Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10520

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
C/03/208295 / HA ZA 15-387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Nederlandse rechter. Beroep op artikel 9 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (forum necessitatis).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/72.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/208295 / HA ZA 15-387

Vonnis in incident van 9 december 2015

in de zaak van

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.M.H.E.G. Lemmens,

tegen

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. K.G.J. Verbong.

Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Partijen, die beiden de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn op [huwelijksdatum] in Meerssen gehuwd. Het huwelijk is ontbonden op [datum] doordat op die dag de tussen partijen door deze rechtbank gewezen echtscheidingsbeschikking van 23 april 2014 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend op 10 december 2012.

2.2.

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het bepaalde in het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlands recht. Op verzoek van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft de rechtbank partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun (huwelijksgoederen)gemeenschap.

3 Het geschil in de hoofdzaak en het incident

3.1.

In de hoofdzaak vordert [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] - samengevat - dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] van € 3.242,04, zulks uit hoofde van overbedeling en uitgaande van een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op de door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] voorgestane wijze.

3.2.

In het incident vordert [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] stelt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen zoals door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] tegen hem ingesteld, aangezien hij niet woonachtig is in Nederland maar in Oostenrijk.

4.2.

Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat de vraag naar de rechtsmacht in het onderhavige geval niet wordt beheerst door een verdrag of verordening. De voorliggende kwestie dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de relevante bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

In reactie op het standpunt van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] allereerst een beroep gedaan op artikel 4 lid 3 Rv. Dit beroep gaat niet op. Dit artikel creëert onder omstandigheden rechtsmacht ten aanzien van nevenverzoeken in het kader van een echtscheidingsprocedure. De echtscheidingsprocedure is echter al geëindigd en de onderhavige procedure is er (dus) niet een in dat kader.

4.4.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft verder aangevoerd dat het geschil in alle opzichten is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer en gesteld dat zij niet over de financiële middelen beschikt om zich in Oostenrijk van rechtsbijstand te voorzien, wat het voor haar onmogelijk zou maken om - ingeval de Nederlandse rechter zich onbevoegd zou verklaren - de verdelingskwestie af te wikkelen.

Met haar betoog doet [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] kennelijk een beroep op het bepaalde in artikel 9 onder c Rv. Zij wordt in dat betoog niet gevolgd. De rechtbank is het weliswaar met [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] eens dat de zaak met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden, maar dat is niet voldoende voor een geslaagd beroep op deze bepaling. Daartoe is tevens vereist dat het onaanvaardbaar is om van de eiser (hier: [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ) te vergen dat deze de zaak voorlegt aan de rechter van een andere staat. Nog los van het feit dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] haar standpunt over haar financiële (on)mogelijkheden niet verder heeft onderbouwd, heeft te gelden dat de (hogere) kosten van een procedure voor een rechter van een andere staat geen reden kunnen vormen voor de toepassing van de uitzonderingsregel van artikel 9 onder c Rv. In dit kader benadrukt de rechtbank dat de rechter, juist vanwege het uitzonderingskarakter van deze bepaling, terughoudendheid moet betrachten bij de toepassing ervan.

4.5.

Aangezien de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ook niet op een andere bepaling kan worden gegrond, is de slotsom dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren.

4.6.

Omdat de procedure is gevoerd tussen ex-echtelieden en de financiële afwikkeling van hun huwelijk tot onderwerp had, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

in het incident en de hoofdzaak

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.1

1 type: BdB coll: