

3.2.

[verzoeker] voert ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aan.

3.2.1.

De gelden van de nalatenschap staan op zijn derdengeldenrekening bij de ABN AMRO. Zijn kantoor houdt echter rekeningen aan bij meer banken. Omdat er ook gelden via andere banken lopen die minder of zelfs geen rente vergoeden en het boeken van gelden van de ene naar de andere rekening rentedagen kost, is het niet juist om voor de onderwerpelijke nalatenschap de rente die ABN AMRO hanteert aan te houden. Het nadeel van deze methode is dat cliënten de renteberekening niet kunnen controleren maar het voordeel is dat het middelen van de rente er toe leidt dat iedere cliënt, ook degene die geen rentedragende rekening heeft, rente ontvangt. Hij hanteert deze vergoedingsmethodiek omdat gebleken is dat die de meest effectieve is en bij de laatste periodieke controle door het Bureau Financieel Toezicht akkoord bevonden is. Die akkoordbevinding kan hij niet als bewijs overleggen omdat hij vindt dat deze niet inzichtelijk is voor [verweerster] .

3.2.2.

Wat het vereffenaarsloon betreft heeft [verweerster] hem verzocht om werkzaamheden die direct of indirect een gevolg zijn van de discussie over de renteberekening en de eindafrekening niet in het tijdschrijfschema op te nemen en niet bij de erfgenamen in rekening te brengen. In totaal zijn dat 36 minuten aan werkzaamheden van een (toegevoegd) notaris en 162 minuten aan werkzaamheden van de notarisklerk. De in de voorlopige nota aan vereffeningskosten opgenomen post “Kantoorkosten” zijn kosten van berekening en de post “Behandelaar” zijn de kosten van de werkzaamheden van de behandelaars. De administratiekosten zijn kosten voor zijn eigen werkzaamheden en behoren niet tot de kosten van de behandelaars. Volgens vaste jurisprudentie behoren de kosten van de werkzaamheden van de uitleg van de renteberekening en de eindafrekening tot de boedelkosten, aldus [verzoeker] .

3.2.3.

De aangifte van de erfbelasting heeft hij over alle (drie) erfgenamen omgeslagen. Aangezien [verweerster] hoger beroep heeft ingesteld tegen een eerdere vaststelling van zijn loon dienen de daarmee gepaard gaande kosten alleen aan [verweerster] in rekening te worden gebracht. Als hij, zoals [verweerster] stelt, de kosten van de aangifte erfbelasting alleen bij de andere twee erfgenamen in rekening mag brengen dan zou hij de proceskosten van de procedure bij het Hof Den Bosch enkel ten laste van [verweerster] moeten brengen.

3.3.

[verweerster] maakt bezwaar tegen de door [verzoeker] gehanteerde renteberekening. De nalatenschap heeft niets van doen met andere bankrekeningen waardoor er geen sprake is van verlies van rentedagen bij het overboeken van bedragen. Los daarvan mag [verzoeker] de rente niet middelen. [verzoeker] heeft het rentepercentage van 2014 weliswaar tot op de rentedag nauwkeurig berekend maar is daarbij uitgegaan van een onjuist percentage van 0,848% voor het hele jaar 2014 in plaats van het rentepercentage dat ABN AMRO per kwartaal hanteert. In het kader van het bepaalde in artikel 4 van de Regeling op het notarisambt van 11 december 2012 dient een notaris, daarbij lettend op de omvang van het bedrag en de tijdsduur dat het bedrag op de bijzondere rekening staat, een rente te berekenen die in het economisch verkeer gebruikelijk is. Nu de gelden van de onderhavige nalatenschap langdurig onder het beheer van [verzoeker] vallen dient [verzoeker] deze gelden op een hoger rentedragende rekening te storten opdat zoveel mogelijk de daadwerkelijke rente uitgekeerd wordt. Dat volgt uit de toelichting op voormeld artikel. Rekening houdende hiermee, met de door ABN AMRO gehanteerde kwartaalrentepercentages, met rente op rente en met het sedert 21 maart 2014 ongewijzigde saldo van € 125.517,51 op de nalatenschapsrekening bedraagt de minimale rente voor 2014 niet € 1.088,90 doch € 1.414,59, aldus [verweerster] .

Aangezien [verzoeker] de rente fout heeft berekend mag hij de tijd die met de rentediscussie gemoeid is niet in rekening brengen bij de erfgenamen. Het handelt ter zake om een bedrag van € 510,00 exclusief 5% kantoorkosten en 21% BTW en de maandelijkse administratiekosten in 2014 van € 18,15 inclusief BTW. Hoe hoog de administratiekosten in 2015 per maand zijn, is [verweerster] niet bekend maar zij merkt reeds op dat zij het niet correct vindt dat [verzoeker] een vast bedrag aan administratiekosten in rekening zal brengen voor de maanden die gepaard gaan met de vertraging in de afhandeling van de nalatenschap ten gevolge van deze rentediscussie.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat het verweer van [verweerster] met betrekking tot het buiten beschouwing laten van de inhoud van het schrijven met bijlage van [verzoeker] van 20 oktober 2015, omdat dit schrijven is ingediend terwijl de zaak al voor beschikking stond, wordt gepasseerd. In het kader van hoor en wederhoor is [verweerster] immers in de gelegenheid gesteld om op voormeld schrijven inhoudelijk te reageren, wat [verweerster] gemotiveerd heeft gedaan bij brief van 6 november 2015. Gelet op het vorenvermelde zal de inhoud van beide brieven en de door [verzoeker] daarbij overgelegde bijlage in de beoordeling van het onderhavige verzoek worden meegenomen.

4.2.

Het debat tussen partijen gaat over de vaststelling van het vereffenaarsloon over 2014 tot en met de datum van het indienen van het onderhavige verzoek en de door [verzoeker] voorlopig opgestelde eindafrekening.

Het gehanteerde rentepercentage

4.2.1.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten als vermeld onder 2.2. en 2.3. is de kantonrechter het met [verweerster] eens dat de rentepercentages van diverse onder het beheer van [verzoeker] vallende bankrekeningen niet gemiddeld mogen worden met het rentepercentage van de bankrekening waarop de gelden van de nalatenschap staan. Dat klemt temeer nu gesteld noch gebleken is dat die andere bankrekeningen in 2014 en 2015 iets met de onderhavige nalatenschap van doen hebben en [verzoeker] niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan hij in tot middelen bevoegd zou zijn. De notaris dient immers de daadwerkelijk over de gelden van de nalatenschap ontvangen gelden aan de erfgenamen te vergoeden op grond van artikel 4 van de Regeling op het notarisambt en de bijbehorende toelichting. De enkele stelling van [verzoeker] , die overigens niet met enig document is onderbouwd, dat het Bureau Financieel Toezicht zijn handelwijze (het middelen van de rente) heeft goedgekeurd, maakt dit niet anders. Nu [verweerster] gedocumenteerd heeft onderbouwd dat de gegenereerde rente niet € 1.088,90 maar € 1.414,59 bedraagt, dient [verzoeker] de voorlopig opgestelde eindafrekening dienovereenkomstig aan te passen. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [verzoeker] de (nog te) ontvangen rente vanaf 1 januari 2015 tot en met de definitieve eindafrekening evenmin mag middelen.

4.2.2.

In het verlengde van het hiervoor overwogene is het redelijk noch billijk dat [verzoeker] de tijd die met deze (rente)discussie is gemoeid bij de erfgenamen in rekening brengt. Dat de overige twee erfgenamen de voorlopig opgestelde eindafrekening hebben goedgekeurd maakt dit oordeel niet anders. Het voorgaande leidt er toe dat ook dit verweer van [verweerster] doel treft. Dit leidt ertoe dat het verzochte vereffenaarsloon zal worden verminderd met € 647,96 (zijnde € 510,00 aan honorarium, € 25,50 aan 5% kantoorkosten en € 112,46 aan 21% btw) waardoor € 1.955,72 resteert dat de kantonrechter als vereffenaarsloon zal vaststellen.

Administratiekosten en kantoorkosten

4.2.3.

Wat de administratiekosten betreft is de kantonrechter uit de door [verzoeker] overgelegde nota niet gebleken dat [verzoeker] daarin zowel kantoorkosten als administratiekosten heeft verdisconteerd. Gelet hierop behoeft het door partijen daarover gestelde geen verdere beoordeling. De kantonrechter merkt wel op dat zij er van uitgaat dat de administratiekosten zijn verdisconteerd in de post kantoorkosten van 5%. Overeenkomstig de Recofa-richtlijnen die het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) op vaststelling van salarissen in erfrechtzaken van toepassing heeft verklaard, behelst deze post immers ook administratiekosten.

Kosten voor aangifte aanvullende erfbelasting

4.3.

Wat de bij [verweerster] in rekening gebrachte kosten van de aanvullende aangifte erfbelasting betreft, heeft [verweerster] onweersproken gesteld dat zij [verzoeker] bij brief van 8 januari 2015 heeft laten weten dat zij de aanvullende aangifte van de erfbelasting zelf zou doen. Nu [verweerster] die dienst niet bij [verzoeker] heeft afgenomen is het niet redelijk dat [verzoeker] de daarmee gepaard gaande kosten ook over [verweerster] omslaat. Het is immers de keuze van de erfgenamen om de aangifte erfbelasting zelf of door tussenkomst van een derde te laten doen. Gelet hierop dient [verzoeker] de in rekening gebrachte € 84,00 (zijnde 36/60 van het uurtarief van € 140,00) te vermeerderen met € 4,20 aan kantoorkosten van 5% en € 18,52 aan 21% btw, in totaal derhalve € 106,72 enkel in rekening te brengen bij de andere twee erven en dit in de definitieve eindafrekening tot uitdrukking te brengen.

4.4.

De nadere vraag die [verzoeker] stelt in zijn schrijven van 20 oktober 2015 is of de kosten van het door [verweerster] ingestelde hoger beroep niet geheel aan [verweerster] in rekening gebracht moeten worden. Deze vraag dient ontkennend beantwoord te worden. Bij beschikking van 28 november 2013 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in rechtsoverweging 3.7.4. immers al overwogen dat de proceskosten van [verzoeker] ten laste van de boedel komen en vervolgens beslist dat, aangezien geen van partijen geheel in het gelijk is gesteld, deze kosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daarmee staat dit tussen partijen vast. Nu [verzoeker] deze vraag ten onrechte en na de mondelinge behandeling aan de kantonrechter heeft voorgelegd terwijl hij met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor had moeten begrijpen dat [verweerster] in de gelegenheid zou worden gesteld om daarop te reageren, heeft hij op dit punt nodeloos proceskosten aan de zijde van [verweerster] veroorzaakt. Deze kosten worden door de kantonrechter begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde van [verweerster] en dienen door [verzoeker] aan [verweerster] te worden vergoed.

4.5.

Met inachtneming van al het hiervoor overwogene dient [verzoeker] zijn voorlopige eindafrekening te herzien in die zin dat in de definitieve eindafrekening tot uitdrukking komt dat:

- de rente over 2014 € 1.414,59 bedraagt;

- het vereffenaarsloon op € 1.955,72 is vastgesteld;

- de totale kosten voor aanvullende aangifte erfbelasting van € 106,72 (inclusief kantoorkosten en btw) niet aan [verweerster] doch enkel aan de twee andere erven in rekening zijn gebracht.

4.6.

[verzoeker] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De proceskosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op in totaal € 400,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

stelt het vereffenaarsloon over 1 januari t/m 31 december 2014 en over 1 januari t/m 22 juni 2015 vast op € 1.955,72,

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerster] gerezen en begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde,

5.3.

verstaat dat [verzoeker] in de definitieve eindafrekening het onder 4.5. overwogene inzichtelijk tot uitdrukking brengt,

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.

type: TY/WE