Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10925

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
C/03/213210 / KG ZA 15/580
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffen conservatoir beslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: C/03/213210 KG ZA 15/580

Vonnis in kort geding van 22 december 2015

in de zaak van

1 de heer [eiser sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap [naam bedrijf 1]

gevestigd te Kerkrade,

3. de besloten vennootschap [naam bedrijf 2]

gevestigd te Kerkrade,

4. de besloten vennootschap [naam bedrijf 3]

gevestigd te Kerkrade,

5. de besloten vennootschap [naam bedrijf 4] ,

gevestigd te Kerkrade,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. R.J. Kramer

tegen

de besloten vennootschap [naam directeur] HOLDING B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.J.G. Bisscheroux.

Partijen zullen hierna [eisers] (eisers gezamenlijk) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 13 november 2015 met producties 1 tot en met 23

  • -

    de van de zijde van [gedaagde] overgelegde productie 24

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 23 november 2015, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht aan de hand van een pleitnota en hebben afgesproken nader overleg te zullen voeren en de behandeling zo nodig voort te zetten op 7 december 2015

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 7 december 2015, waarbij partijen hebben afgesproken nader overleg te zullen voeren en de behandeling zo nodig voort te zetten op 21 december 2015

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 21 december 2015, waar partijen in tweede termijn beide aan de hand van een pleitnota hun standpunten nader hebben toegelicht en waarbij [eisers] haar eis heeft verminderd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [eiser sub 1] (gedaagde sub 1) is directeur van gedaagden sub 2 tot en met 5 en heeft jarenlang een vriendschappelijke band gehad met de heer [naam directeur] , directeur van [gedaagde] .

2.2.

[gedaagde] heeft op verzoek van de heer [eiser sub 1] de navolgende bedragen op een door de heer [eiser sub 1] genoemde bankrekening van gedaagde sub 3 (verder te noemen BB) gestort, ten aanzien waarvan [gedaagde] en BB (eerst) op 21 september 2012 een schriftelijke overeenkomst (productie 24 sub 1) hebben opgemaakt:

-€ 100.000,00 op 12 mei 2011,

-€ 100.000,00 op 16 juni 2011,

-€ 100.000,00 op 27 maart 2012,

-€ 150.000,00 op 21 september 2014 (bedoeld zal zijn 2012),

derhalve in totaal € 450.000,00.

Blijkens de betreffende overeenkomst betroffen de betalingen leningen ten behoeve van BB en bedroeg het saldo van die leningen op het moment van het opmaken van de akte

€ 389.881,00, welk bedrag volgens artikel 4 van de akte zou worden afgelost in 48 maandelijkse termijnen van € 8.122,52 te vermeerderen met € 1.077,93 aan rente, voor het eerst te voldoen ‘op oktober 2012’.

2.3.

Ingevolge artikel 5 van de overeenkomst zijn de leningen - onder andere - direct opeisbaar indien de geldlener zijn verplichtingen jegens de geldverstrekker (waaronder genoemde aflossingsverplichting) niet stipt nakomt.

2.4.

[gedaagde] heeft daarna (wederom op verzoek van de heer [eiser sub 1] ) ook nog de navolgende bedragen op een door de heer [eiser sub 1] genoemde bankrekening van BB gestort, ten aanzien waarvan [gedaagde] en BB (eerst) op 1 mei 2013 een schriftelijke overeenkomst hebben opgemaakt:

-€ 100.000,00 op 21 februari 2013

-€ 50.000,00 op 21 maart 2013

-€ 50.000,00 op 23 april 2013

-€ 50.000,00 op 30 april 2013

-€ 50.000,00 op 2 mei 2013,

derhalve in totaal € 300.000,00.

Blijkens de betreffende overeenkomst betroffen ook deze betalingen leningen ten behoeve van BB, welke ingevolge artikel 4 van de zou worden afgelost uit de verkoop van aan BB toebehorende machines, waarbij extra aflossingen te allen tijde boetevrij zijn toegestaan.

2.5.

Ingevolge artikel 5 van de overeenkomst zijn ook deze leningen - onder andere - direct opeisbaar indien de geldlener zijn verplichtingen jegens de geldverstrekker (waaronder genoemde aflossingsverplichting) niet stipt nakomt.

2.6.

Hoewel de leningen volgens de schriftelijke overeenkomsten uitsluitend ten behoeve van BB zouden komen, mocht de heer [eiser sub 1] - zo was bij het verstrekken van de leningen afgesproken - de geleende gelden vrij aanwenden ten behoeve van de (alle) door hem bestuurde ondernemingen.

2.7.

In de loop van 2014 is BB de overeengekomen aflossingsverplichtingen niet meer nagekomen waardoor de leningen direct opeisbaar zijn geworden, waarop partijen in oktober 2014 zijn overeengekomen dat BB tijdelijk niet zou hoeven aflossen en alleen (maandelijks) de rente zou hoeven te betalen, die over het geheel aan leningen € 2.944,91 per maand bedroeg (in het exploot wordt een bedrag van € 3.944,91 genoemd, hetgeen gelet op productie 24 sub 3 een kennelijke verschrijving is). Tevens werd afgesproken dat de op dat moment achterstallige rente ten bedrage van € 21.118,48 in vier termijnen zou worden betaald. De renteverplichtingen worden vanaf dat moment door BB nagekomen, maar zij loste niet meer af op de hoofdschuld(en).

