Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10864

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
C/03/192831 / HA ZA 14-354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaak heeft betrekking op een op 17 november 2011 gesloten vaststelllingsovereenkomst. Gedaagden hebben primair gesteld dat deze tot stand is gekomen op basis van bedreiging althans misbruik van omstandigheden en stellen subsidiair dat eiseres niet inningsbevoegd zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat beide situaties zich niet voordoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2706
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/192831 / HA ZA 14-354

Vonnis van 23 december 2015

in de zaak van

de vennootschap naar Luxemburgs recht

TRT INVESTMENTS S.A.,

gevestigd te 50 Route d`Esch, Boite postale 864, Luxemburg

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.M. Scholtes,

tegen

1 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEVE PLUIMVEEBEDRIJF B.V.,

gevestigd te Gemert,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

advocaat mr. drs. H.T. Verhaar.

Partijen zullen hierna TRT respectievelijk [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en Deve (gezamenlijk: [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

8. het tussenvonnis van 15 juli 2015, de daarin genoemde procestukken 1 tot en met 7 en het herstelvonnis van 22 juli 2015;

9. de akte na tussenvonnis met 2 producties van TRT;

10. de antwoordakte na tussenvonnis;

11. de rolbeslissing van 4 november 2015.

Indien hierna naar de processtukken wordt verwezen wordt deze nummering aangehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank zal gelet op het tussenvonnis van 15 juli 2015 allereerst stilstaan bij de vraag, of TRT is geslaagd in het opgedragen bewijs.

2.1.1.

TRT heeft daartoe bij processtuk 9 onder meer ingediend een e-mail van

7 september 2015 van de raadsman van [naam pandhouder 1] en [naam pandhouder 2] (hierna: [naam pandhouders] ) en een onderhandse akte van 2 september 2015 genaamd “Bevestiging van de overdracht van een vordering”.

2.1.2.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] heeft daarop gereageerd door (in processtuk 10 onder 2.3) te betogen dat de bij akte na tussenvonnis van TRT ingediende stukken niet zien op de afspraken die door TRT moeten worden bewezen en, voor zover dat wel het geval is, er geen sprake is van een rechtsgeldige cessie aan TRT van de vordering van [naam pandhouders] op VBOG, als gevolg waarvan TRT geen inningsbevoegdheid heeft verkregen aangezien zij pandhouder [naam pandhouders] voor zich moet dulden.

2.2.

Stelling van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] is, zo begrijpt de rechtbank, dat TRT de pandhouders [naam pandhouders] voor zich moet dulden en zelf op grond van artikel 3:246 lid 1 BW niet (meer) inningsbevoegd is, waarbij [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] verwijst naar de “Akte tot verpanding van een vordering” van 30 september 2009. Daarin is (blijkens lid c van de considerans) de vordering die VBOG toen had op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en de met deze verbonden vennootschappen verpand aan [naam pandhouders] , dit tot zekerheid voor de terugbetaling van een door [naam pandhouders] aan VBOG verstrekte lening. Van deze verpanding is volgens [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] aan hen mededeling gedaan.

2.2.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Juist is dat ingevolge artikel 3:246 lid 1 BW bij een meegedeeld pandrecht de pandhouder met uitsluiting van de pandgever inningsbevoegd is. Daarop maakt lid 4 van dat artikel echter een uitzondering in het geval van de pandgever die beschikt over toestemming tot inning van de pandhouder. Uit de hierboven onder 2.1.1. genoemde onderhandse akte van 2 september 2015 blijkt dat [naam pandhouders] volgens artikel 3 die toestemming verleend hebben, zodat TRT voor inningsbevoegd moet worden gehouden.

