Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10476

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
C/03/199475 / HA ZA 14/711
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Statutair bestuurder wordt tijdens Algemene vergadering van Aandeelhouders (AvA) per direct ontslagen. Beroep op vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt niet door de rechtbank gehonoreerd. Aanvaarden dubbele switch in casu niet toelaatbaar, zeker als daarbij de feitelijke gedragingen van de statutair bestuurder worden meegewogen. Ook geen sprake van misbruik van omstandigheden bij benoeming tot statutair bestuurder en aanvaarding daarvan. Opzegging arbeidsovereenkomst evenmin kennelijk onredelijk. Geen valse of voorgewende reden. Rechtbank gaat in op de bijzondere positie van een statutair bestuurder ten opzichte van ‘gewone’ werknemer bij de toetsing aan het gevolgencriterium als bedoeld in art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW (zoals dat vóór inwerkingtreding Wwz gold). Statutair bestuurder is door aandeelhouder niet op één aanwijsbaar en daarvoor aangewezen moment ‘op het matje geroepen’. Desalniettemin heeft hij voldoende duidelijke signalen ontvangen dat zijn functioneren ondermaats was en heeft hij voldoende gelegenheid gehad om zij functioneren aan die kritiek en aanwijzingen aan te passen alvorens hij werd ontslagen. Ten slotte worden nog enkele andere vorderingen van de statutair bestuurder (business seats bij betaaldvoetbalorganisatie, aanvullende pensioenpremie, bonussen en door statutair bestuurder uit eigen zak betaalde ontslagvergoeding van een oud-werknemer) door de rechtbank beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1268
AR 2015/2531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/199475 / HA ZA 14/711

MD

Vonnis van 2 december 2015

in de zaak van:

[eiser]

wonend [adres]

[woonplaats]

eisende partij

advocaat mr. T.E.J. Devens, kantoorhoudend te Maastricht

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Ruiterij B.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht

gedaagde partij

advocaat mr. C. Brederije, kantoorhoudend te Den Haag

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk De Ruiterij genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 33;

- een conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 38;

- een conclusie van repliek met producties 34 en 35;

- een conclusie van dupliek met producties 39 tot en met 46b;

- een akte van [eiser] , aangevuld met productie 36;

- een antwoordakte van De Ruiterij.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken en voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

2.2.

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1961, is op 25 juni 1990 krachtens arbeidsovereenkomst bij een van de rechtsvoorgangsters van De Ruiterij, als (assistent) manager in dienst getreden. Sinds 2001 heeft [eiser] krachtens arbeidsovereenkomst als general manager voor een van de rechtsvoorgangsters van De Ruiterij gewerkt. Vanaf 1 april 2011 was [eiser] general manager van het Crowne Plaza hotel te Maastricht (hierna: het hotel), tegen een loon van € 8.360,70 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. De Ruiterij exploiteert dit hotel. Tot 4 juli 2013 behoorde De Ruiterij tot de Bilderberg hotelgroep.

2.3.

Op 21 juni 2013 heeft [eiser] een “Aanvraagformulier Aansprakelijkheidsverzekering voor Bestuurders & Commissarissen” ondertekend (gewenste ingangsdatum: bij verandering eigendom).

2.4.

Met ingang van 4 juli 2013 zijn de aandelen van De Ruiterij door de Bilderberg hotelgroep verkocht aan ‘Hotel M’. Bestuurder van Hotel M is mevrouw [naam bestuurder] (dochter van een Russische zakenman, de heer [naam hoofd CH Group] ). Hotel M maakt op haar beurt deel uit van de CH Group. De heer [naam hoofd CH Group] staat aan het hoofd van deze CH Group.

2.5.

De Ruiterij is tevens 100% aandeelhouder van Hoogbrug B.V. (hierna: Hoogbrug); kort gezegd is het vastgoed van De Ruiterij in deze vennootschap ondergebracht.

2.6.

Op 4 juli 2013 is [eiser] benoemd tot statutair bestuurder van De Ruiterij en tevens van Hoogbrug. Het laatstelijk door [eiser] verdiende loon bedroeg € 8.310,23 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag, € 241,50 bruto representatiekosten en overige emolumenten. Met Hoogbrug stond [eiser] niet in een arbeidsrechtelijke relatie.

2.7.

Met ingang van ultimo oktober 2013 heeft CH Group mevrouw [naam regionaal directeur operations] (regionaal directeur operations) voor leidinggevende en/of toezichthoudende taken naar het hotel afgevaardigd.

2.8.

Enkele maanden na de benoeming van [eiser] tot statutair bestuurder, hebben er diverse verbouwingen in het hotel plaatsgevonden. Begin januari 2014 is de heer [naam bouwadviseur]

als bouwadviseur aan de hotelstaf toegevoegd door Hotel M en/of CH Group.

2.9.

[naam bestuurder] heeft naast het Crowne Plaza hotel in Maastricht twee andere hotels van de CH Group onder haar hoede. Ofschoon partijen verdeeld zijn over de frequentie van de bezoeken van [naam bestuurder] aan het hotel in de eerste zes maanden na de overname van De Ruiterij door Hotel M, staat vast dat zij na verloop van die eerste zes maanden het hotel frequenter is gaan bezoeken.

2.10.

[eiser] heeft in de persoon van [naam souschef] een tweede souschef aangenomen, die op 1 november 2013 krachtens arbeidsovereenkomst bij Crowne Plaza Maastricht in dienst is getreden. Er werd géén proeftijd overeengekomen. Crowne Plaza Maastricht, vertegenwoordigd door [eiser] , heeft op 30 januari 2014 een vaststellingsovereenkomst met [naam souschef] gesloten. Daarin is onder meer overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden zou worden beëindigd per 1 maart 2014. Tevens is overeengekomen dat Crowne Plaza aan [naam souschef] op 15 februari 2014 een ontslagvergoeding van € 2.500,00 netto zou betalen. Deze ontslagvergoeding heeft [eiser] uit eigen middelen betaald.

2.11.

Op 30 januari 2014 is [eiser] door [naam bestuurder] schriftelijk gewaarschuwd omdat de internetverbindingen in het hotel, geleverd door Swisscom, niet goed functioneerden.

2.12.

Op 17 april 2014 heeft De Ruiterij aan haar ondernemingsraad ingevolge
art. 30 Wet op de ondernemingsraden advies gevraagd over het voornemen van De Ruiterij tot:

a. het ontslag van [eiser] als bestuurder van De Ruiterij;

b. de benoeming van [naam bestuurder] als (statutair) bestuurder van De Ruiterij.

Bij brief van 23 april 2014 heeft de ondernemingsraad positief geadviseerd over beide voornemens.

2.13.