2.8.

Partijen hebben vervolgens in de periode vanaf april tot en met oktober 2015 op meer momenten nader overleg gevoerd aangaande de aflossing van de leningen, waarbij verschillende scenario’s de revue zijn gepasseerd, die echter geen van alle tot overeenstemming hebben geleid (zo is althans in deze procedure niet komen vaststaan). Wel staat vast dat de heer [eiser sub 1] in ieder geval de mogelijkheid van een eventueel faillissement van BB heeft geopperd.

2.9.

BB lijdt structureel verlies.

2.10.

Op 28 oktober 2015 heeft [gedaagde] verlof verzocht tot het leggen van conservatoir (derden)beslag ten laste van [eisers] , welk verlof door de rechter van deze rechtbank bij beschikking van 29 oktober 2015 is verleend, waarbij laatstgenoemde de vordering begroot op € 690.000,00. Het betreft derdenbeslagen onder een groot aantal debiteuren en bankrelaties van [eisers] , beslagen op roerende zaken, op een bedrijfspand en op aandelen.

3 De vordering en het geschil

3.1.

Bij exploot vorderde [eisers] :

  1. de opheffing van alle krachtens genoemde beschikking van 29 oktober 2015 gelegde beslagen op te heffen,

  2. [gedaagde] te verbieden die beslagen nogmaals te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt,

  3. [gedaagde] te gebieden dit vonnis binnen 24 uur bij het kadaster te doen inschrijven, zulks ter doorhaling van het beslag op de onroerende zaak aan de [adres] (een bedrijfspand van [eisers] ), onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 per dag,

  4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 677,60 ter zake van bankkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 november 2015 tot aan de dag van voldoening,

  5. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten met rente.

Ter zitting van 21 december 2015 heeft [eisers] haar eis ten aanzien van eisers sub 1, 4 en 5 verminderd tot het in het petitum onder 2 en verder gevorderde. Met andere woorden, eisers sub 2 en 3 vorderen niet meer het onder 1 van het petitum gevorderde (zulks naar aanleiding van de gedeeltelijke opheffing van de beslagen op 7 december 2015).

3.2.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak.

4.2.

Vooropgesteld zij, dat op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv een conservatoir beslag dient te worden opgeheven indien - voor zover relevant - summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Dit betekent dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing van het beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het beslag onnodig is, of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

4.3.

Van ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht is - gelet op de hierboven genoemde vaststaande feiten - niet gebleken. De in oktober 2014 gemaakte afspraak om vanaf dat moment alleen nog rente te betalen en geen aflossingen meer te doen op de hoofdsom, is een afspraak die naar haar aard niet anders kan worden uitgelegd dan als een tijdelijke afspraak, die niet kan afdoen aan de overeengekomen onmiddellijke opeisbaarheid van de (restant) leningen. Dat die afspraak zou duren ‘zo lang geen nieuwe of andersluidende afspraken tot stand waren gekomen’, zoals [eisers] onder 13 van het exploot aanvoert, kan niet worden gevolgd, nu zulks zou betekenen dat [eisers] de verplichting (van BB) om af te lossen op de hoofdsom voor onbepaalde tijd zou kunnen dwarsbomen door simpelweg nooit meer een nieuwe of andersluidende afspraak te maken, hetgeen - uiteraard - niet de bedoeling kan zijn.

4.4.

Voorts staat onweersproken vast dat eisers sub 2 tot en met 5 allemaal onder de feitelijke leiding staan van de heer [eiser sub 1] en qua organisatie, administratie en financiering nauw met elkaar verweven zijn, alsmede dat tussen de verschillende vennootschappen van [eisers] met activa kan worden en wordt geschoven. Dat het leggen van beslag onder alle eisers (in plaats van alleen onder BB, die immers formeel de enige leningnemer is) onnodig zou zijn, is - gelet op deze omstandigheden - niet gebleken.

4.5.

Ook een belangenafweging kan [eisers] niet baten; het belang van [eisers] , dat door de gelegde beslagen in de uitvoering van haar bedrijfspraktijk(en) bemoeilijkt wordt, weegt niet op tegen het belang van [gedaagde] om verhaal veilig te stellen middels de onderhavige beslagen. [eisers] heeft inmiddels al meer dan een jaar niet meer op de hoofdsom heeft afgelost, terwijl - gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting - er een reëel risico is dat BB op een faillissement afstevent en gesteld noch gebleken is dat [eisers] op andere wijze zekerheid voor verhaal kan bieden (anders dan de door de heer [eiser sub 1] uitgesproken intentie om [gedaagde] ‘niet te laten stikken’).

4.6.

Gelet op het bovenstaande zal de gevorderde voorziening worden afgewezen.

4.7.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op

€ 1.429,00, bestaande uit € 816,00 aan salaris gemachtigde en € 613,00 aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de gevorderde voorziening af,

5.2.

veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.429,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

RK