Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10435

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
C/03/189380 / HA ZA 14-151
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoering van werk, nieuwbouw stadhuis gemeente Venlo, ernstig vertraagd. Vertraging is naar het oordeel van de rechtbank niet te wijten aan de door de aannemer gestelde onuitvoerbaarheid van het bestek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2016/104 met annotatie van J.H.J. Bax
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/189380 / HA ZA 14-151

Vonnis in hoofdzaak van 16 december 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BOUW & ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Sittard,

eiseres,

advocaten mrs. A. ter Mors en L.E.M. Haverkort,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VENLO,

zetelend te Venlo,

gedaagde,

advocaten mrs. J.D.E. van den Heuvel en M.G.G. van Nisselroij.

Partijen zullen hierna [A] en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de akte d.d. 9 april 2014 aan de zijde van [A] , waarbij de producties 8, 33 en 36 zijn overgelegd;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de brief aan de zijde van [A] , waarbij de producties 47 t/m 49 zijn overgelegd;

  • -

    de rolbeslissing van 25 juni 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 december 2014;

  • -

    de brief van 30 januari 2015 aan de zijde van de Gemeente, houdende een reactie op het proces-verbaal van comparitie;

  • -

    de brief van 3 maart 2015 aan de zijde van [A] , houdende een reactie op het proces-verbaal van comparitie;

  • -

    de brief van 17 maart 2015 aan de zijde van de Gemeente waarbij bezwaar is gemaakt tegen de wijze waarop [A] heeft gereageerd op het proces-verbaal van comparitie tevens houdende een aantal opmerkingen op genoemde reactie;

  • -

    het bericht van 19 oktober 2015 aan de zijde van de Gemeente waarbij een complete productielijst wordt overgelegd alsmede de producties 53 t/m 56

  • -

    het proces-verbaal van de descente/comparitie van 4 november 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het voorjaar van 2012 is de Gemeente een aanbestedingsprocedure gestart met betrekking tot de nieuwbouw van het stadskantoor te Venlo, waarbij het gunningscriterium was de laagste prijs. Tijdens de inlichtingenfase van genoemde aanbestedingsprocedure zijn de inschrijvers in de gelegenheid gesteld vragen te stellen. Dit heeft geresulteerd in een tweetal nota’s van inlichtingen. Op 9 maart 2012 vond de aanbesteding plaats.

Bij brief van 30 maart 2012 heeft de Gemeente aan [A] bericht dat de inschrijving van [A] was aangemerkt als de laagste inschrijving en dat de Gemeente voornemens is de opdracht te gunnen aan [A] .

Bij brief van 22 mei 2012 heeft de Gemeente aan [A] bericht dat de opdracht definitief aan [A] is gegund.

2.2.

Op 10 juli 2012 is de overeenkomst voor aanneming van werk voor het nieuwe stadskantoor inclusief parkeergarage door partijen getekend. Op deze overeenkomst zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (verder: UAV) van toepassing tenzij daarvan in de overeenkomst en/of in het bestek en/of de overige contractstukken uitdrukkelijk is afgeweken.

In artikel 1, lid 2 van deze overeenkomst is bepaald dat de aannemer het werk tot stand zal brengen en opleveren conform de bij de overeenkomst gevoegde bestekstukken, inclusief de 1e Nota van Inlichtingen d.d. 1 februari 2012 en de 2e Nota van Inlichtingen d.d. 22 februari 2012.
De aanneemsom bedraagt € 34.287.000,-- exclusief BTW.

In het bestek is opgenomen dat als datum van aanvang zal worden aangemerkt 8 juni 2012, of zoveel eerder als mogelijk en dat de oplevering dient te geschieden uiterlijk op 26 september 2014. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de aannemingsovereenkomst bedraagt de korting als bedoeld in paragraaf 42 lid 2 UAV € 5.000,- exclusief BTW per kalenderdag.

2.3.

De directie wordt namens de Gemeente gevoerd door BBN Adviseurs te Houten.

2.4.

Het hiervoor onder 2.2. genoemde bestek, bestaat uit vijf deelbestekken. Voor het onderhavige geschil zijn met name de deelbestekken 1 en 2 van belang en de bij deelbestek 2 behorende bijlage “resultaten grondonderzoek, funderingsadvies, advies grondkering en bemalingsadvies, opgesteld door Inpijn-Blokpoel d.d. 12-01-2012 met kenmerk VH-6108-C” (verder te noemen: rapport Inpijn-Blokpoel).

2.5.

[A] heeft bij de voorbereiding van de bouw onder andere Ballast Nedam infra en Volker Staat en Funderingen ingeschakeld.

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te verklaren voor recht dat [A] recht heeft op termijnverlenging in verband met de in de dagvaarding onder A t/m E aan de orde gekomen omstandigheden gedurende 184 werkdagen, althans gedurende het aantal werkdagen dat de rechtbank redelijk acht;

  • -

    te verklaren voor recht dat [A] aanspraak heeft op vergoeding van stagnatieschade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de desbetreffende schade is geleden, althans vanaf de datum van de dagvaarding vanwege de omstandigheden A t/m E als genoemd in de dagvaarding;

  • -

    de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de Gemeente te veroordelen tot betaling van de nakosten tot een bedrag van € 131,-, dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, tot een bedrag van € 199,-, waarbij betaling dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis respectievelijk binnen veertien dagen na dagtekening van de betekening, bij gebreke waarvan de Gemeente de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd is over de proceskosten en nakosten tot aan de dag van volledige betaling;

  • -

    althans zodanig uitspraak te doen als de rechtbank juist acht.

3.2.

De Gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[A] stelt zich op het standpunt dat ten gevolge van omstandigheden die in de risicosfeer van de Gemeente liggen de uitvoering van het werk ernstig is vertraagd en dat [A] dientengevolge recht heeft op verlenging van de termijn en vergoeding van vertragingsschade. Hiertoe stelt [A] het volgende.

4.2.

Op grond van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst, waarop de UAV van toepassing zijn, rust op [A] de verplichting het werk tijdig te realiseren conform het ontwerp van de Gemeente, terwijl op de Gemeente de verplichting rust [A] in staat te stellen haar contractuele verplichtingen na te komen. Zo is de Gemeente er verantwoordelijk voor dat [A] tijdig kan beschikken over de benodigde tekeningen en gegevens om het werk tot stand te kunnen brengen. De Gemeente draagt voorts de verantwoordelijkheid voor de door of namens haar voorgeschreven constructies en werkwijzen, daaronder begrepen de invloed die daarop door de bodemgesteldheid wordt uitgeoefend. Vertragingen door onvolkomenheden in het ontwerp zijn voor rekening en risico van de gemeente. Volgens [A] is de Gemeente haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst jegens haar niet nagekomen. De Gemeente heeft een niet voldragen en deels niet uitvoerbaar ontwerp aan [A] opgedragen, hetgeen heeft geleid tot een aanzienlijke vertraging in de uitvoering.

[A] onderscheidt in de dagvaarding een vijftal vertragingsoorzaken, te weten:

  1. ontwerp verankering diepwanden onvolkomen en/of deels onuitvoerbaar, niet tijdige verstrekking (gewijzigde ontwerp)gegevens;

  2. ligging werkterrein en diepwanden anders dan bestek (A en B samen 151 werkdagen);

  3. obstakels in grond tijdens ontgraven diepwanden (2 werkdagen);

  4. arseenverontreiniging in bouwkuip (21 werkdagen);

  5. eerder in het natte ontgraven vanwege gewijzigde verankering diepwanden (vertraging: 10 werkdagen).

De Gemeente is van mening dat het door haar gehanteerde bestek uitvoerbaar was en dat er geen aanleiding is om wijzigingen in het bestek door te voeren.

Kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt is derhalve het antwoord op de vraag of het door de Gemeente gehanteerde bestek uitvoerbaar was. Aan de hand van de hiervoor onder A t/m E door [A] genoemde vertragingsoorzaken, welke de rechtbank puntsgewijs zal bespreken, zal de rechtbank hier nader op ingaan.

A. Ankerontwerp/niet tijdig verstrekken gewijzigde ontwerp gegevens

4.3.

Het werk diende aan te vangen met de realisering van een bouwkuip, welke aan vier zijden diende te worden omgeven door zogenaamde diepwanden, zijnde in de grond gevormde gewapende betonnen wanden. Hier ligt het eerste geschilpunt tussen partijen. [A] stelt zich op het standpunt dat het aanwezige rapport Inpijn-Blokpoel ontoereikend was om de diepwand te kunnen engineeren. [A] was van mening dat er aanvullend geotechnisch grondonderzoek nodig was om de uitgangspunten van de hoofddraagconstructie te onderbouwen c.q. vast te stellen. [A] heeft dit onder andere bij brief van 8 mei 2012 kenbaar gemaakt aan de directievoerder van de Gemeente (zie productie 13 bij dagvaarding).

4.4.

Hoewel de Gemeente zich op het standpunt stelde en zich nog steeds op het standpunt stelt dat aanvullend grondonderzoek niet nodig was, is - geheel onverplicht aldus de Gemeente en om vertraging te voorkomen - opdracht gegeven aan Inpijn-Blokpoel tot een aanvullend grondonderzoek. De resultaten van dit aanvullend onderzoek waren op 6 juli 2012 bekend. [A] heeft gesteld dat uit de verkregen gegevens van het aanvullende onderzoek is gebleken dat deze gegevens nodig waren om met de engineering te kunnen beginnen. De gemeente heeft zulks betwist en heeft bovendien aangevoerd dat door middel van de in het bestek voorziene proefbelasting voldoende informatie had kunnen worden verkregen omtrent de draagkracht van de bodem.

4.5.

Door [A] is onvoldoende weersproken dat de methode van proefbelasting om antwoord te krijgen op de vraag of de bodem voldoende draagkrachtig is niet deugelijk zou zijn. Deze methode heeft nu echter niet hoeven plaats te vinden omdat de resultaten van het - door de Gemeente bekostigde - aanvullend onderzoek alsnog de benodigde informatie heeft verschaft. Niet echter is gebleken dat de in het bestek voorziene methode een niet uitvoerbare methode is en dat er daadwerkelijk nader grondonderzoek nodig was om tot vaststelling over te gaan van de uitgangspunten van de hoofddraagconstructie. Bovendien is onvoldoende betwist door de Gemeente aangevoerd dat het qua benodigde tijd niet uitmaakt welke van de beide methodes wordt gebruikt. Uit het vorenstaande vloeit voort dat, er op deze grond geen sprake is van enige vertraging in het bouwproces welke voor rekening van de Gemeente dient te komen. Derhalve kan hierin geen aanleiding worden gevonden om tot de conclusie te komen dat [A] enige termijnverlenging toekomt.

4.6.

Voorts stelt [A] dat het door de Gemeente aan [A] opgedragen ontwerp onuitvoerbaar is ter zake de diepwandverankering. Het ontwerp van de Gemeente voorzag in de verankering van de diepwand met behulp van twee rijen boven elkaar gelegen groutankers, waarbij de eerste rij diende te worden verankerd in de zandgrindlaag tussen circa NAP +10 en NAP +5 en de tweede ankerrij in de diepe zandgrindlaag vanaf -7 NAP. Deze rijen groutankers dienden op basis van het bestek door middel van een zogenaamd dubbel verbuisd boorsysteem te worden gerealiseerd.

De conclusie dat het ontwerp op dit punt onuitvoerbaar is kan, aldus [A] , worden getrokken uit de uit de aanvullende sonderingen verkregen informatie. Met name ter plaatse van de tweede laag groutankers blijken de conuswaarden te hoog te zijn om de besteksmatig voorgeschreven groutankers toe te passen. Dit wordt voor het eerst in een e-mail van de heer [C] aan de directievoerder, de heer [B] , d.d. 19 juli 2012 naar voren gebracht.

Tengevolge hiervan kon, aldus [A] , de engineering niet direct na gunning van het werk opgestart worden, hetgeen een flinke stagnatie tot gevolg heeft gehad. Uiteindelijk heeft het tot 3 januari 2013 geduurd voordat de Gemeente de als gevolg van de hogere conusweerstand in de diepere lagen noodzakelijke bestekswijzigingen heeft opgedragen. Pas op dat moment had [A] de beschikking over alle gewijzigde ontwerpuitgangspunten en startte de contractuele verplichting om de werkvoorbereiding (vervaardigen statische berekeningen en tekeningen) van de diepwandrealisatie te starten. Nu de Gemeente verantwoordelijk is voor het ter beschikking stellen van een deugdelijk en uitvoerbaar ontwerp is zij ook verantwoordelijk voor de vertraging die is ontstaan vanwege het tot 3 januari 2013 ontbreken van een dergelijk ontwerp.

4.7.

De Gemeente voert aan dat in de aannemingsovereenkomst is bepaald dat [A] het werk tot stand dient te brengen en op te leveren conform het bestek. Dit bestek is deugdelijk en maakbaar. Het door [A] opgeworpen geschil dat betrekking heeft op de uitvoeringswijze van de ankers, ligt evenwel in het domein van de aannemer en behoort derhalve tot haar verantwoordelijkheid. Door de gemeente wordt ontkend dat de verankering zoals voorzien in het bestek niet maakbaar was. Dat uiteindelijk is gekozen voor de door [A] voorgestelde oplossing voor wat betreft de ankerrij, zoals onder andere verwoord in de e-mail van de heer [B] aan [A] d.d. 28 september 2012, wil geenszins zeggen dat er sprake was van een niet maakbaar ontwerp. Deze oplossing behelsde een enkele ankerrij aan de Veilingstraat en de Molensingel en een dubbele ankerrij aan de zijde van de Professor Gelissensingel en de Eindhovenseweg. Tevens worden de ankkerrijen op een andere hoogte aangebracht dan voorzien in het bestek (een en ander is schematisch weergegeven in productie 44 bij CvA).

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat uiteindelijk voor wat betreft de verankering is gekozen voor een uitvoering welke afwijkt van hetgeen in het bestek daaromtrent is opgenomen. De vraag is echter in hoeverre dit heeft gezorgd voor een vertraging en als er sprake is van vertraging voor wiens rekening en risico deze dient te komen. De rechtbank begrijpt dat de wijze waarop de verankering thans, in afwijking van het bestek, daadwerkelijk is uitgevoerd op zichzelf niet tot enige (noemenswaardige) vertraging heeft geleid.

De vertraging welke is ontstaan zou met name gelegen zijn in het traject naar de wijziging toe, waarbij [A] zich op het standpunt heeft gesteld dat de in het bestek voorziene verankering niet uitvoerbaar was omdat er én onvoldoende grondonderzoek is uitgevoerd in de bestekfase, tengevolge waarvan er geen detailontwerp kon worden opgesteld voordat de resultaten van het aanvullend grondonderzoek beschikbaar waren én omdat uit deze aanvullende resultaten kon worden afgeleid dat er een groot risico bestond dat de verankering zoals voorzien in het bestek niet op diepte kon worden gebracht. Ter staving van deze stelling heeft [A] nog een drietal rapportages in het geding gebracht, te weten de rapportage van Witteveen+Bos d.d. 2 december 2014, de rapportage van Deltares d.d. 14 november 2014 en de rapportage van Crux Engineering BV d.d. 3 december 2014.

De gemeente is van mening dat de in het bestek voorziene verankering wel uitvoerbaar was en wijst daartoe onder andere op de door ABT op 9 oktober 2015 uitgebrachte rapportage. De gemeente heeft echter betoogd dat de desondanks doorgevoerde wijziging in het bestek uiteindelijk in onderling overleg tot stand is gekomen, zonder dat zij daarbij de conclusie van [A] heeft onderschreven dat het bestek niet uitvoerbaar was op dit punt. Hierbij heeft de gemeente uitvoerig betoogd dat zij vanaf het moment van gunning alles in het werk heeft gesteld om met [A] in gesprek te komen over de uitvoering van het project maar dat zulks door omstandigheden te wijten aan [A] pas in een (te) laat stadium gestalte heeft gekregen.

4.9.

De gemeente heeft in dit kader de gang van zaken geschetst zoals deze heeft plaatsgevonden vanaf juli 2012 tot aan de feitelijke start van de bouw. De rechtbank zal deze gang van zaken, door [A] niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, kort samenvatten.

Nadat de resultaten van het aanvullend grondonderzoek door Inpijn-Blokpoel bekend waren geworden heeft [A] , zoals hiervoor in 4.6 al geconstateerd, bij e-mail van 19 juli 2012 aangegeven van mening te zijn dat het uitvoeringstechnisch praktisch onmogelijk is om de tweede ankerlaag door middel van een dubbel verbuisd boorsysteem aan te brengen (zie productie 27 CvA). In een brief van gelijke datum bevestigt Ballast Nedam deze conclusie (productie 28 CvA). In deze brief wordt voorts gesteld dat, alvorens verder te kunnen met de engineering, Ballast Nedam zo spoedig mogelijk in gesprek wil met de Gemeente om de vernemen hoe een en ander en nog mogelijke nieuwe te constateren afwijkingen opgelost kunnen worden door middel van planwijzigingen.

De Gemeente heeft vervolgens, onvoldoende gemotiveerd betwist door [A] , aangegeven dat zij vanaf dat moment herhaaldelijk bij [A] aan heeft gedrongen op onmiddellijk overleg over onder andere de van het bestek afwijkende uitwerkingen, zodat op 3 september 2012 de werkzaamheden zouden kunnen aanvangen volgens de planning van Ballast Nedam Funderingstechniek. In verband met de bouwvak en de aansluitende vakantie van VSF is dit echter niet geschied.

De Gemeente heeft haar zorgen over de voortgang van het project vervolgens verwoord in een brief van 9 augustus 2012 (productie 30 bij CvA) aan [A] . In deze brief wordt onder andere geconstateerd dat [A] onder andere in verband met vakantieverplichtingen niet bereikbaar is. De brief wordt afgesloten met de mededeling dat er van uit wordt gegaan dat voor 1 september 2012 een volledige uitvoeringsplanning ontvangen is en dat de werkzaamheden conform deze planning voortvarend worden opgepakt.

Bij brief van 7 september 2012 maakt [A] aanspraak op termijnverlenging. Tevens stelt zij in deze brief een aantal zaken aan de orde welke volgens haar oorzaak zijn van het feit dat de gang van zaken tot dat moment niet volgens planning loopt. Genoemd worden in dit verband de volgende onderwerpen: de niet tijdige gegevensverstrekking aan de zijde van de Gemeente, het onvolledige ontwerp (m.n. het geotechnisch onderzoek) en afwijkingen tusen bestek en feitelijke situatie.

Uiteindelijk wordt tussen partijen op 27 september 2012 overeenstemming bereikt over de uitvoering van de bouwkuip volgens de door [A] voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de ankerrij. Deze overeenstemming wordt bevestigd in een e-mail van 28 september 2012 van de heer [B] aan onder andere de heer [C] .

4.10.

De rechtbank constateert dat tussen partijen een tijd lang een debat is gevoerd over de vraag op welke wijze de ankerrijen uitgevoerd moeten worden. Uiteindelijk hebben partijen hierover overeenstemming bereikt zonder dat concreet antwoord is gegeven op de vraag of het bestek op dit punt al dan niet uitvoerbaar was. [A] stelde van niet en de Gemeente stelde van wel. [A] stelt zich thans in dit verband op het standpunt dat pas op 3 januari 2013 door de Gemeente is ingestemd met de laatste bestekwijziging en [A] derhalve pas op dat moment de beschikking had over alle gewijzigde ontwerpuitgangspunten. Hieruit vloeit voort, aldus [A] , dat ook pas op dat moment de contractuele verplichting bestond om over te gaan tot het vervaardigen van de statische rekeningen en tekeningen van de diepwandrealisatie. De hieruit voortvloeiende vertraging dient derhalve voor rekening van de gemeente te komen.

De Gemeente is van mening dat, los van het antwoord op de vraag of het bestek al dan niet uitvoerbaar was, welk standpunt de Gemeente overigens nog steeds is toegedaan, dat al veel eerder dan 3 januari 2013 uitsluitsel is gegeven aan [A] over de uit te voeren ankerrijen. Ook zijn de gegevens welke [A] zei nodig te hebben al veel eerder aangeleverd. [A] heeft echter van aanvang af het project onvoldoende voortvarend opgepakt, waardoor in de beginfase al een aanzienlijke vertraging is ontstaan welke geheel en al te wijten is aan [A] .

4.11.

De rechtbank constateert dat aan Inpijn-Blokpoel begin juni 2012 opdracht is gegeven voor het verrichten van aanvullend grondonderzoek. Op 6 juli 2012 worden de eerste resultaten van het aanvullend onderzoek besproken tijdens de 3e coördinatievergadering. Deze worden die dag ook per mail aan [A] toegezonden. Per e-mail van 12 juli 2012 worden de uitgewerkte resultaten van het aanvullend grondonderzoek aan [A] toegezonden. De gemeente heeft onvoldoende gemotiveerd betwist aangevoerd dat [A] hiermee over alle gegevens beschikte waarover [A] wenste te beschikken om tot berekening van de uit te voeren ankerrijen over te gaan. [A] had derhalve vanaf dat moment alle door haar gewenste gegevens voorhanden om voortvarend te werk te gaan. Uiteindelijk is echter het daarvoor benodigde overleg met de Gemeente c.q. haar directievoerder pas in september 2012 op gang gekomen. Dit overleg had vervolgens vrij snel tot resultaat dat door de directievoerder het groene licht werd gegeven voor de uitvoering van de ankerrijen zoals thans is geschied.

De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de gedingstukken en het over en weer gestelde door partijen, aan [A] is te wijten dat het benodigde overleg zo laat op gang is gekomen. De gemeente heeft genoegzaam en onvoldoende betwist aangetoond dat gedurende de zomerperiode van 2012 [A] niet of nauwelijks beschikbaar was voor overleg omtrent de door [A] opgeworpen vraagpunten. Dit klemt temeer nu [A] vanaf aanvang van het project bekend was met de datum waarop het project opgeleverd diende te worden en zelfs, nadat [A] te kennen had gegeven dat er aanvullend grondonderzoek moest plaatsvinden, zij tot ondertekening van de aannemingsovereenkomst is overgegaan zonder op enigerlei wijze aan te gemeente kenbaar te maken dat de datum van 26 september 2014 moeilijk dan wel niet haalbaar zou zijn. Eerst in september 2012 maakt [A] voor het eerst aanspraak op termijnverlenging.

Gelet op het hiervoor vermelde is de rechtbank van oordeel dat het antwoord op de vraag of het bestek uitvoerbaar was minder relevant is. Immers in een vroeg stadium was de Gemeente bereid in overleg te treden met [A] en waren partijen (in ieder geval eind september 2012) het er over eens dat de ankerrijen afwijkend van het bestek konden worden uitgevoerd en op welke wijze dit diende te geschieden. De hiertoe door [A] benodigde gegevens waren al in een veel eerder stadium beschikbaar en gebleken is dat de onderaannemer reeds in juni 2012 berekeningen heeft aangeleverd waarbij met de gewijzigde verankering werd gewerkt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [A] zich niet kan beroepen op de datum 3 januari 2013, temeer niet omdat zij onvoldoende heeft aangetoond dat de gegevens welke in ieder geval vanaf eind juni 2012 beschikbaar waren gesteld aan [A] onvoldoende waren om de vereiste berekeningen en tekeningen op te stellen. Integendeel, nog voordat de aanvullende gegevens uit het aanvullend grondonderzoek bekend waren, waren namens [A] al, zoals hiervoor vermeld, berekeningen aangeleverd waarbij uitgegaan werd van een gewijzigde verankering. De opgetreden vertraging is dus, los van het antwoord op de vraag of een bestek wijziging daadwerkelijk nodig was, te wijten aan de onvoldoende voortvarende werkwijze van [A] . Indien [A] op het moment dat zij van mening was dat de verankering niet kon worden aangebracht zoals in het bestek voorzien en de Gemeente bereid was in gesprek te gaan met [A] over een van het bestek afwijkende oplossing, direct actie had ondernomen, dan was de thans door [A] geclaimde vertraging, althans het tegendeel is niet aangetoond, niet opgetreden.

4.12.

Met inachtneming van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgetreden vertraging te wijten is aan [A] en niet aan de Gemeente.

B. Ligging werkterrein en diepwanden anders dan bestek

4.13.

[A] stelt dat na gunning van het werk is gebleken dat de hoogtemaatvoering en situering van de bouwput, de te realiseren diepwanden en de omgeving in werkelijkheid anders was dan in de besteksdocumenten was aangegeven. Hierbij gaat het om de diepwanden langs de Prof. Gelissensingel en de Eindhovenseweg. Bij het uitzetten van de bouwkuip bleek het niveau van het terrein op plaatsen hoger dan in het bestek aangegeven en bleek de in het bestek aangegeven uitvoering van de werkruimte van twee meter buiten de bouwkuip niet te realiseren. In haar brief van 19 juli 2012 heeft [A] gewezen op de gevolgen van de verschillen tussen de besteksuitgangspunten en de werkelijke situatie. De Gemeente kwam echter niet met een oplossing maar ontkende verantwoordelijk te zijn. Hierdoor is kostbare tijd verloren gegaan.

4.14.

De Gemeente bestrijdt dat [A] op grond van het bestek aanspraak kon maken op een werkruimte van twee meter naast de diepwanden. [A] heeft gekeken naar het schema in het fundatieadvies van Inpijn-Blokpoel, maar dit schema betreft slechts een modellering die de werkelijkheid relatief sterk schematiseert. [A] had hier echter niet op af mogen gaan, maar had zich dienen te laten leiden door de besteksbepaling en de tekening die tijdens de 2e inlichtingenronde aan de inschrijvers is verstrekt (productie 47 bij CvA). Dit is ook medegedeeld aan [A] bij e-mail van 15 augustus 2012 (productie 48 bij CvA).

Bovendien wijst de Gemeente er op dat de door [A] geschetste problemen niet hebben geleid tot enige vertraging zoals zij zelf ook aangeeft in de dagvaarding nu uiteindelijk in overleg met de directievoerder is gekozen voor een hogere diepwand, waardoor de werkruimte van twee meter niet benodigd was en het ook niet nodig was een zogenaamde Berliner wand te plaatsen. Deze oplossing was ook al ruim besproken voor 3 januari 2013 en heeft derhalve niet tot enige vertraging geleid.

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank wijst de gemeente terecht op hetgeen hieromtrent is opgenomen in de 2e nota van inlichtingen, waar inderdaad wordt verwezen naar een tekening voor wat betreft de aan te treffen situatie bij de start van de bouw. Het gaat hier om de als productie 44 bij de CvA gevoegde tekening, waar de feitelijke situatie duidelijk aangegeven staat. [A] had dan ook bij inschrijving behoren te weten hoe de feitelijke situatie was en dat het maar zeer de vraag was of er een werkruimte van twee meter + drie meter (werkruimte + talud en Berliner wand) beschikbaar was. Voor zover hier al enige vertraging uit is voortgevloeid komt zulks dan ook voor rekening en risico van [A] .

Voorts heeft [A] niet aangetoond dat er ook daadwerkelijk een afzonderlijke vertraging is ontstaan door deze door [A] opgeworpen complicatie. Immers bij aanvang van de realisatie van de diepwanden was tussen partijen al overeenstemming bereikt hoe een en ander kon worden opgelost, te weten door het plaatsen van een hogere diepwand. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien hoe het ontbreken van de werkruimte tot enige afzonderlijke vertraging heeft geleid.

Dit betekent dat ook op deze grond [A] geen recht toekomt op verlenging van de termijn.

C. Obstakels in grond tijdens ontgraven diepwanden

4.16.

[A] stelt dat zij tijdens het ontgraven van de diepwanden op puinresten is gestuit in de grond waarvan zij de aanwezigheid op basis van de door de Gemeente ter beschikking gestelde gegevens niet op hoefde te rekenen. Hierdoor heeft [A] twee werkdagen extra nodig gehad voor de diepwandontgraving, welke vertraging in de risicosfeer van de Gemeente ligt. Het terzake ingediende verzoek tot meerwerk is door de Gemeente goedgekeurd.

4.17.

De rechtbank is van oordeel, zoals door de Gemeente aangevoerd, dat bij ontgravingswerkzaamheden als hier aan de orde obstakels kunnen worden verwacht. Een aannemer hoort daar binnen redelijke grenzen rekening mee te houden. Deze redelijke grenzen zijn hier, het gaat om maximaal twee dagen (of één dag zoals de Gemeente heeft aangevoerd), niet overschreden. Ook hierin is derhalve geen reden gelegen om tot enige verlenging van de termijn te komen.

D. Arseenverontreiniging in de bouwkuip

4.18.

Tussen partijen is niet in geding dat de af te voeren grond uit de bouwkuip met arseen was verontreinigd. De gemeente is echter van mening dat hierin geen reden is gelegen om tot verlenging van de termijn over te gaan. Zij voert hiertoe aan dat er geen milieutechnische belemmering was om het graven te continueren. Evenmin was er sprake van een vervoersverbod. De grond had derhalve zonder problemen kunnen worden afgevoerd naar een gronddepot waar de grond onderzocht had kunnen worden op eventuele verdere verontreiniging. Dit is door de directievoerder bij e-mail van 21 mei 2013 ook medegedeeld aan [A] . Desondanks heeft [A] tot 6 juni 2013 gewacht alvorens verder te gaan met ontgraven.

Nu dit verweer van de Gemeente door [A] verder niet is weersproken, noch ter comparitie van 18 december 2014 noch ter comparitie van 4 november 2015, zal de rechtbank de stellingen ter zake van [A] passeren.

E. Eerder in het natte ontgraven vanwege gewijzigde verankering diepwanden

4.19.

[A] stelt dat zij door de gewijzigde ontwerpuitgangspunten betreffende de verankering van de diepwanden genoodzaakt was eerder water in de bouwput te brengen. Hierdoor moest [A] eerder in het natte ontgraven, waarmee een extra uitvoeringsperiode gemoeid is geweest van 10 werkdagen.

De gemeente betwist dat met het eerder in het natte ontgraven 10 extra werkdagen zijn gemoeid. Het eerder in het natte ontgraven is een gevolg van het aanbrengen van een enkele ankerrij in plaats van een dubbele ankerrij aan de zijde van de Molensingel en de Veilingstraat. Zij heeft berekend dat in dit geval circa 2100 m3 meer is ontgraven in het natte dan het geval zou zijn geweest indien een dubbele ankerrij zou zijn toegepast. Dit betekent, uitgaande van het gegeven dat in het natte circa 600 m3 per dag minder wordt ontgraven dan bij het ontgraven in een droge bouwkuip er maximaal drie extra dagen waren benodigd. Bovendien, aldus de gemeente, staat daar tegenover dat door het toepassen van een enkele ankerrij in plaats van een dubbele ankerrij er vijf dagen tijdwinst is geweest.

[A] komt ook op deze grond geen termijnverlenging toe.

4.20.

Ook dit in de conclusie van antwoord gevoerde verweer van de Gemeente is door [A] in het verdere verloop van de procedure niet weersproken. De rechtbank zal dan ook deze stelling als onvoldoende onderbouwd passeren.

4.21.

Samenvattend komt de rechtbank tot de conclusie dat aan [A] geen recht toekomt op de door haar aangevoerde gronden op een verlenging van de termijn. De vorderingen van [A] zullen dan ook worden afgewezen.

4.22.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.964,00

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [A] in de kosten, aan de zijde van de tot op heden begroot op € 1.964,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.1

1 type: HV coll: