Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10518

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
03/721947-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Shaken Baby Syndroom: bijzondere omstandigheden in de persoon van verdachte: gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/721947-13

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S. Mestrini, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 8 juli 2015 en 1 december 2015. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zijn 10 weken oude dochtertje, [slachtoffer] meermalen hard door elkaar heeft geschud.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat bewezen is dat de baby ernstig hersenletsel heeft opgelopen en dat dit te wijten is het aan het onvoorzichtige gedrag van de verdachte (meest subsidiair tenlastegelegd). Niet bewezen vindt hij dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood (primair ten laste gelegd) of op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel (meer) subsidiair) aan zijn dochtertje. De officier van justitie gaat daarbij uit van de verklaring van de verdachte dat hij in paniek is geraakt toen hij meende dat zijn dochter niet meer ademde en blauw aanliep.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens aangevoerd dat er geen bewijs is voor opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] of op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Volgens de raadsvrouw wilde de verdachte haar alleen maar helpen, omdat zij naar adem hapte en blauw aanliep. De raadsvrouw bepleit de verdachte vrij te spreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. De verdachte dient naar het oordeel van de raadsvrouw echter ook te worden vrijgesproken van het meest subsidiair tenlastegelegde feit, nu er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het begrip schuld hier niet van toepassing is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zeer beperkt is in zijn oordeelsvorming en beperkte copingvaardigheden heeft en tegen de afspraken in alleen is gelaten met zijn twee maanden oude dochter. Toen hij dacht dat zij in nood verkeerde wilde hij haar helpen. Onder die omstandigheden kan onmogelijk worden geoordeeld dat het letsel is veroorzaakt door grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Op 17 oktober 2012 heeft [naam teamleider Raad voor de Kinderbescherming] , teamleider van de Raad van Kinderbescherming, namens [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2012, aangifte gedaan van mishandeling. [slachtoffer] werd in het Atriumziekenhuis in Heerlen opgenomen met bloedingen in de hersenen/het hoofd. Zij is op 20 augustus 2012 overgeplaatst naar het AZM in Maastricht. Uit medisch onderzoek rees het vermoeden dat er bij [slachtoffer] sprake was van het “Shaken Baby Syndroom”. Daarbij is de verdenking ontstaan dat dit het gevolg is van het handelen door de vader, [verdachte] .2

Uit de zorgmelding van Radar blijkt dat verdachte met zijn toenmalige partner en hun twee kinderen intensieve begeleiding van Radar ontvingen vanuit het project ‘ouder-kind’ bestemd voor verstandelijk beperkte ouders met kinderen tot 3 jaar. Vanaf het begin is er aandacht geweest voor de rol van verdachte. Omdat hij snel overvraagd wordt of spanningen ervaart, was de afspraak dat hij niet alleen zou zijn met de kinderen.3

Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 augustus 2012 tegen de afspraak in alleen was met [slachtoffer] . Nadat hij haar in bed had gelegd, huilde zij. Plotseling hoorde hij niets meer en is hij gaan kijken. Hij zag dat ze naar lucht hapte en blauw aanliep. Hij heeft haar met twee handen gepakt, onder de armpjes en de nek en hard door elkaar geschud om haar weer aan het ademen te krijgen. Het hoofdje rammelde toen ook mee. In de woonkamer heeft hij haar nog een keer gerammeld en toen kwam ze bij. Daarna heeft hij de begeleiding gebeld en gezegd dat hij had gerammeld. Hij heeft haar per ongeluk pijn gedaan. Hij wilde alleen maar helpen.4

Uit medische informatie van de Centrale Huisartsenpost Nightcare te Heerlen volgt dat [slachtoffer] op 19 augustus 2012 om 21:20 uur is binnengebracht en dat zij een zieke indruk maakte en bleek was. Zij wordt dan verwezen naar SEH Kindergeneeskunde.5 Daar wordt [slachtoffer] in de nacht van 20 augustus 2012 opgenomen. Er wordt een hangerig, ziek, bleek gemarmerd kind gezien met een hoog huiltje. Er is sprake van een verhoogde intracraniële druk, epileptiform, dreigende inklemming en intracerebrale bloeding. De waarschijnlijkheidsdiagnose betrof cortexprikkeling met als gevolg een insult op basis van een subduraal hematoom.6

Uit medische informatie van de kinderneuroloog verbonden aan het AZM volgt dat [slachtoffer] werd overgenomen vanuit het ziekenhuis in Heerlen. Op basis van de onderzoeksbevindingen leek er meest waarschijnlijk sprake te zijn van een non-accidental head injury met als gevolg daarvan beiderzijds subdurale hematomen en ischemie in het doorstroomgebied van de arteria cerebri posterior en media rechts, hydrocephalus, waarvoor een drain werd geplaatst, en epilepsie.7

Door forensisch arts KNMG, W. Karst, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is medisch forensisch onderzoek verricht naar de inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken afkomstig van de reguliere gezondheidszorg. Uit zijn rapport volgt dat [slachtoffer] , een meisje met dwerggroei, op de leeftijd van 2,5 maanden is opgenomen in het ziekenhuis in verband met ademhalingsproblemen, een bewustzijnsvermindering en mogelijk slapte. In het ziekenhuis werden hersenletsel en epileptische activiteit, bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies en netvliesbloedingen in de ogen geconstateerd. De bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies vormen een aanwijzing voor het ontstaansmechanisme van de hersenstoornissen en het hersenweefselversterf. De conclusie die Karst in het rapport trekt is dat de combinatie van de bevindingen een niet-accidentele toedracht zeer veel waarschijnlijker doet zijn dan een accidentele toedracht of een gevolg van een medische aandoening. De niet-accidentele toedracht betreft een heftig schudincident, forse impact, of de combinatie van beide. Op basis van studies naar lange termijn effecten blijkt dat het grootste deel van deze kinderen enkele maanden tot enkele jaren na niet-accidenteel trauma op jonge kinderleeftijd in meer of mindere mate een ontwikkelingsstoornis (cognitief, motorisch en/of emotioneel) heeft. Gezien het geconstateerde hersenweefselversterf is een bijdrage van het (veronderstelde) traumatisch hersenletsel aan ontwikkelingsachterstanden aannemelijk. Hoe groot de bijdrage is aan huidige of toekomstige achterstanden, is echter niet te bepalen.8

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er geen bewijs is voor opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en – gelet op de verklaring van verdachte en zijn gebrekkige copingvaardigheden – ook niet in voorwaardelijke zin. Er is dan ook geen bewijs voor poging tot doodslag of (zware) mishandeling. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan de verklaring van verdachte te twijfelen, dat hij haar in paniek hard twee maal heen en weer heeft geschud. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank oordeelt dat is bewezen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door meermalen zo hard [slachtoffer] te schudden, dat zij daardoor hersenletsel heeft opgelopen. De rechtbank neemt in overweging dat de verdachte, ondanks zijn verstandelijke beperking en de panieksituatie waarin hij verkeerde, moet hebben geweten dat voorzichtig met een jonge baby moet worden omgegaan en dat het hoofdje te alle tijden ondersteund moet worden. Want hij wist dat hij hulp kon inroepen van de begeleiders, niet alleen gelaten mocht worden met [slachtoffer] en dat hij in stressvolle situaties niet goed weet hoe te handelen. In zijn paniek heeft hij [slachtoffer] tegen beter weten in toch hard heen en weer geschud en dat handelen heeft hersenletsel bij [slachtoffer] veroorzaakt. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat dit letsel aan zijn schuld te wijten is.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

(meest subsidiair)

omstreeks 18 augustus 2012 in de gemeente Kerkrade zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] geboren op [geboortedag] 2012 zwaar lichamelijk letsel, te weten: ernstig hersenletsel heeft bekomen, bestaande dat onvoorzichtig gedrag daaruit dat de verdachte toen en daar [slachtoffer] meermalen heeft vastgepakt en vervolgens hard/hevig door elkaar heeft geschud waardoor het hoofd van [slachtoffer] heen en weer ging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

In het pro Justitia rapport d.d. 26 april 2015 staat beschreven dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van zwakke cognitieve vermogens (een licht verstandelijke beperking) en een forse achterstand in de emotionele ontwikkeling, die daar niet los van kan worden gezien. De ego-ontwikkeling bevindt zich in een primitief stadium, waarvan impulsiviteit, egocentrisme en afhankelijkheid belangrijke kenmerken zijn. Kenmerkend zijn ook de problemen die de verdachte heeft met betrekking tot het reguleren van spanningen en emoties.

De gebrekkige ontwikkeling en de daarmee samenhangende gebrekkige copingvaardigheden beïnvloedden de gedragskeuzes van de verdachte en de gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde voor een belangrijk deel daaruit verklaard kan worden.

De verdachte verkeerde ten tijde van het tenlastegelegde in een situatie waarvan bekend was dat deze zijn draagvermogen te boven ging, maar waar hij niettemin in terecht was gekomen door het wegvallen van de gebruikelijke steun. De verdachte zag zich alleen gesteld voor een situatie die veel stress induceerde en die naar zijn oordeel vroeg om direct handelen. Bekend was dat de verdachte niet was opgewassen tegen een dergelijke situatie en dat hij door zijn begeleiders hiervoor reeds in bescherming was genomen door hem in de opvoeding slechts beperkte, afgebakende taken toe te kennen.

Op grond hiervan wordt door de onderzoeker geadviseerd de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde te beschouwen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is de conclusie van de deskundige goed gemotiveerd en goed te volgen. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. De rechtbank neemt derhalve de conclusie van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden gevorderd, echter deze straf geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat de verdachte deelneemt aan een training die gericht is op het vergroten van zijn vaardigheden met betrekking tot het omgaan met stress, frustraties en boosheid.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit bij het bepalen van de omvang van de straf rekening te houden met de feiten dat het handelen door de verdachte aan hem in sterk verminderde mate kan worden toegerekend, dat de verdachte veel spijt heeft van zijn handelen en dat hij heeft gehandeld vanuit een emotionele toestand. Zij heeft verzocht aansluiting te zoeken bij het omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport, waarin wordt geadviseerd een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De raadsvrouw heeft tevens een beroep gedaan op overschrijding van de termijn binnen welke de verdachte in redelijkheid recht heeft op berechting.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn twee maanden oude dochter hard geschud. Jonge baby’s zijn uiterst kwetsbaar en geheel aangewezen op de goede zorgen van hun ouders. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte, samen met zijn partner en hun twee kinderen genaamd [naam] en [slachtoffer] , verbleven in het trainingshuis Ouder&Kind van de stichting Radar. De afspraak was dat de verdachte niet alleen met baby [slachtoffer] mocht zijn. [slachtoffer] was een kenmerkende huilbaby en de begeleiders waren bang dat de verdachte in een stressvolle situatie in paniek zou raken en dan verkeerde keuzes zou maken. Op 19 augustus 2012 werd de verdachte door zijn partner toch met [slachtoffer] alleen gelaten. [slachtoffer] huilde en moest in bed gelegd worden. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] plots stopte met huilen, dat toen hij ging kijken, hij zag dat zij naar adem hapte en blauw aanliep en dat hij niet wist hoe hij moet reanimeren en daarom haar heeft vastgepakt en tot twee keer toe hard heen en weer geschud. Het moge zo zijn dat de verdachte uit onmacht aldus heeft gehandeld; dat neemt niet weg dat bij het ouderschap hoort dat men zich te allen tijde onthoudt van zodanig handelen dat aan het kind lichamelijke of geestelijke schade kan worden berokkend. Hoewel de volledige omvang van het door dit incident ontstane hersenletsel nog niet geheel vast staat, volgt uit hetgeen W.A. Karst, forensisch arts, ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, dat in het algemeen kan worden verwacht dat op de lange termijn dit letsel een ontwikkelingsstoornis op cognitief, motorisch en/of emotioneel vlak oplevert. Aangezien de aangeboren afwijking van [slachtoffer] (dwerggroei) ook tot een lager ontwikkelingsniveau leidt, is niet vast te stellen in welke mate de gevolgen van het toegebrachte hersenletsel zullen doorwerken.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de onder 5 besproken Pro Justitia rapportage d.d. 26 april 2015, waarin de deskundige adviseert verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 9 juni 2015 en het schrijven door de stichting Radar van april 2015, waaruit volgt dat verdachte nu in een woonvorm van deze stichting verblijft met 24-uurs begeleiding. De relatie met zijn partner is beëindigd en zijn kinderen wonen niet bij hem, maar hij bezoekt ze wel regelmatig in de pleeggezinnen waar zij inmiddels verblijven. Door de reclassering wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten een meldplicht en verplichte deelname aan een training gericht op het vergroten van zijn vaardigheden met betrekking tot het omgaan met stress, frustraties en boosheid.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn (het feit is meer dan drie jaar geleden gepleegd).

De rechtbank acht, conform de eis van de officier van justitie, een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde dat de verdachte een training moet volgen, een passende straf.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 308 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het meest subsidiair tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat meest subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals dat hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter alsnog de tenuitvoerlegging daarvan mocht gelasten, omdat voor het einde van de proeftijd, welke wordt gesteld op een termijn van twee jaren, de veroordeelde enige van de navolgende, door de wet respectievelijk door de rechtbank gestelde voorwaarden niet heeft nageleefd:

  • -

    zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

  • -

    medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    een training volgen, gericht op het vergroten van zijn vaardigheden met betrekking tot het omgaan met stress, frustraties en boosheid bij een daarvoor aangewezen instelling en/of naar inzicht van de toezichthouder (ook als dit inhoudt een ART, COVA+ of training van Radar).

Toezicht en begeleiding

- geeft aan de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. M.T.A.C. Russel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2015.

Buiten staat

Mr. F.M. van Maanen Winters en mr. M.T.A.C. Russel zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 augustus 2012 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een baby genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedag] 2012) van het leven te beroven, met dat opzet die baby [slachtoffer] (meermalen) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) hard/hevig (door elkaar) heeft geschud/gerammeld (waardoor het hoofd van die baby [slachtoffer] heen weer ging/ook mee rammelde), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2012 in de gemeente Kerkrade aan een persoon genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedag] 2012), zijnde het kind van verdachte, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: bloeduitstortingen bij de hersenen althans ernstig hersenletsel en/of netvliesbloedingen (retinabloedingen), heeft toegebracht, door deze (meermalen) opzettelijk vast te pakken en/of (vervolgens) hard/hevig (door elkaar) te schudden/rammelen (waardoor het hoofd van die baby [slachtoffer] heen en weer ging/ook mee rammelde);

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2012 in de gemeente Kerkrade opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 2012), (meermalen) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) hard/hevig (door elkaar) heeft geschud/gerammeld (waardoor het hoofd van die [slachtoffer] een of meermalen heen en weer ging/ook mee rammelde),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2012 in de gemeente Kerkrade zich zeer, althans aanmerkelijk, in elk geval zodanig onvoorzichtig/onoordeelkundig/onachtzaam/onoplettend heeft gedragen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 2012) zwaar lichamelijk letsel, te weten bloeduitstortingen bij de hersenen althans ernstig hersenletsel en/of netvliesbloedingen (retinabloedingen), heeft bekomen, bestaande dat onvoorzichtig/onoordeelkundig/onachtzaam/onoplettend gedrag van verdachte daaruit dat verdachte toen en daar die [slachtoffer] (meermalen) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) hard/hevig (door elkaar) heeft geschud/gerammeld (waardoor het hoofd van die [slachtoffer] heen en weer ging/mee rammelde).

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal van de regiopolitie Limburg, districtsrecherche Parkstad, proces-verbaalnummer 2012119188, gesloten d.d. 1 mei 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 544.

2 Het proces-verbaal aangifte van [naam teamleider Raad voor de Kinderbescherming] , pagina 25-26.

3 Het geschrift, inhoudende onderbouwing van zorgmelding door Radar, pagina 28-31.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 79-81.

5 Het geschrift, inhoudende medische informatie van de Centrale Huisartsenpost Nightcare te Heerlen d.d. 19 augustus 2012, pagina 94.

6 Het geschrift, inhoudende een brief d.d. 21 augustus 2012 van R.P.P. Willems, ANIOS kindergeneeskunde, Atrium Medisch Centrum Parkstad, pagina 94-96.

7 Het geschrift, inhoudende een brief van 6 november 2012 van dr. J. Nicolai, kinderneuroloog, pagina 353-355.

8 Het geschrift, inhoudende het rapport d.d. 5 november 2015 van W.A. Karst, forensisch arts KNMG, verbonden aan het NFI, dat geen deel uitmaakt van de doornummering.