Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10456

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
C/03/212868 / FT RK 15/1574
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord afgewezen; slechts één schuldeiser

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Toezicht / insolventies

Zaaknummer: C/03/212868 / FT RK 15/1574

Uitspraakdatum 11 december 2015

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

In de zaak van

[verzoekster] [verzoekster], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen verzoekster,

advocaat mr. J.C.L. Verheijden, kantoorhoudende te Maastricht-Airport,

tegen

de naamloze vennootschap ING BANK N.V., als rechtsopvolger onder algemene titel van Westland/Utrecht Hypotheekbank N.V., gevestigd te Amsterdam,

verweerster, hierna te noemen: de bank.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Verzoekster heeft op 27 oktober 2015 - naast een verzoekschrift met bijlagen tot

toepassing van de schuldsaneringsregeling - een verzoekschrift ex art. 287a van de

Faillissementswet (Fw) ingediend.

1.2.

Het verzoek ex art. 287a Fw is behandeld ter terechtzitting van 4 december 2015

waarbij verzoekster, bijgestaan door mr. Y.H.M. Einig, vervangende mr. Verheijden

voormeld, is gehoord. De bank is niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Verzoekster heeft een restschuld aan de bank na een in 2014 plaatsgevonden hebbende gedwongen verkoop van de echtelijke woning. Deze restschuld beloopt EUR 206.832,64. De voormalig echtgenoot van verzoekster is hoofdelijk voor deze schuld verbonden.

2.2.

Verzoekster is sedert jaren werkzaam als secretaresse bij een advocatenkantoor. Zij heeft aldaar een dienstverband van 25 uur per week tegen een salaris van EUR 1.496,80 netto per maand, vermeerderd met vakantietoeslag en een tegemoetkoming in de reiskosten.

2.3.

De werkgever van verzoekster heeft zich bereid verklaard haar een lening te verstrekken om met de bank tot een schuldregeling te komen. Aanvankelijk wenste de werkgever een bedrag van EUR 8.500,- ter beschikking te stellen, welk bedrag later is verhoogd tot EUR 9.350,-. Ten slotte – nadat de bank had geweigerd daarmee in te stemmen – heeft verzoekster de bank aangeboden een bedrag van EUR 13.800,- tegen finale kwijting te voldoen. Dat bedrag zou haar ter beschikking worden gesteld uit de lening van de werkgever en een lening van een familielid. Ook dat aanbod heeft de bank evenwel van de hand gewezen.

2.4.

Verzoekster is niet in staat om de vordering van de bank ineens te voldoen.

2.5.

Stellende dat de weigering van de bank om op het laatstgenoemde aanbod in te gaan de belangen van verzoekster onevenredig schaadt en de bank misbruik maakt van haar positie, heeft verzoekster de rechtbank verzocht de bank te bevelen met dat aanbod in te stemmen en die uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met verwijzing van de bank in de kosten van het geding.

3 De beoordeling

3.1.

Art. 287a Fw beoogt te voorkomen dat personen in de wettelijke schuldsaneringsregeling terechtkomen die in het minnelijk traject in samenspraak met hun schuldeisers een regeling hadden kunnen treffen waarmee – huiselijk gezegd – nagenoeg alle partijen hadden kunnen leven. Nochtans is de vraag of de schuldsaneringsregeling voor een persoon openstaat, niet van belang voor de toetsing van het verzoek tot toepassing van de gedwongen schuldregeling.

3.2.

Het verzoek daartoe zal slechts kunnen worden toegewezen indien de weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de door de schuldenaar voorgestelde schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar en van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

3.3.

Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering van de bank, is haar belang bij weigering van die regeling gegeven.

3.4.

Een belangrijk gezichtspunt bij de beoordeling van een verzoek tot toepassing van de gedwongen schuldregeling wordt gevormd door de belangen van de schuldeisers die – anders dan de in het geding betrokken partij – wél met het door de schuldenaar gedane aanbod hebben ingestemd. Naar gelang de belangen van die schuldeisers meer gewicht in de schaal leggen – afhankelijk van hun aantal en de hoogte van hun vorderingen in verhouding tot de vordering van de weigeraar – zal er meer voor te zeggen zijn de weigerachtige schuldeiser te nopen toch met het aanbod in te stemmen. Het is niet zonder belang hiervan gewag te maken, want in de onderhavige zaak ontbreekt deze dimensie in de schuldregeling volledig. Verzoekster heeft immers maar één schuldeiser: de bank waartegen zich het onderhavige verzoek richt.

3.5.

Er worden dan ook geen belangen van anderen geschaad met de weigering van de bank om met het voorstel van verzoekster in te stemmen. Ontdaan van alle franje staat hier een schuldenaar tegenover zijn schuldeiser, ieder met zijn eigen belangen en beweegredenen. Het in het algemeen vermogensrecht verankerde beginsel van de contractvrijheid, treedt bij die stand van zaken pregnant naar voren. Dat beginsel omvat ook de vrijheid van de ene partij om niet op een aanbod van de ander in te gaan. Hiervan uitgaande, zijn de marges voor toewijzing van wat verzoekster in dit geding wenst smal.

3.6.

Daarbij komt, dat de bank weliswaar heeft geweigerd op een aantal door verzoekster achtereenvolgens gedane (verbeterde) voorstellen in te gaan, zoals door verzoekster met juistheid is betoogd, maar evenzeer moet worden vastgesteld dat de bank deze weigering gepaard heeft laten gaan van een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling. Ondanks daartoe door de bank (tot vijf maal toe) te zijn uitgenodigd, heeft verzoekster op dat punt geen voorstellen gedaan. Zij heeft zich geconcentreerd op het treffen van een finale regeling. De rechtbank kan zich evenwel voorstellen dat een redelijke betalingsregeling tegenover wellicht de bevriezing van de rente een door partijen in overweging te nemen mogelijkheid zou kunnen zijn. Verzoekster is met 45 jaar nog relatief jong, heeft geen andere schulden en zou in de toekomst wellicht haar werkzaamheden bij haar werkgever verder kunnen uitbreiden, dan wel anderszins kunnen trachten haar verdiencapaciteit te vergroten. De rechtbank kan tegen die achtergrond, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat van de bank wordt gevraagd 93% van haar vordering prijs te geven, niet overzien of het aangeboden bedrag het uiterste is waartoe verzoekster financieel in staat moet worden geacht.

3.7.

Het verzoek is, gelet op het vorenoverwogene, niet voor toewijzing vatbaar.

4 De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek tot het te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling af;

- verwijst de behandeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling naar een nader te bepalen zitting van deze rechtbank.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers, rechter, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 11 december 2015, in tegenwoordigheid van P.E.G. Bertrand, griffier.