Beantwoording van de door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] tevens opgeworpen vraag, of er sprake is van een rechtsgeldige cessie aan TRT van de vordering van [naam pandhouders] op VBOG in die onderhandse akte is gelet op het voorgaande niet meer relevant. Immers, zo die overdracht niet rechtsgeldig zou zijn dan is [naam pandhouders] pandhouder gebleven en beschikt TRT -als gezegd- over toestemming tot inning van pandhouder [naam pandhouders] ; zo die overdracht wel rechtsgeldig is, is de vordering van [naam pandhouders] op VBOG met het daaraan verbonden pandrecht overgedragen aan TRT en is [naam pandhouders] niet langer pandhouder.

Conclusie van het voorgaande is dat TRT in het bewijs is geslaagd en het subsidiaire verweer van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] geen doel treft.

2.3.

Vervolgens wordt toegekomen aan het primaire verweer van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] .

De rechtbank stelt allereerst vast dat het bij de Overeenkomst gaat om een vaststellingsovereenkomst in de zin van titel 15 van Boek 7 BW. Zulks is tussen partijen ook niet in geschil. Bij een dergelijke vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken, aldus artikel 7:900 lid 1 BW.

2.4.

Bij brief van 27 mei 2014 heeft [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] (en de al genoemde ontbonden vennootschap [naam 1] Landbouw B.V.) de buitengerechtelijke vernietiging van de Overeenkomst ingeroepen, daartoe stellend dat deze tot stand is gekomen onder invloed van bedreiging althans misbruik van omstandigheden. Die zou erin hebben bestaan dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in 2011 bevreesd waren dat TRT en/of [naam 2] en/of [naam 3] zouden proberen vorderingen van derden op [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] te verkrijgen om aldus de boerderij van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in de VS te kunnen opkopen. Om dat uit te sluiten is volgens [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in de Overeenkomst artikel 8 lid 3 opgenomen, dat luidt als volgt:

"TRT, noch de heer [naam 3] of enige aan hem gelieerde vennootschap, noch VHDD, WKDF, Vrebamelkvee, VBOG, noch enige andere van [naam 2] -vennootschap, noch [naam 2] of enige andere van [naam 2] -natuurlijke persoon zal zich in dat verband op enigerlei wijze middellijk of onmiddellijk, direct of indirect, bezondigen aan de verkrijging van enige vordering van een derde op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , VDD, HVDL, Deve of enige andere door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] gecontroleerde vennootschap, dan wel het tot zekerheid van een dergelijke vordering verbonden onroerend goed. Een en ander ziet uitdrukkelijk, doch niet uitsluitend, op het bij partijen bekende rundveebedrijf van de familie [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in Ohio, USA. Zulks geldt op straffe van verval van elk uit dien hoofde verkregen en jegens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , VDD, HVDL, Deve of enige andere door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] gecontroleerde vennootschap uit te oefenen recht. In verband met het bepaalde in dit artikellid ondertekent de heer [naam 3] voornoemd deze overeenkomst ten bewijze van zijn instemming en gebondenheid mee."

2.5.

In een brief van 26 mei 2014 heeft de echtgenote van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] de buitengerechtelijke vernietiging ingeroepen van -onder meer- de Overeenkomst op grond van artikel 1:88 lid 1 sub a BW.

2.6.

Mede gelet op het verweer van TRT oordeelt de rechtbank dat het beroep van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] van 27 mei 2014 op vernietiging van de Overeenkomst wegens bedreiging of misbruik van omstandigheden geen doel treft. Daartoe wordt overwogen als volgt.

2.6.1.

De nakende totstandkoming van de Overeenkomst in juli/augustus 2011 was voor [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] aanleiding om op 3 augustus 2011 het door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] tegen TRT aangespannen kort geding (procedurenr. 110094 / KG ZA 11-150), gericht tegen de door TRT ingezette executie, in te trekken.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] heeft de uit de Overeenkomst voortvloeiende betaling van de eerste termijn van € 1.000.000,-- (van als gezegd in totaal twee termijnen van elk € 1.000.000,--) voldaan.

In het kader van een volgende kort geding procedure bij deze rechtbank, wederom gericht tegen de executie, in september 2012 (procedurenr. 118261 KG ZA 12-179), derhalve een jaar na het sluiten van de Overeenkomst, heeft [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] klaarblijkelijk de geldigheid van de Overeenkomst evenmin betwist.

Eerst bij brief van 27 mei 2014 (derhalve bijna drie jaar na het sluiten van de Overeenkomst) beroept [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] zich op vernietiging daarvan wegens bedreiging c.q. misbruik van omstandigheden.

2.6.2.

Deze handelwijze, die zelfs tot lang na het tot stand komen van de Overeenkomst blijk geeft van instemming met de Overeenkomst, gevolgd door de betwisting van de geldigheid daarvan drie jaar na de totstandkoming, valt naar het oordeel van de rechtbank moeilijk te rijmen, waarmee op voorhand enige twijfel rijst over de vraag of inderdaad bij het tot stand komen van de Overeenkomst in 2011 sprake is geweest van bedreiging c.q. misbruik van omstandigheden. Wanneer vervolgens daarbij in aanmerking wordt genomen dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , die hebben te gelden als professionele partijen, zich bij de uitwerking en schriftelijke nederlegging van de Overeenkomst hebben laten bijstaan door twee advocaten (mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. H. van Oijen) en tenminste één fiscaal/financieel adviseur ( [naam fiscaal adviseur] van Geerts & Van Spijk BV fiscaal en financieel advies), acht de rechtbank de stelling dat de Overeenkomst tot stand is gekomen door bedreiging en/of misbruik van omstandigheden onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank wil bij dit alles wel aannemen dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] mogelijk in een financieel lastige positie verkeerde maar dat impliceert op zich zelf nog niet dat er sprake is geweest van een wilsgebrek. Dat de advocaten -aldus [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] - hebben geadviseerd de Overeenkomst niet te tekenen, maar [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] dat toch hebben gedaan, kan evenmin leiden tot die conclusie.

2.6.3.

Nu niet is komen vast te staan dat er sprake was van een wilsgebrek, is er deswege geen grond voor vernietiging van de Overeenkomst en treft de door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in de brief van 27 mei 2014 ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging geen doel.

2.7.

Vervolgens dient te worden stilgestaan bij de vraag of de vernietiging van -onder meer- de Overeenkomst door de echtgenote van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in de brief van 26 mei 2014 ex artikel 1:88 jo. 1:89 BW doel heeft getroffen, welke vernietiging, zo is door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in processtuk 3 onder 3.13 gesteld, betekenis heeft voor zover de procedure is gericht tegen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in privé. Die vernietiging heeft betrekking op het bepaalde in artikel 1.2 van de Overeenkomst (op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub c BW) en op artikel 3.4 van de Overeenkomst (op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub a BW), zo is in die brief gesteld.

2.7.1.

De rechtbank stelt vast dat de partijen bij de overeenkomst (waaronder derhalve [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in privé en Deve) in artikel 1, leden 1 en 2, verklaren dat de schuld van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , HVDL en Deve uit hoofde van de Leningen € 2.000.000,-- bedraagt, en dat zij erkennen dat zij dat bedrag hoofdelijk zijn verschuldigd aan TRT. Daarmee is het aldus een eigen schuld van (ook) [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ; de Overeenkomst ziet dan ook niet specifiek op het ontstaan van hoofdelijk medeschuldenaarschap, laat staan op borgstelling. Artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub c BW mist dan ook toepassing, zodat de door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] deswege ingeroepen vernietiging geen doel treft.

2.7.2.

Het beroep op vernietiging voor zover gegrond op artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub a BW treft evenmin doel.

Door TRT is gesteld (processtuk 5 onder 2.2.7) dat de woning waarin [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] woont geen echtelijke woning is, omdat de echtgenote van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , die gescheiden van hem leefde, die woning nooit als eigen woon-of verblijfplaats heeft benut.

Daarop heeft [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] gesteld (processtuk 3 onder 5.8) dat de echtgenote ( [naam echtgenote] ) weliswaar aan de [adres 1] woont, maar dat het zou gaan om het erf bij [adres 2] (nr. 3 in de hypotheekakte van 11 september 2007). Dat erf behoort volgens [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] (processtuk 6 onder 4.27) tot het tweede woonmilieu van de echtgenote, nu zij daar kwam en geregeld komt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het verweer van TRT, [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] daarmee beslist onvoldoende heeft onderbouwd dat het bij bedoeld erf gaat om een zaak als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub a BW.

2.8.

De overige weren van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] gericht tegen de geldigheid van de Overeenkomst treffen evenmin doel. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] is daarbij op uitputtende gronden ingegaan op al hetgeen is voorafgegaan aan de Overeenkomst, waarbij -onder meer- is gewezen op de vermeend slechte reputatie van [naam 2] , VBOG en Vreba-Hoff, op een aantal rechtshandelingen uit 2007 waarvan alsnog de vernietiging is ingeroepen, op een eerdere vaststellingsovereenkomst d.d. 22 augustus 2009 en op de rechtsgeldigheid van de cessie van de vordering van VBOG op [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] (via Vrebamelkvee) aan TRT. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de Overeenkomst zonneklaar dat partijen hebben beoogd een allesomvattende en definitieve regeling te treffen en schoon schip te maken, hetgeen onder meer blijkt uit de considerans en uit de bepaling dat partijen na betaling van

€ 2.000.000,-- elkaar finale kwijting verlenen (artikel 8 lid 1), dat zij voorgoed afscheid van elkaar nemen en in de toekomst niet meer met elkaar te maken wensen te krijgen (artikel 8 lid 2) en dat zij uitdrukkelijk afstand doen van hun rechten om vernietiging en/of ontbinding van de Overeenkomst te vorderen (artikel 9 lid 10). De door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] kennelijk alsnog gewenste integrale toetsing van al de aan de Overeenkomst voorafgegane (al dan niet rechtsgeldige) rechtshandelingen is dan ook niet aan de orde.

2.9.

Gelet op het vorenoverwogene zal het in conventie onder 1. gevorderde worden toegewezen. Als in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] worden veroordeeld in de proceskosten van TRT in conventie, waaronder de beslagkosten. De kosten aan de zijde van TRT worden tot op heden begroot op € 15.828,68 (griffierecht € 3.829,--; salaris advocaat € 11.238,50 (3,5 punten x tarief VIII); explootkosten € 761,18, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

2.9.1.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

2.10.

Gelet op hetgeen is overwogen en beslist in conventie liggen de vorderingen in reconventie alle aanstonds voor afwijzing gereed. Als in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] worden veroordeeld in de proceskosten van TRT in reconventie. De kosten aan de zijde van TRT worden tot op heden begroot op € 3.211,-- (salaris advocaat 0,5 x 2 punten x tarief VIII), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

2.10.1.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hoofdelijk, des dat de een betale de ander zal zijn gekweten, om aan TRT te voldoen het bedrag van € 1.000.000,--, te vermeerderen met de contractuele rente van 5 % per jaar te rekenen vanaf 1 september 2011 tot 1 januari 2012 en te vermeerderen met de contractuele rente van 10 % per jaar te rekenen vanaf 1 januari 2012 tot de dag van algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in de proceskosten, aan de zijde van TRT tot op heden begroot op € 15.828,68, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- indien [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, (eventueel) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van voornoemde termijn;

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

3.5.

wijst af de vorderingen van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ;

3.6.

veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in de proceskosten, aan de zijde van TRT tot op heden begroot op € 3.211,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.7.

veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- indien [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, (eventueel) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van voornoemde termijn;

3.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.1

1 HJMD