Op 16 april 2014 is [eiser] door [naam bestuurder] gebeld met het verzoek om naar het hotel te komen. Die middag heeft er een gesprek tussen [eiser] en [naam bestuurder] plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek is aan [eiser] door [naam bestuurder] een oproepingsbrief voor de Algemene vergadering van Aandeelhouders (AvA) op 2 mei 2014 overhandigd. Op de agenda stond “het voornemen tot ontslag alsmede – voor zover nodig – het voornemen tot schorsing van jou als statutair directeur, alsmede als werknemer van De Ruiterij”. Die agenda is als bijlage bij de oproepingsbrief gevoegd. In de oproepingsbrief is als reden voor het voorgenomen ontslag en voor de eventuele schorsing van [eiser] vermeld dat “(…) er bij de aandeelhouder een ontbreken van vertrouwen is dat jij de organisatie voldoende adequaat zult managen in de toekomst. Dit is mede ingegeven door de wijze waarop jij het hotel in de afgelopen periode hebt gemanaged. Tijdens de vergadering zullen wij hierop uitvoerig ingaan en onze beweegredenen uitvoerig toelichten. Je kunt daarop dan jouw visie geven. Voorts stellen we je in de gelegenheid om de zogenaamd adviserende stem die je volgens de wet hebt als bestuurder, uit te brengen. (…)”. [eiser] heeft in dat gesprek emotioneel gereageerd op de boodschap en de oproepingsbrief en de bijgevoegde agenda voor de ogen van [naam bestuurder] verscheurd.

2.14.

Nog diezelfde dag (16 april 2014), omstreeks 16:00 uur, heeft de deurwaarder voormelde oproepingsbrief met als bijlage de agenda van de AvA aan [eiser] betekend.

2.15.

[eiser] heeft zich kort na het gesprek met [naam bestuurder] op 16 april 2014 ziek gemeld.

2.16.

Bij brief van 25 april 2014 met bijlagen heeft De Ruiterij (mede namens Hoogbrug) aan [eiser] een nadere motivering van het ontslagvoornemen gestuurd (productie 19 bij exploot van dagvaarding). Deze brief met bijlagen is door [eiser] ontvangen.

2.17.

Op 2 mei 2014 heeft eerst de AvA van De Ruiterij en vervolgens de AvA van Hoogbrug plaatsgevonden. Bij beide AvA’s waren aanwezig: [naam bestuurder] ,

mr. C. Brederije, [eiser] , mr. Devens en notuliste [naam notuliste/personeelsfunctionaris] . De notulen van deze AvA’s zijn als productie 7 bij conclusie van antwoord overgelegd. De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de AvA negatief geadviseerd ten aanzien van het voorgenomen ontslag. Dit schriftelijk neergelegde advies is aan de notulen gehecht.

2.18.

Tijdens de AvA van De Ruiterij is [eiser] per direct als statutair bestuurder ontslagen en is tevens de werknemersrelatie met hem per direct opgezegd, zonder inachtneming van een opzegtermijn. Tijdens de AvA van Hoogbrug is [eiser] eveneens per direct als statutair bestuurder van Hoogbrug ontslagen, nu er in haar visie (die van de AvA) tussen De Ruiterij en Hoogbrug een zodanig grote samenhang is, dat het vertrek van [eiser] bij De Ruiterij een continuering van het statutair bestuurderschap van Hoogbrug onmogelijk zou maken. Deze ontslagbesluiten (van zowel De Ruiterij als Hoogbrug) zijn op schrift gesteld en als productie 6 bij conclusie van antwoord overgelegd.

2.19.

De Ruiterij heeft zich gerealiseerd dat zij de opzegtermijn niet in acht heeft genomen, als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst met [eiser] onregelmatig door
De Ruiterij is opgezegd. Om die reden is aan [eiser] een gefixeerde schadevergoeding uitbetaald (gelijk aan het loon inclusief vakantiebijslag van 2 mei 2014 tot 1 oktober 2014). Op de aan [eiser] uitbetaalde gefixeerde schadevergoeding is een bedrag van € 7.500,00 netto door De Ruiterij in mindering gebracht wegens een alsnog voor rekening van [eiser] gebrachte ondernemingsuitgave voor business seats bij de betaaldvoetbalorganisatie
Roda JC Kerkrade.

2.20.

Op 7 mei 2014 heeft [eiser] desgevraagd zijn leaseauto en de door De Ruiterij aan hem ter beschikking gestelde mobiele telefoon bij [naam bestuurder] ingeleverd.

2.21.

Bij niet overgelegd, maar als productie 10 bij conclusie van antwoord deels geciteerd confraterneel e-mailbericht d.d. 12 mei 2014 van mr. Devens aan mr. Niewold

(kantoorgenoot van mr. Brederije), heeft de gemachtigde van [eiser] bericht:

“Wanneer kan ik de vergoeding tegemoet zien?

Overigens maakt cliënt primair aanspraak op de volledige schadevergoeding, waaronder dus ook een vergoeding voor pensioen, auto en telefoon, en pas subsidiair op de gefixeerde schadevergoeding.”

2.22.

Bij brief van 27 juni 2014 (productie 26 bij exploot van dagvaarding) heeft de gemachtigde van [eiser] aan De Ruiterij bericht:

“(…)

Zoals u wellicht weet gelden echter ook voor een statutair bestuurder de arbeidsrechtelijke opzegverboden en had cliënt zich al geruime tijd voor de AVA ziek gemeld. Er was mitsdien sprake van een opzegverbod.

Middels dit schrijven roept ik namens cliënt de vernietigbaarheid in van het op 2 mei jl. aangezegde arbeidsrechtelijke ontslag.

(…)”.

2.23.

Begin oktober 2014 heeft [eiser] een WW-uitkering aangevraagd die aanvankelijk is geweigerd: het UWV bleek vooralsnog geen genoegen te nemen met de ontslagbesluiten. Daarop heeft mr. Devens aan mr. Niewold (bij niet overgelegd geschrift, deels geciteerd in productie 10 bij conclusie van antwoord) verzocht om De Ruiterij een brief te laten opstellen waarin duidelijk gemaakt zou worden dat [eiser] geen verwijt treft. De Ruiterij heeft vervolgens aan [eiser] bericht dat zij daartoe bereid was en heeft daar vervolgens uitvoering aan gegeven in de richting van het UWV. De Ruiterij schrijft in de brief aan het UWV dat er geen sprake is van een dringende reden, maar dat dit niet wil zeggen dat zij de mening toegedaan is dat [eiser] geen (ernstige) verwijten gemaakt kunnen worden.

2.24.

Bij brief van 13 oktober 2014 (productie 27 bij exploot van dagvaarding) heeft de gemachtigde van [eiser] aan De Ruiterij bericht:

“Geachte directie,

In opgemelde kwestie kan mijn cliënt zich, zoals u weet, niet verenigen met zijn onverwachte ontslag als bestuurder. Hij is van mening dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

Hierbij verzoek en voor zoveel nodig sommeer ik u dan ook om mij binnen 5 werkdagen na heden schriftelijk te bevestigen dat de opzegging kennelijk onredelijk is en dat u over zult gaan tot betaling van de aan cliënt verschuldigde schadevergoeding.

(…)”.

2.25.

Bij brief van 22 oktober 2014 (productie 28 bij exploot van dagvaarding) aan De Ruiterij heeft de gemachtigde van [eiser] bericht:

“(…)

Bij de aanvaarding van de benoeming tot statutair bestuurder in 2013 door cliënt is evenwel sprake geweest van misbruik van omstandigheden. Middels dit schrijven roep ik dan ook namens cliënt de vernietiging in van zijn aanvaarding van het statutaire bestuurderschap, zodat cliënt nimmer statutair directeur is geweest.

(…)

Cliënt stelt zich gelet op het voorgaande op het standpunt dat u de arbeidsovereenkomsten ten onrechte met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Zulks, omdat er van een dringend reden in de zin van artikel 7:677 BW en artikel 7:678 BW geen sprake is, terwijl u evenmin toestemming van het UWV heeft verkregen om de arbeidsverhouding met cliënt op te mogen zeggen ingevolge artikel 6 BBA, terwijl cliënt ook niet met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst heeft ingestemd. De opzegging is dan ook vernietigbaar en de vernietigbaarheid daarvan wordt uitdrukkelijk middels dit schrijven (buitengerechtelijk) ingeroepen.

Cliënt merkt op dat hij zijn arbeid uitdrukkelijk ter beschikking stelt aan U. Op eerste verzoek van U zal cliënt zijn werkzaamheden weer hervatten. Ik teken wel aan dat cliënt momenteel nog steeds arbeidsongeschikt is. (…)”.

2.26.

Tussen de betaaldvoetbalorganisatie Roda JC Kerkrade en De Ruiterij is op enig moment een overeenkomst gesloten, op grond waarvan Roda JC business seats aan De Ruiterij ter beschikking stelt. Deze overeenkomst was reeds aangegaan door een van de rechtsvoorgangsters van De Ruiterij en is door De Ruiterij gecontinueerd. Roda JC brengt hiervoor bij De Ruiterij jaarlijks een bedrag van € 6.200,00 in rekening. Op 10 april 2015 heeft De Ruiterij een bedrag van € 1.300,00 netto (het verschil tussen de aanvankelijk op de gefixeerde schadevergoeding toegepaste inhouding van € 7.500,00 – zie onder 2.19. – en de daadwerkelijk in rekening gebrachte jaarsom van € 6.200,00) aan [eiser] gerestitueerd.

2.27.

Op 7 april 2015 heeft De Ruiterij (ten behoeve van [eiser] ) twee betalingen aan Nationale Nederlanden verricht, waarmee de bijdrage aan (de opbouw van) het aanvullende pensioen van [eiser] met terugwerkende kracht over de periode 1 juli 2013 tot en met
2 mei 2014 is hersteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergeven feiten, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair:

A. voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door De Ruiterij d.d. 2 mei 2014 door [eiser] (buitengerechtelijk) vernietigd is;

B. voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen De Ruiterij en [eiser] , gelet op de vernietiging van de opzegging door [eiser] , nimmer rechtsgeldig beëindigd is en thans nog steeds voortduurt;

C. De Ruiterij te veroordelen om aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, te betalen:

a. a) het loon van [eiser] over de periode van 1 oktober tot 1 december 2014 ad € 16.720,14 bruto, althans ter hoogte van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, althans te vermeerderen met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid, althans vanaf datum verzuim, althans vanaf datum dagvaarding (25 november 2014);

b) het loon van [eiser] van 1 december 2014 tot en met de datum dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, naar een maandbedrag van € 8.360,07 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, althans te vermeerderen met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid, althans vanaf datum verzuim, althans vanaf datum dagvaarding (25 november 2014);

c) het ten onrechte ingehouden bedrag inzake de overeenkomst met Roda JC ad € 7.500,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover, alsmede de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van de beëindiging van ‘het dienstverband’ (2 mei 2014), althans vanaf datum verzuim, althans vanaf datum dagvaarding (25 november 2014);

D. De Ruiterij te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, de Horeca pensioenpremie, alsmede de aanvullende pensioenpremie, over de periode van 1 oktober 2014 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, alsnog af te dragen, het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met een dwangsom van € 500,00 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of ieder dagdeel dat De Ruiterij nalaat aan deze verplichting te voldoen.

Subsidiair:

A. voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is;

B. De Ruiterij te veroordelen om aan [eiser] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, een schadevergoeding ten bedrage van € 556.400,78 te betalen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van de beëindiging van ‘het dienstverband’ (2 mei 2014), althans vanaf datum verzuim, althans vanaf datum dagvaarding (25 november 2014);

C. De Ruiterij te veroordelen om aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, een bedrag van

€ 7.500,00 bruto te betalen inzake de ten onrechte ingehouden gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover, alsmede de wetettelijke rente te rekenen vanaf de datum van de beëindiging van ‘het dienstverband’ (2 mei 2014), althans vanaf datum verzuim, althans vanaf datum dagvaarding (25 november 2014).

Primair en subsidiair:

II. De Ruiterij te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, de aanvullende pensioenpremie van [eiser] over de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 mei 2014 alsnog af dragen, het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met een dwangsom van € 500,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of ieder dagdeel dat De Ruiterij nalaat aan deze verplichting te voldoen;

III. De Ruiterij te veroordelen om aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, een bedrag van

€ 20.716,35 te betalen ‘inzake onbetaald gebleven bonussen’, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% daarover (althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage), alsmede de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van de beëindiging van ‘het dienstverband’ (2 mei 2014), althans vanaf datum verzuim, althans vanaf datum dagvaarding (25 november 2014);

IV. De Ruiterij te veroordelen om aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, een bedrag ad € 2.500,00 te betalen ‘inzake de ten onrechte betaalde ontslagvergoeding’, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het moment van betaling (13 februari 2014), althans vanaf datum verzuim, althans vanaf datum dagvaarding (25 november 2014);

V. De Ruiterij te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2.

Hierna zal zakelijk weergegeven worden welke de grondslagen van de vorderingen van [eiser] zijn. Voor een verdere uitwerking van die grondslagen kan verwezen worden naar het exploot van dagvaarding met producties, de conclusie van repliek met producties en de akte van [eiser] .

Grondslagen primaire vorderingen

3.2.1.

In de eerste plaats heeft [eiser] betoogd dat hij nooit statutair bestuurder van De Ruiterij en Hoogbrug is geweest. Er was in zijn visie sprake van misbruik van omstandigheden aan de andere zijde bij de aanvaarding van de benoeming tot statutair bestuurder van voormelde vennootschappen. Op grond hiervan heeft [eiser] zijn benoeming tot statutair bestuurder – althans de aanvaarding daarvan – vernietigd en heeft hij tevens de vernietiging van ‘het ontslag’ (de opzegging) ingeroepen in verband met het ontbreken van de vereiste toestemming van het UWV (art. 9 juncto art. 6 BBA). Mitsdien is volgens [eiser] zijn arbeidsovereenkomst nimmer rechtsgeldig geëindigd.

Ten tweede heeft hij aangevoerd dat – indien vast komt te staan dat hij de benoeming tot statutair bestuurder van De Ruiterij en Hoogbrug wél heeft aanvaard – slechts sprake was van functioneel bestuurderschap. Hij is door de benoeming tot statutair bestuurder financieel niet in een betere positie geraakt, terwijl hij arbeidsrechtelijk wel in een slechtere positie is komen te verkeren. In dit geval betekent het vennootschapsrechtelijke ‘ontslag’ niet automatisch ook het einde van de arbeidsrechtelijke relatie. Het gevolg is dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. Voor zover al sprake is geweest van een opzegging, dan geldt dat deze vernietigbaar is wegens het ontbreken van de vereiste toestemming van het UWV. Die vernietigbaarheid heeft [eiser] ingeroepen bij brief van zijn gemachtigde van 22 oktober 2014.

Ten derde geldt dat – indien [eiser] statutair bestuurder zou zijn geweest ten tijde van ‘het ontslag’ – ‘het (arbeidsrechtelijke) ontslag’ niet geldig was, omdat [eiser] op dat moment arbeidsongeschikt wegens ziekte was. Ook op die grond heeft [eiser] inmiddels tijdig de vernietiging van de opzegging ingeroepen, zodat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig geëindigd kan zijn.

Grondslagen subsidiaire vorderingen

3.2.2.

Indien er wel een rechtsgeldige opzegging is geweest, dan is deze opzegging kennelijk onredelijk, omdat:

a. a) er sprake is van een valse of voorgewende reden;

b) de gevolgen van de opzegging voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van De Ruiterij bij die opzegging (het “gevolgencriterium” als bedoeld in art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid, Wwz);

c) De Ruiterij zich niet als goed werkgeefster heeft gedragen.

Grondslagen primaire en subsidiaire vorderingen

a. a) Er was al jarenlang een overeenkomst met Roda JC, die altijd in de financiële stukken van De Ruiterij is verantwoord. Ten onrechte is € 7.500,00 (netto) op de gefixeerde schadevergoeding ingehouden.

b) Van 1 januari 2014 tot 2 mei 2014 heeft De Ruiterij (de premie voor) het aanvullende pensioen niet betaald. Dat [eiser] daar recht op heeft, volgt uit art. 8 van de arbeidsovereenkomst (met een van de rechtsvoorgangsters van De Ruiterij), het pensioenoverzicht en feit dat het jarenlang is betaald.

c) Sinds de overname van De Ruiterij door Hotel M heeft De Ruiterij geen bonussen meer aan [eiser] uitbetaald. [eiser] zou in theorie voor drie soorten bonussen in aanmerking kunnen komen: (1) bonus gebaseerd op RAU-regeling, (2) GOP-gerelateerde bonus en (3) bonus gerelateerd aan persoonlijke doelstellingen. [eiser] stelt recht te hebben op de RAU-bonus over 2013 en op de bonus wegens het halen van zijn persoonlijke doelstellingen. [eiser] erkent dat hij géén recht heeft op een GOP-gerelateerde bonus over 2013.

d) [eiser] heeft ten onrechte uit eigen zak de ontslagvergoeding van [naam souschef] , die hij zelf in dienst genomen had en met wie (op zijn initiatief) later een vaststellingsovereenkomst is gesloten, moeten betalen. De Ruiterij had deze ontslagvergoeding echter behoren te betalen. Er is druk op hem uitgeoefend. Indien [eiser] niet zou betalen, zou dit ernstige consequenties voor hem hebben.

3.3.

De Ruiterij voert verweer. Daartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord met producties, de conclusie van dupliek met producties en de antwoordakte van De Ruiterij.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Switch

4.1.

De Ruiterij heeft aangevoerd dat [eiser] , nadat hij tijdens de AvA’s als statutair bestuurder van De Ruiterij en Hoogbrug was ontslagen (welk ontslag tevens een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de bestuurder tot gevolg had) zich achtereenvolgens op diverse, elkaar uitsluitende standpunten heeft gesteld. [eiser] heeft herhaaldelijk en te vaak geswitcht, aldus De Ruiterij. Ook al zou er sprake zijn van een vernietigbare opzegging van de arbeidsovereenkomst – hetgeen De Ruiterij betwist – dan nog mocht De Ruiterij er van uitgaan dat zijn arbeidsovereenkomst per 2 mei 2014 tegelijk met zijn statutaire bestuurderschap geëindigd was.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, geen overtuigend argument aan te wijzen valt voor zijn bewering dat de zogeheten ‘switch-jurisprudentie’ niet ook van toepassing is op een statutair bestuurder.

4.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 oktober 1994 (HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 171, Dibbets/Pinckers) geoordeeld dat “een werknemer die de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen – behoudens bijzondere omstandigheden – van die keuze kan terugkomen door jegens de werkgever ondubbelzinnig van zijn beroep op nietigheid afstand te doen”. De Hoge Raad heeft dit in een arrest van 7 juni 2002 (HR 7 juni 2002, JAR 2002, 155, Greeven/Connexxion Openbaar Vervoer NV) herhaald.

4.3.1.

De inhoud van het niet overgelegde, maar als productie 10 bij conclusie van antwoord deels geciteerde confraternele e-mailbericht d.d. 12 mei 2014 van mr. Devens aan mr. Niewold, zoals die in rechtsoverweging 2.21. is weergegeven, laat de rechtbank voor wat deze is.

4.3.2.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] bij brief van zijn gemachtigde van 27 juni 2014 (zie rechtsoverweging 2.22.) de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft ingeroepen, omdat er zijns inziens sprake was van een (bijzonder) opzegverbod (arbeidsongeschiktheid wegens ziekte). Uit die brief blijkt niet dat de gemachtigde enig voorbehoud heeft gemaakt om van dit standpunt terug te komen.

4.3.3.

Bij brief van 13 oktober 2014 (zie rechtsoverweging 2.24.) heeft de gemachtigde van [eiser] aan De Ruiterij bericht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is. Ook hier geldt dat in deze brief geen enkel voorbehoud door de gemachtigde van [eiser] is gemaakt. Met deze brief heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig van zijn beroep op nietigheid (in casu: vernietigbaarheid van de opzegging) afstand gedaan. Op grond van deze brief heeft [eiser] in de opzegging van de arbeidsovereenkomst berust en op grond van kennelijk onredelijkheid van die opzegging aanspraak op schadevergoeding gemaakt. Het in de brief van 13 oktober 2014 ondubbelzinnig terugkomen van het eerder in de brief van 27 juni 2014 verwoorde standpunt, is de eerste switch die [eiser] heeft gemaakt.

4.3.4.

Bij brief van 22 oktober 2014 (hiervoor in rechtsoverweging 2.25. weergegeven) heeft de gemachtigde van [eiser] aan De Ruiterij bericht dat bij de aanvaarding van de benoeming tot statutair bestuurder sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. Hij roept in deze brief de vernietiging van de aanvaarding van het statutaire bestuurderschap in. Hiermee komt [eiser] echter wel terug van het eerder in de brief van 13 oktober 2014 verwoorde standpunt. Dit is de tweede switch die [eiser] maakt. Daarbij valt ook nog eens op dat de reden voor die vernietiging in een totaal andere feitenconstellatie geplaatst wordt. Bij brief van 27 juni 2014 was er volgens [eiser] nog sprake van vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens strijd met het opzegverbod wegens ziekte, terwijl bij brief van 22 oktober 2014 de vernietiging wordt ingeroepen wegens misbruik van omstandigheden bij de in een veel verder verleden liggende aanvaarding van het statutaire bestuurderschap.

4.3.5.

De kantonrechter Enschede heeft bij tussenvonnis van 17 oktober 2006 en eindvonnis van 27 februari 2007 (JAR 2007/79) in een enigszins vergelijkbare casuspositie geoordeeld dat het niet mogelijk is om eerst een beroep te doen op de onregelmatigheid van de opzegging, daarna de vernietigbaarheid in te roepen om zich ten slotte weer op de onregelmatigheid van de opzegging te beroepen. Een dubbele switch is volgens deze kantonrechter dus niet mogelijk. In zijn annotatie bij dit eindvonnis gaat prof. mr. E. Verhulp in op de hiervoor in rechtsoverweging 4.3. geciteerde overweging van het Dibbets/Pinckers-arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 1994, waaruit volgt dat de werknemer alléén mag switchen als hij ondubbelzinnig afziet van zijn beroep op vernietiging van de opzegging. Achterliggende gedachte daarvan is, volgens Verhulp, dat de werknemer maar één keer mag switchen: dat wordt bewerkstelligd door te verlangen dat de werknemer ondubbelzinnig afziet van het beroep op vernietiging. Verhulp concludeert dan ook dat dubbel switchen op grond van de hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad in Dibbets/Pinckers-arrest niet toelaatbaar is. Ook prof. mr. W.A. Zondag komt in zijn commentaar op art. 7:681 BW tot de conclusie dat een werknemer niet tweemaal achter elkaar kan switchen. Dergelijk ‘knipperlichtgedrag’ is volgens hem niet mogelijk, nu de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt dat een werknemer kan switchen wanneer hij ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het beroep op nietigheid.

4.3.6.

De rechtbank onderschrijft de door Verhulp en Zondag gegeven uitleg van de hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad in het Dibbets/Pinckers-arrest en maakt die uitleg tot de hare. De omstandigheid dat de kantonrechter Eindhoven in een vonnis van 17 november 2011, JAR 2012/40, heeft geoordeeld dat in die zaak een dubbele switch wél toelaatbaar was, maakt dat niet anders. Een van de overwegingen van dat vonnis was dat met het accepteren van de dubbele switch de rechtszekerheid werd gediend, nu er door de laatste switch werd berust in een einde van de arbeidsovereenkomst. Anders dan in de onderhavige zaak, werd er in die Eindhovense zaak uiteindelijk geswitcht naar een beroep op schadeplichtigheid wegens een kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst. Voorts was de laatste switch tevens de grondslag voor de in rechte ingestelde vorderingen. Uit de manier waarop [eiser] bij exploot van dagvaarding zijn vorderingen heeft ingesteld, blijkt niet dat hij een duidelijke keuze maakt tussen berusten in het feitelijke einde van de relatie (maar met beroep op een kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst) en een beroep op een vernietigbare opzegging (hetgeen juist niet een berusten impliceert). [eiser] blijkt in zijn dagvaardingsexploot nog steeds of weer voor twee ankers te willen gaan liggen, terwijl hij in zijn brief van 22 oktober 2014 een duidelijk andere keuze maakte en één anker uitkoos. De rechtszekerheid is door deze opstelling van [eiser] niet gediend, zodat het aanvaarden van een dubbele switch onder deze omstandigheden niet toelaatbaar is.

4.3.7.

Dat bijzondere omstandigheden – zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad inzake Dibbets/Pinckers – tot een ander oordeel moeten leiden, is niet aangevoerd en ook niet gebleken.

4.4.

Daar komt bij dat de feitelijke gedragingen van [eiser] niet stroken met de door hem tot tweemaal toe ingeroepen vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Uit die gedragingen blijkt namelijk dat [eiser] wel degelijk in het einde van de vennootschapsrechtelijke én arbeidsrechtelijke relatie met De Ruiterij berustte. Op 7 mei 2014 heeft hij zijn leaseauto en de door De Ruiterij aan hem ter beschikking gestelde mobiele telefoon bij [naam bestuurder] zonder enig protest of voorbehoud ingeleverd. Ook staat vast dat hij na zijn ontslag als statutair bestuurder een WW-uitkering heeft aangevraagd en (blijkens de berekening die [eiser] ter onderbouwing van zijn schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging heeft gemaakt) ook heeft verkregen.

4.5.

Ten aanzien van het beroep van [eiser] op vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden bij de benoeming tot statutair bestuurder en de aanvaarding daarvan, is de rechtbank eveneens van oordeel dat dit geenszins steun vindt in de vaststaande feiten. In dit verband staat namelijk vast dat [eiser] reeds op 21 juni 2013 een aanvraagformulier bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering heeft ondertekend. Dit is een kleine twee weken voordat op 4 juli 2013 de aandelen van De Ruiterij door Bilderberg hotelgroep werden verkocht aan Hotel M (en [eiser] met ingang van die datum tot statutair bestuurder van De Ruiterij en Hoogbrug werd benoemd). [eiser] was zich er dus van bewust dat de benoeming tot statutair bestuurder (juridische) risico’s met zich bracht en heeft aldus voldoende tijd gehad om zich desgewenst tegen die risico’s in te dekken. Bovendien staat vast dat mr. Vogels (als advocaat verbonden aan Adelmeijer Hoyng advocaten) op 2 juli 2013 een gesprek met onder meer [eiser] heeft gehad. Dat gesprek vond plaats op verzoek van [eiser] , omdat hij zich nader wenste te informeren over de arbeidsrechtelijke gevolgen van zijn aanstaande benoeming tot statutair bestuurder van De Ruiterij. Hieruit leidt de rechtbank af dat [eiser] zich voldoende bewust was van de arbeidsrechtelijke risico’s die een benoeming tot statutair bestuurder met zich bracht. De omstandigheid dat [eiser] , alvorens die benoeming te aanvaarden, geen langere opzegtermijn al dan niet in combinatie met een ontslagvergoeding (‘golden parachute’) heeft bedongen, kan niet aan De Ruiterij worden tegengeworpen.

4.6.

De conclusie uit het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is dat een beroep op vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [eiser] thans niet meer in rechte kan worden gehonoreerd. De vorderingen zoals die primair onder A., B. en C. sub a) en b) zijn ingesteld, ontberen mitsdien een grondslag en worden afgewezen.

4.7.

De primaire vorderingen onder C. sub c) en onder D. zijn (deels) ook nog afzonderlijk ondergebracht bij hetgeen ‘subsidiair’ dan wel ‘primair en subsidiair’ gevorderd is. Deze onderdelen zullen hierna afzonderlijk worden beoordeeld. Allereerst zal worden beoordeeld of de opzegging van de arbeidsovereenkomst door De Ruiterij kennelijk onredelijk is.

Opzegging arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk?

- Valse of voorgewende reden

4.8.

Een valse reden is een niet bestaande reden. Een voorgewende reden is een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is. De redenen voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] zijn nader gemotiveerd (zie productie 11 bij conclusie van antwoord) en ook tijdens de AvA nader toegelicht (productie 7 bij conclusie van antwoord). Alhoewel [eiser] van mening is dat de gehanteerde redenen ongeloofwaardig zijn en hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn functioneren te verbeteren, brengen die stellingen nog niet mee dat er daarom sprake is van een valse of voorgewende reden (en op grond daarvan een kennelijk onredelijke opzegging). De hierop gebaseerde redenering van [eiser] moet dan ook falen.

- Gevolgencriterium (en slecht werkgeverschap)

4.9.

Daarnaast heeft [eiser] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van De Ruiterij bij die opzegging. [eiser] beroept zich aldus op het gevolgencriterium als bedoeld in art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW zoals dat voor de inwerkingtreding van de Wwz gold en waaraan in deze zaak getoetst dient te worden.

4.10.

Bij de beoordeling van de vraag of een ontslag van een statutair bestuurder (met gevolgen voor de positie als werknemer) als kennelijk onredelijk in arbeidsrechtelijk opzicht aangemerkt moet worden bij toetsing aan het gevolgencriterium, geldt als maatstaf of – mede in aanmerking genomen de voor de statutaire bestuurder getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden – de gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij die opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval, zoals deze zich niet later dan ten tijde van de opzegging voordeden, in aanmerking genomen te worden. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts meegewogen worden voor zover zij aanwijzingen opleveren voor hetgeen niet later dan op voormeld tijdstip verwacht kon worden. De enkele omstandigheid dat een statutair bestuurder zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering wegens kennelijk onredelijke opzegging. Daartoe dienen door de werknemer bijzondere omstandigheden gesteld en zo nodig bewezen te worden, die in de kern inhouden dat opgezegd is in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Het door [eiser] gestelde slecht werkgeverschap van De Ruiterij, die hij als afzonderlijke grond voor kennelijke onredelijkheid heeft aangevoerd, zal de rechtbank dan ook bij de beoordeling van het gevolgencriterium betrekken en niet als afzonderlijke grond beoordelen.

4.11.

De rechtbank zal bij de toetsing aan het gevolgencriterium de bijzondere positie van [eiser] als statutair bestuurder in vergelijking met die van een ‘gewone’ werknemer meewegen. Naast het hiervoor in rechtsoverweging 4.10. geschetste toetsingskader dat voor ‘gewone’ werknemers geldt, heeft een statutair bestuurder immers een hoger afbreukrisico dan een ‘gewone’ werknemer. Er mag van worden uitgegaan dat bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, waarop een statutair bestuurder doorgaans de nodige invloed heeft, reeds rekening is gehouden met dit risico doordat een hoog inkomen (inclusief een bonusregeling) is vastgesteld en/of een lange opzegtermijn al dan niet in combinatie met een ontslagvergoeding is overeengekomen (in gelijke zin gerechtshof Leeuwarden
1 februari 2011, JAR 2011/88 en gerechtshof Leeuwarden 24 januari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV1944).

4.12.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij – alhoewel hij betwist dat hij gedisfunctioneerd heeft – geen enkele kans heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren. Deze omstandigheid maakt in zijn visie de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zeker als daarbij ook de andere omstandigheden (zoals leeftijd, duur dienstverband en het niet-aanbieden van enige geldelijke compensatie) worden betrokken, kennelijk onredelijk.

4.13.

Vooropgesteld wordt dat ten aanzien van de dossieropbouw bij vermeend disfunctioneren van een statutair bestuurder eveneens rekening dient te worden gehouden met diens bijzondere positie afgezet tegen die van een ‘gewone’ werknemer. Daar waar bij disfunctioneren van een ‘gewone’ werknemer de verbeterpunten concreet dienen te worden vastgelegd en vervolgens voldoende tijd moet worden gegund om die punten te verbeteren, mogen aan de concretisering van die verbeterpunten bij een statutair bestuurder minder hoge eisen worden gesteld. Een statutair bestuurder heeft immers een veel grotere vrijheid om zijn functie in te vullen. Voorts zijn zowel de aan het functioneren te stellen eisen als de resultaten waarop hij wordt beoordeeld, minder tastbaar dan bij een ‘gewone’ werknemer. Geconstateerd wordt dat [eiser] door de aandeelhouder niet op één aanwijsbaar en daarvoor aangewezen moment ‘op het matje’ is geroepen waarbij concrete kritiek- en verbeterpunten schriftelijk zijn vastgelegd. De hamvraag is echter of [eiser] desalniettemin voldoende duidelijke signalen heeft ontvangen dat zijn functioneren in de ogen van de ultieme leiding ondermaats was en, indien dat het geval was, of hij voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn functioneren aan die kritiek en aanwijzingen aan te passen / zijn performance te verbeteren alvorens hij op 2 mei 2014 per direct als statutair bestuurder werd ontslagen.

4.13.1.

Dat er stellige kritiek en aanmerkingen waren ten aanzien van het functioneren van [eiser] , blijkt wel uit het feit dat er personele versterking of zelfs extra toezicht / leiding naar het hotel is afgevaardigd. Zo werd eind oktober 2013 [naam regionaal directeur operations] (regionaal directeur operations) naar het hotel gestuurd om [eiser] te ondersteunen. Ook de steeds frequentere komst van [naam bestuurder] , die daarnaast ook nog twee andere hotels van de CH Group onder haar hoede had, spreekt boekdelen. De verbouwing in het hotel, waarvan vaststaat dat [eiser] eindverantwoordelijk was, verliep allerminst soepel en dat daarop kritiek bestond, kan [eiser] niet ontgaan zijn. Om de problemen rondom de verbouwing op te lossen kwam in januari 2014 ook [naam bouwadviseur] de bezetting van de hotelformatie aanvullen. Dat de hier genoemde personen slechts naar het hotel kwamen als een soort ‘luxe’ waarvoor (zoals [eiser] stelt) geen enkele noodzaak bestond, is weinig geloofwaardig en wordt dan ook niet als deugdelijk argument aanvaard.

4.13.2.

Voorts staat als niet weersproken vast dat [eiser] op 30 januari 2014 schriftelijk is gewaarschuwd voor de niet of gebrekkig werkende internetverbindingen (de ‘kwestie Swisscom’). [eiser] stelt dat hij daar niet verantwoordelijk voor kan worden gehouden. Vaststaat evenwel dat hij door De Ruiterij herhaaldelijk is verzocht om deze problemen op te lossen, omdat er veel klachten van gasten bleven binnenkomen over de slecht functionerende internetverbindingen in het hotel. [eiser] miskent dat hij hiervoor als general manager eindverantwoordelijk was, ook al kon hij zelf niets aan die problemen doen, en dat hij in de positie die hij bekleedde, meer op resultaat dan op inzet beoordeeld werd en ook mocht worden. Als general manager had het alleszins op zijn weg gelegen om deze klachten voortvarend op te (laten) lossen, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten.

4.13.3.

De producties 18b (muizenprobleem), 18c (dubbele onderhoudscontracten liften) en 18d (kosten weggegooid eten bij Food & Beverages buitensporig hoog) wijzen erop dat ook andere (majeure) problemen aan [eiser] (per e-mail) doorgegeven zijn om opgelost te worden. De ontvangst hiervan is niet door [eiser] betwist, zodat hij geacht moet worden van de inhoud van die berichten op de hoogte te zijn geweest. Uit de conclusie van repliek blijkt dat [eiser] deze producties opvat als verzoeken om iets op te pakken en niet als mededeling van disfunctioneren. Daarmee miskent [eiser] wederom dat hij als general manager eindverantwoordelijk was voor het hotel en dat hij ervoor diende te zorgen dat de aldus gesignaleerde problemen werden opgelost. Indien hij dat desalniettemin nalaat, is dat wel degelijk aan te merken als disfunctioneren, nu [eiser] ook geen omstandigheden ter verontschuldiging aanvoert die als force majeure aan te merken zouden kunnen zijn. Datzelfde geldt voor de problemen met de beschikbaarheid van de televisiekanalen in het hotel (Triav, productie 18e), waarop [eiser] door [naam regionaal directeur operations] is aangesproken.

4.13.4.

Zaken die [eiser] afdoet als futiliteiten en formalistische klachten (waaronder: het roken op de werkplek, het eten in de keuken terwijl dat niet is toegestaan, het niet-opmaken van ‘duty rapporten’ in het daarvoor opgestelde format) zijn niet door hem weersproken en staan daarmee vast. [eiser] lijkt zich ten aanzien van deze punten onvoldoende bewust te zijn geweest van zijn voorbeeldfunctie als general manager / statutair bestuurder. Hoe kon hij bijvoorbeeld van zijn ondergeschikten verlangen dat zij een ‘duty rapport’ opstellen in een voorgeschreven format indien hij zelf dat nooit deed? Wellicht moge het zo zijn dat dit gedrag voorafgaand aan de overname door Bilderberg hotelgroep werd getolereerd, maar voor [eiser] was duidelijk dat De Ruiterij dit gedrag niet tolereerde. Ook het feit dat [eiser] aanvankelijk (omstreeks maart 2014) vakantie wilde nemen tijdens of vlak voor een van de drukste periodes van het jaar (TEFAF), terwijl de verbouwing nog niet afgerond was, laat zien dat [eiser] niet of onvoldoende van zijn bijzondere positie als general manager doordrongen was. Uiteindelijk heeft [eiser] zijn vakantie alsnog verplaatst, maar dat is pas na aandringen van [naam bestuurder] (zie onder meer productie 18f) gebeurd.

4.13.5.

Tevens is vast komen te staan dat er ook onder het personeel klachten waren over de wijze waarop [eiser] functioneerde. Alhoewel daar vanwege de mogelijk persoonlijke belangen van die werknemers voorzichtig mee moet worden omgegaan, blijkt dat uit diverse
e-mailberichten van (voormalige) werknemers. [naam revenue manager] (tot 1 mei 2014 bij De Ruiterij in dienst als ‘revenue manager’) richtte al op 22 november 2013 een uitvoerig
e-mailbericht aan [naam regionaal directeur operations] waarin zij de in haar ogen gebrekkige manier waarop [eiser] leiding gaf, beschrijft. Uit diverse als productie 17 bij conclusie van antwoord overgelegde
e-mailberichten van [naam notuliste/personeelsfunctionaris] (personeelsfunctionaris) aan [naam bestuurder] vanaf januari 2014 blijkt dat er diverse concrete voorvallen zijn die [eiser] niet heeft opgepakt. Zowel uit het hier beschreven bericht van [naam revenue manager] als uit de signalen van [naam notuliste/personeelsfunctionaris] blijkt dat er onder het personeel niet of nauwelijks draagvlak meer was voor [eiser] als general manager. Alhoewel de ondernemingsraad pas op 17 april 2014 door De Ruiterij om advies is gevraagd inzake het voornemen van De Ruiterij om [eiser] als bestuurder te ontslaan, blijkt uit dit schriftelijke advies van de OR dat hij zich herkent in de door
De Ruiterij beschreven situaties (over een aantal punten onthoudt de OR zich van het innemen van een standpunt omdat hij zich daarover geen oordeel kan vormen). Gelet op de genuanceerde wijze waarop de ondernemingsraad zijn mening in dit advies heeft verwoord, valt niet aan te nemen dat de OR laat optekenen dat hij zich herkent in de door De Ruiterij beschreven situaties, indien dat in werkelijkheid niet het geval zou zijn.

4.13.6.

Ofschoon partijen discussiëren over de vraag of [eiser] nu wel of niet zelfstandig bevoegd was tot het aannemen van personeel, staat vast dat hij [naam souschef] geheel op eigen gelegenheid heeft aangenomen. Door [eiser] is niet weersproken dat hij bevriend was met de vader van [naam souschef] , zodat ook dat vaststaat. Het aannemen van [naam souschef] als tweede souschef bevreemdt eens te meer, nu uit productie 16 bij conclusie van antwoord blijkt dat er geen noodzaak was voor het aannemen van een tweede souschef. Hierdoor is op zijn minst de schijn gewekt dat de belangen van het hotel, die [eiser] primair diende te behartigen, hebben geconflicteerd met de privébelangen van [eiser] .

4.13.7.

[eiser] heeft namens het hotel met [naam souschef] een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [naam souschef] aanspraak had op een ontslagvergoeding van
€ 2.500,00. De rechtbank kan niet beoordelen welke redenen [eiser] destijds zelf gehad heeft om die ontslagvergoeding uit eigen middelen te voldoen, maar kennelijk bestond zo’n reden wel. Uit het door De Ruiterij als productie 29 bij conclusie van antwoord overgelegde e-mailbericht van [naam bestuurder] aan [eiser] blijkt dat deze kwestie geen financiële gevolgen voor het hotel mocht hebben. Zij verweet [eiser] ook dat er geen proeftijd met [naam souschef] overeengekomen was. Uit toon en inhoud van hetzelfde bericht volgt niet (zonder meer) dat [eiser] door [naam bestuurder] is gedwongen om de ontslagvergoeding uit eigen zak te betalen. Dat [eiser] zich door het hier bedoelde
e-mailbericht van [naam bestuurder] wellicht onder druk gezet voelde om dat wel te doen, is iets anders, maar verklaart niet alles. Het uit eigen middelen betalen van een ontslagvergoeding die voortvloeit uit een verplichting die [eiser] (namens het hotel) is aangegaan, laat zien dat [eiser] ook op dit punt als statutair bestuurder heel ver ging en mogelijk zelfs tekort is geschoten.

4.13.8.

De conclusie uit het vorenstaande is dat [eiser] voldoende duidelijke signalen heeft gehad dat zijn functioneren ondermaats was en dat hij, ondanks die signalen, zijn functioneren niet heeft verbeterd. Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de opzegging ook niet kennelijk onredelijk is geweest in de zin van art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW zoals dat voor de inwerkingtreding van de Wwz gold. Hiervoor is overwogen dat een statutair bestuurder een hoger afbreukrisico heeft dan een ‘gewone’ werknemer. Het loon van [eiser] is, toen hij na de overname tevens werd benoemd tot statutair bestuurder, niet gestegen. Ook heeft hij geen langere opzegtermijn dan voorheen, al dan niet in combinatie met een ontslagvergoeding, bij De Ruiterij bedongen. Desalniettemin stelt de rechtbank vast dat [eiser] een goed loon behield en tevens aanspraak kon (blijven) maken op een bonusregeling. [eiser] heeft vooraf advies ingewonnen over zijn gewijzigde arbeidsrechtelijke positie na de overname. In de omstandigheid dat [eiser] er niet in is geslaagd om na zijn benoeming tot statutair bestuurder een hoger loon en/of een langere opzegtermijn, al dan niet in combinatie met een ontslagvergoeding te bedingen, kan niet een zodanig bijzonder omstandigheid worden ontwaard, dat dit moet leiden tot het oordeel dat er sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging wanneer het nadeel niet op enigerlei wijze gecompenseerd wordt. Uiteraard zijn daarbij ook alle andere omstandigheden van het geval (waaronder de leeftijd van [eiser] en de duur van het dienstverband, ook bij rechtsvoorgangsters van De Ruiterij) door de rechtbank meegewogen.

- Conclusie

Er is geen sprake van een kennelijk onredelijke opzegging. De subsidiaire vorderingen onder A. en B. missen een grondslag en worden afgewezen.

4.14.

Hierna zullen achtereenvolgens de overige vorderingen van [eiser] worden beoordeeld.

Business seats Roda JC

4.15.

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.26., staat vast dat De Ruiterij op 10 april 2015 een nabetaling van € 1.300,00 netto aan [eiser] heeft gedaan.

4.16.

Als niet betwist staat vast dat een van de rechtsvoorgangsters van De Ruiterij met Roda JC een overeenkomst inzake het afnemen van business seats is aangegaan, en dat die overeenkomst ook na de overname van De Ruiterij door Hotel M is gecontinueerd. Verder staat vast dat de hiermee gepaard gaande kosten in de exploitatiebegroting van De Ruiterij zijn opgenomen, zodat De Ruiterij op de hoogte van deze overeenkomst had behoren te zijn. Door [eiser] is niet weersproken dat hij deze business seats met zijn zoontjes bezette, zodat dit tussen partijen vaststaat. Door de business seats op deze wijze te gebruiken, heeft [eiser] in strijd gehandeld met het door het hotel beoogde commerciële doel van die business seats. Dat oogmerk is er namelijk in gelegen potentiële klanten van het hotel mee te nemen naar thuiswedstrijden van Roda JC of bestaande zakelijke relaties met gebruik van die faciliteit te onderhouden. Indien De Ruiterij van mening was dat het privégebruik van de business seats door [eiser] niet strookte met het door haar beoogde doel, had het echter op de weg van De Ruiterij gelegen om [eiser] daarop aan te spreken, maar De Ruiterij heeft er geen enkel blijk van gegeven dit handelen van [eiser] (eerder dan ter gelegenheid van het ‘afscheid’, toen het daarvoor te laat was) af te keuren. Zij kon zich daarom na het ontslag van de bestuurder niet opeens op het standpunt stellen dat haar € 7.500,00 (later: € 6.200,00) toekwam als schadevergoeding. De inhouding op hetgeen [eiser] nog toekwam geschiedde ten onrechte, zodat de restitutieclaim van [eiser] (in verlaagde vorm) toegewezen kan worden. Omdat [eiser] het bedrag van € 6.200,00 bruto vordert, zal dit ook in die vorm toegewezen worden. De wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf
25 november 2014 (datum van dagvaarding). De subsidiaire vordering onder C. is identiek aan de primaire vordering onder C. sub c en behoeft dus niet meer afzonderlijk te worden beoordeeld.

Aanvullend ‘pensioen’ (premie)

4.17.

De primaire vordering onder D. neemt als uitgangpunt dat de opzegging van arbeidsovereenkomst op 2 mei 2014 (buitengerechtelijk) is vernietigd. Onder verwijzing naar

hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat dit uitgangspunt geen stand heeft gehouden. Mitsdien bestaat er geen grondslag voor toewijzing van aanvullende pensioenpremie van
1 oktober 2014 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

4.18.

Primair en subsidiair, onder II, heeft [eiser] bij exploot van dagvaarding gevorderd om de aanvullende pensioenpremie over de periode 1 januari 2014 tot en met
1 mei 2014 af te doen dragen. Niet in geschil (zie rechtsoverweging 2.27.) is dat De Ruiterij gedurende deze procedure twee betalingen heeft verricht aan Nationale Nederlanden, waarbij opbouw van het aanvullende pensioen van [eiser] met terugwerkende kracht over de periode 1 juli 2013 tot en met 2 mei 2014 is hersteld (dus met inbegrip van de periode waarop dit deel van de vordering van [eiser] ziet). Aldus heeft [eiser] geen belang meer bij deze vordering, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.

Bonussen

4.19.

[eiser] zou in theorie voor drie soorten bonussen in aanmerking kunnen komen:
(1) bonus gebaseerd op RAU-regeling, (2) GOP-gerelateerde bonus en (3) bonus gerelateerd aan persoonlijke doelstellingen. [eiser] stelt aanspraak te hebben op een RAU-bonus over 2013 en een bonus gerelateerd aan behaalde persoonlijke doelstellingen. Die RAU-bonus bedraagt volgens [eiser] 5% van zijn jaarloon bij een resultaat van minimaal 15%. De bonus gerelateerd aan persoonlijke doelstellingen bedraagt maximaal 10% op jaarbasis. In totaal maakt [eiser] aanspraak op een bonus van 15% van zijn jaarloon, welke bonus een bedrag van € 20.716,35 (naar de rechtbank begrijpt: bruto) vertegenwoordigt.

4.19.1.

Ten aanzien van de (1) op de RAU-regeling gebaseerde bonus, heeft De Ruiterij gesteld dat [eiser] daarop geen recht heeft. De werknemer moet namelijk in dienst zijn op het moment dat het financiële resultaat wordt vastgesteld. Op het moment dat [eiser] uit dienst trad, was het financiële resultaat (de jaarrekening) van 2013 echter nog niet vastgesteld. Door De Ruiterij is niet weersproken dat [eiser] indien hij ten tijde van vaststelling van de jaarrekening over 2013 nog in dienst bij De Ruiterij was geweest, aanspraak had gehad op deze op de RAU-regeling gebaseerde bonus. Voorts staat vast dat De Ruiterij niet de opzegtermijn in acht heeft genomen en vanwege die onregelmatige opzegging een gefixeerde schadevergoeding aan [eiser] heeft uitbetaald. Niet kan worden uitgesloten dat, indien de opzegtermijn wél in acht was genomen, de jaarrekening over 2013 reeds was vastgesteld en [eiser] normaal aanspraak op de RAU-bonus had verworven (hij was dan immers nog in dienst geweest bij De Ruiterij). Onder deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de op de RAU-regeling gebaseerde bonus niet aan [eiser] uit te betalen omdat hij niet meer in dienst bij De Ruiterij was toen de jaarrekening over 2013 werd vastgesteld.

4.19.2.

[eiser] erkent dat hij géén recht heeft op de (2) GOP-gerelateerde bonus over 2013.

4.19.3.

Dat [eiser] recht verwierf op de (3) bonus gerelateerd aan persoonlijke doelstellingen is niet door De Ruiterij betwist, zodat deze bonus toewijsbaar is.

4.19.4.

[eiser] heeft zijn totale bonus (dus: op RAU-regeling gebaseerde bonus en bonus gerelateerd aan persoonlijke doelstellingen) becijferd op € 20.716,35. Dit bedrag is niet door De Ruiterij weersproken, zodat dit bedrag (bruto) toewijsbaar is. Deze bonussen, die afhankelijk zijn van het resultaat van de verrichte arbeid of het financiële resultaat van de werkgever, vallen onder het loonbegrip als bedoeld in art. 7:624 BW. Om die reden is ook de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW daarover toewijsbaar, nu die niet-tijdige voldoening aan de werkgever kan worden toegerekend. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval wel aanleiding om deze wettelijke verhoging te matigen tot 15%. De wettelijke rente daarover (dus inclusief de wettelijke verhoging) zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding (25 november 2014).

Ontslagvergoeding [naam souschef]

4.20.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.13.7. is overwogen, wordt deze vordering afgewezen.

Proceskosten

4.21.

In de uitkomst van de procedure ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten op hierna in het dictum te bepalen wijze te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt De Ruiterij om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting de somma van
€ 6.200,00 bruto (inzake onterechte inhouding business seats Roda JC) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2014 tot aan de datum van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt De Ruiterij tevens om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting de somma van € 20.716,35 bruto (inzake bonus gebaseerd op RAU-regeling en bonus gerelateerd aan persoonlijke doelstellingen over 2013) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW die is gematigd tot 15% en mitsdien € 3.107,45 bruto bedraagt, de optelsom van deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
25 november 2014 tot aan de datum van algehele voldoening;

5.3.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. I.M. Etman, J.F.W. Huinen en H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.