Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10417

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
c/03/212470 KG ZA 15-540
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing beslag, artikel 705 Rv. Niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag gebleken. Niet aannemelijk dat het verslag van het gesprek bij de Deken van de Orde van Advocaten geen vastlegging van afspraken behelst. Belang van gedaagde om verhaal veilig te stellen, prevaleert boven belang eiser; geen repeterend beslag, niet aannemelijk dat praktijkuitoefening door beslag onmogelijk wordt gemaakt en risico onmogelijkheid van verhaal vanwege hoger beroepszaak schrapping tableau. Ten aanzien van overige vorderingen geldt dat deze onvoldoende gemotiveerd zijn onderbouwd dan wel dat het spoedeisend belang niet is gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C03/212470 KG ZA 15-540

Vonnis in kort geding van 9 december 2015

in de zaak van:

[eiser],

wonend [adres 1] ,

[woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. W. Albers,

tegen:

[gedaagde],

wonend [adres 2] ,

[woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.H.I. Hundscheid.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 november 2015

  • -

    de e-mail van 18 november 2015 aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de akten overlegging producties aan de zijde van [eiser]

  • -

    de e-mail van 23 november 2015 aan de zijde van [eiser]

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 november 2015, waar beide partijen zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht, [gedaagde] aan de hand van

een overgelegde pleitnota

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is van 1 januari 2003 tot een niet nader door partijen omschreven datum werkzaam geweest als advocaat ten kantore van ‘ [naam] Advocaten’ aan de [adres 3] . [gedaagde] is daar thans nog werkzaam als advocaat.

2.2.

Als gevolg van een schorsing in zijn beroepsuitoefening heeft [eiser] in de periode van 3 november 2012 tot en met 12 april 2013 zijn beroep als advocaat niet kunnen uitoefenen.

2.3.

In voornoemde periode heeft [gedaagde] , al dan niet met instemming van [eiser] , de praktijk van [eiser] waargenomen. Daartoe heeft [gedaagde] onder andere cliënten en

dossiers van [eiser] overgenomen, werkzaamheden gedeclareerd en - via de Raad voor Rechtsbijstand - toevoegingen op zijn naam gemuteerd.

2.4.

Op 31 maart 2014 heeft [eiser] 56 klachten tegen [gedaagde] ingediend bij de Deken van de Orde van Advocaten. Naar aanleiding van deze klachten hebben op 19 juni en 1 december 2014 besprekingen plaatsgevonden tussen, onder andere, de Deken, [eiser] en [gedaagde] .

2.5.

In het verslag dat is opgemaakt van de bespreking van 1 december 2014 is, voor zover relevant, het navolgende opgenomen:

“Tussen mr. [eiser] , mr. [gedaagde] en (…) is integrale overeenstemming bereikt over de (financiële) afwikkeling in verband met het vertrek van mr. [eiser] bij [naam] Advocaten.

Kantoorpand:

(…)

Waarnemingsvergoeding:

Aan mr. [gedaagde] komt voor de waarneming van de praktijk van mr. [eiser] toe een bedrag van

€ 23.958,00 inclusief BTW, exclusief BTW bedragend € 19.800,00. Dat bedrag is gebaseerd op een uurvergoeding van € 75,00 exclusief BTW en er wordt uitgegaan van 264 uren waarneming door

mr. [gedaagde] .

Mr. [eiser] en mr. [gedaagde] zullen hedenmiddag op het kantoor van mr. [eiser] de 18 toevoegingen, die genoemd zijn in de fax van mr. [gedaagde] (…), aan de hand van “Mijn RvR” bij

mr. [eiser] op kantoor nalopen.

Mocht daarbij blijken, dat die toevoegingen geheel of gedeeltelijk nog op naam staan van

mr. [gedaagde] , dan zal die een (…) mutatieformulier invullen, zodat mr. [eiser] die toevoegingen kan declareren.

Mocht bij het doorlopen van die toevoegingen blijken, dat er al toevoegingen zijn uitbetaald aan

mr. [gedaagde] , dan zal mr. [gedaagde] bewijsstukken van de betaling aan mr. [eiser] overleggen en het daarmee corresponderende bedrag betalen door middel van verrekening.

Overgenomen cliënten:

Mr. [eiser] zal de schriftelijke verklaringen van de door mr. [gedaagde] van mr. [eiser] overgenomen cliënten met mr. [gedaagde] doorlopen en mr. [gedaagde] zal nagaan voor welke van die cliënten hij werkzaamheden heeft verricht. Van de daarvoor ontvangen vergoedingen, waarvan

mr. [gedaagde] mr. [eiser] een bewijsstuk zal overleggen, zal mr. [gedaagde] 25% betalen aan

mr. [eiser] .

Gebruiksvergoeding kantoor:

(…)

Beroepsaansprakelijkheidsverzekering:

(…)

Verdeelsleutel secretaresse ( [naam secretaresse] )

Mr. [eiser] stelt dat er een schriftelijke overeenkomst is met betrekking tot de verdeelsleutel van die secretaresse over de periode augustus 2012 tot 1 april 2013. Mr. [gedaagde] betwist dat en zegt dat hij van mr. [eiser] een nota heeft ontvangen van ± € 500,00 en dat die nog betaald moet worden.

Afgesproken wordt dat mr. [eiser] de schriftelijke overeenkomst zal overleggen en dat op basis daarvan afrekening plaatsvindt, als die afwijkt van de declaratie die mr. [eiser] aan mr. [gedaagde] heeft gezonden.

Rovers/Kem:

(…)

Cessie

Mr. [gedaagde] en mr. [eiser] zullen vanmiddag een cessieovereenkomst sluiten tot zekerheid van de betaling door mr. [eiser] van het uiteindelijk door ham aan mr. [gedaagde] verschuldigde bedrag. Die cessie betreft 18 toevoegingen en, voor zoveel nodig, de door mr. [gedaagde] reeds ter zake ontvangen vergoedingen van de Raad, die immers aan mr. [eiser] toekomen. Die cessie dient tot zekerheid voor de uiteindelijke betaling door mr. [eiser] , nadat is vastgesteld wat hij nog verschuldigd is.

Kantoorbijdrage:

(…)

Betaling partijen

Partijen zullen op zo’n korte mogelijke tijd berekenen welk bedrag mr. [eiser] aan mr. [gedaagde] en aan (…) verschuldigd is. Zodra dat bedrag vaststaat dient mr. [eiser] binnen 1 maand daarna het aan mr. [gedaagde] en (…) toekomende bedrag te betalen, bij gebreke waarvan mr. [gedaagde] van zijn cessierecht gebruik mag maken.

Deken

De Deken vraagt of dit alle geschilpunten zijn, hetgeen partijen bevestigen. Na uitvoering hiervan hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen. (…).”

2.6.

Op 31 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht aan [gedaagde] verlof verleend voor het leggen van conservatoire derdenbeslagen.

2.7.

Op 3 augustus 2015 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] conservatoire derden-beslagen laten leggen onder de publiekrechtelijke rechtspersoon ‘Raad voor Rechtsbijstand’ en de coöperatie ‘Coöperatieve Rabobank Westelijke Mijnstreek U.A.’, op alle voor zodanig beslag vatbare gelden, geldswaarden, vorderingen, waardepapieren en/of roerende zaken als in de overgelegde processen-verbaal van beslaglegging omschreven (producties 7 en 8 bij akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagde] ).

3 Het geschil

3.1.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt vordert [eiser] - na vermindering van eis - dat de voorzieningenrechter [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen:

  1. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het onder de coöperatie ‘Coöperatieve Rabobank Westelijke Mijnstreek U.A.’ gelegde conservatoir derdenbeslag (rekeningnummer [rekeningnummer] ) op te heffen;

  2. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het onder de publiekrechtelijke rechtspersoon ‘Raad voor Rechtsbijstand’ gelegde conservatoir derdenbeslag (afdeling uitbetalingen toevoegingen) op te heffen;

  3. tot het verschaffen van toegang tot het internet account ‘ [internet account] ’;

  4. tot het bij de ‘Raad voor Rechtsbijstand’ op naam van [eiser] muteren van de bij productie 13 overgelegde 29 toevoegingen;

  5. tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met voldoening aan de vorderingen onder sub a. tot en met d., met een maximum van

€ 1000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen maximum;

tot betaling van een bedrag van € 13.500,- aan door [gedaagde] toegeëigende gelden;

tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan door de bank bij [eiser] in rekening gebrachte kosten;

tot betaling van de proceskosten en de nakosten, de nakosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Aan zijn vorderingen zoals weergegeven onder 3.1. sub a., b. en g. legt [eiser] allereerst ten grondslag dat de beslagen vexatoir en onnodig zijn en daarom als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Door de beslagen wordt [eiser] zodanig in zijn praktijk-uitoefening belemmerd dat dit zowel zakelijk als privé tot financiële problemen leidt, dit terwijl de angst voor verduistering vanwege het schrappen van [eiser] als advocaat niet reëel is, nu de hoger beroepszaak hieromtrent nog loopt. Onder deze omstandigheden vormt instandhouding van de gelegde beslagen voor [eiser] dan ook een onevenredig groot nadeel in verhouding tot het met het beslag te dienen belang. Daarnaast legt [eiser] aan zijn vordering tot opheffing van de beslagen en de hierdoor ontstane schade ten grondslag dat het door [gedaagde] ingeroepen recht, ter verzekering waarvan de beslagen zijn gelegd, ondeugdelijk is.

Aan zijn vorderingen zoals weergegeven onder 3.1. sub c., d. en f. heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op onrechtmatige wijze is overgegaan tot het overnemen van cliënten/dossiers van [eiser] , tot het declareren van werkzaamheden en het toe-eigenen van gelden die in dit verband zijn voldaan op de (derden)rekening op naam van [eiser] , tot het muteren van verleende toevoegingen en tot het blokkeren van het zakelijke internet account van [eiser] . Er is nimmer opdracht gegeven tot het verrichten van deze hande-lingen en evenmin is op enige andere wijze toestemming gegeven, aldus [eiser] .

3.3.

[gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Overlegging producties

4.1.

Bij akten overlegging producties heeft [eiser] producties in het geding gebracht. [gedaagde] heeft verzocht om de producties 13 tot en met 16 buiten beschouwing te laten als zijnde in strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht. Dit beroep wordt - op grond van het navolgende - verworpen.

4.2.

Op grond van artikel 6.2 van het ‘Procesreglement kort gedingen rechtbanken, handel/familie’ (hierna: het procesreglement) dient een partij die stukken wenst in te dienen, deze zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 24 uur (één werkdag) vóór de terechtzitting, in te dienen. De ratio van deze bepaling is erin gelegen dat de rechter in een civiele procedure slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan, en uitlatingen waarover, aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. In dit licht heeft te gelden dat indien de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor hieraan niet in de weg staan, het ‘niet-tijdig’ indienen van producties kan worden toegestaan.

4.3.

In onderhavig geschil gaat het om in omvang geringe producties, waarvan - naar onweersproken is gesteld - de inhoud al bekend was bij [gedaagde] . Gelet hierop, alsmede op het feit dat [gedaagde] ter mondelinge behandeling in de gelegenheid is gesteld om inhoude-lijk verweer te voeren en dit ook heeft gedaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet gebleken is dat [gedaagde] in zijn verdediging is geschaad of dat anderszins sprake is van schending van beginselen van behoorlijk procesrecht. Voor zover [eiser] ter mondelinge behandeling een expliciet beroep op de betreffende producties heeft gedaan, zal hier bij de beoordeling dan ook acht op worden geslagen.

Opheffen beslagen

4.4.

Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening tot opheffing van de beslagen, wordt verworpen. Artikel 705 Rv biedt de beslagene - die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden - immers de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen, zonder dat daarbij sprake hoeft te zijn van een spoedeisend belang.

4.5.

Vooropgesteld zij, dat op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv een conservatoir beslag dient te worden opgeheven indien - voor zover relevant - summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Dit betekent dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing van het beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vorde-ring ondeugdelijk of onnodig is, of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

4.6.

De vordering van [eiser] tot opheffing van de beslagen dient dan ook binnen dit toetsingskader te worden beoordeeld. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.7.

[eiser] heeft in dit verband gesteld dat de gelegde beslagen moeten worden opgeheven, omdat niet, zelfs niet summierlijk, is gebleken van een vorderingsrecht van

€ 30.000,- aan de zijde van [gedaagde] .

De ondeugdelijkheid van de gepretendeerde vordering blijkt, volgens [eiser] , uit het gegeven dat - anders dan [gedaagde] voorstaat - geen overeenstemming is bereikt over de (financiële) afwikkeling ter zake het vertrek van [eiser] bij ‘ [naam] Advocaten’. Ter mondelinge behandeling is dit standpunt aldus toegelicht, dat hetgeen is weergegeven in het gespreksverslag van 3 december 2014 - dat is opgemaakt naar aanleiding van de bespreking met de Deken op 1 december 2014 (hierna: het gespreksverslag) - geen bindende afspraken behelst. Partijen hebben weliswaar over de in het gespreksverslag neergelegde aspecten gesproken, maar hierover is tussen partijen geen overeenstemming bereikt. De door [gedaagde] gepretendeerde rechtsvordering tot betaling van een bedrag van € 23.187,24 (exclusief renten en kosten) kan hierin dan ook geen grondslag vinden, aldus [eiser] .

4.8.

In het gespreksverslag is, zoals [gedaagde] ter mondelinge heeft aangevoerd, neerge-legd dat onder meer tussen mr. [eiser] en mr. [gedaagde] integrale overeenstemming is bereikt “over de (financiële) afwikkeling in verband met het vertrek van mr. [eiser] bij [naam] Advocaten”. Voormelde zinsnede kan, in het licht van het gegeven dat beide partijen tot beëindiging van de tussen hen bestaande geschilpunten wilden komen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat partijen tijdens de bespreking van 1 december 2015 overeenstemming hebben bereikt over de in het verslag neergelegde geschilpunten. Dat, zoals [eiser] heeft gesteld, het gespreksverslag geen bindende afspraken behelst omdat partijen dit niet hebben ondertekend, acht de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting, die niet gegeven is, onaannemelijk. Gelet op het bepaalde in artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst immers tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan; van enig vereiste van schriftelijkheid is in dit verband geen sprake. Voor zover [eiser] het niet eens was, met de wijze waarop hetgeen tijdens de bespreking is besproken, in het gespreksverslag is weergegeven, had het ook op zijn weg gelegen om hier eerder kennis van te geven aan betrokken partijen. Nu hij dit, ondanks aanschrijvingen door [gedaagde] , niet gedaan heeft en hij in deze procedure nagelaten heeft om op gemotiveerde wijze uiteen te zetten hoe het gesprek bij de Deken verlopen is, gaat de voorzieningenrechter uit van de juistheid van het verslag.

Het enkele gegeven dat niet alle geschilpunten volledig in het gespreksverslag zijn vervat, kan - voor zover al uitgegaan wordt van de juistheid van deze stelling -, in het licht van hetgeen in het gespreksverslag onder de paragraaf ‘Deken’ is vermeld, niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van bindende afspraken. Immers staat hier vermeld dat betrokken partijen hebben bevestigd, dat alle tussen hen bestaande geschilpunten in onderhavige bespreking aan bod zijn gekomen. Dat partijen nog geen uitvoering hebben gegeven aan het gespreksverslag kan, nu [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat [eiser] geen mede-werking wenst te verlenen, evenmin het oordeel rechtvaardigen dat hetgeen in het verslag van het gesprek met de Deken is neergelegd, geen bindende afspraken behelst.

4.9.

Nu in het licht van het voor overwogene uit wordt gegaan van de juistheid van het gespreksverslag en het bestaan van de hieruit voor partijen voortvloeiende verplichtingen, kan de voorzieningenrechter [eiser] niet volgen in zijn stelling dat de door [gedaagde] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Gesteld noch gebleken is immers, dat de door [gedaagde] op basis van de afspraken in het gespreksverslag becijferde vordering, onjuist is.

4.10.

Ook een belangenafweging kan [eiser] niet baten; het belang van [gedaagde] om verhaal veilig te stellen middels de onderhavige beslagen, dient in onderhavig geschil te prevaleren boven het belang van [eiser] . Hiertoe is van belang dat de voorzieningen-rechter het niet aannemelijk acht, dat [eiser] vanwege de gelegde beslagen niet meer in staat is om zijn praktijk uit te oefenen. Weliswaar heeft [eiser] in dit verband gesteld dat ‘repeterende’ conservatoire derdenbeslagen zijn gelegd onder zijn bank en de Raad voor Rechtsbijstand, van dit repeterende karakter van de beslagen is echter niet gebleken. In dit kader gaat de voorzieningenrechter er dan ook vanuit dat enkel het op het tijdstip van het beslag aanwezige saldo, door het beslag is getroffen.

Dat, zoals [eiser] heeft gesteld, er geen risico bestaat van onmogelijkheid van verhaal omdat de hoger beroepszaak tegen de schrapping van het tableau nog loopt, acht de voorzie-ningenrechter evenmin onaannemelijk. Immers kan niet ontkend worden dat de enkele oplegging van een dergelijke maatregel door de Raad van Discipline, al (financiële) gevol-gen zal hebben voor de uitoefening van een praktijk. Dat dit in onderhavig geval anders is, is gesteld noch gebleken. De voorzieningenrechter heeft er derhalve geen vertrouwen in dat [eiser] bij de opheffing van de beslagen en toewijzing van de vordering van [gedaagde] in de bodemprocedure, over zal (kunnen) gaan tot voldoening van de vordering.

Nu [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat hem geen andere objecten ter beschikking staan, om beslag op te leggen ter verzekering van verhaal van zijn vordering, wordt het beslag ook niet onnodig geacht.

4.11.

Het voorgaande brengt met zich dat de vorderingen van [eiser] tot opheffing van de beslagen, zoals weergegeven onder 3.1. sub a. en b., en de in dit kader gevorderde dwangsom dienen te worden afgewezen.

Zakelijk internet account en toevoegingen

4.12.

[eiser] heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door over te gaan tot het blokkeren van het zakelijk internet account ‘ [internet account] ’ en door het - via de Raad voor Rechtsbijstand - muteren van verleende toevoegingen, nu hij nagelaten heeft om dit op enige wijze met feiten en omstandigheden te onderbouwen, treffen deze stellingen geen doel. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de in voorgaand verband ingestelde vorderingen, zodat de vorderingen ook om die reden niet toewijsbaar zijn in kort geding.

4.13.

De vorderingen tot het verschaffen van toegang tot het internet account en tot het bij de ‘Raad voor Rechtsbijstand’ op naam van [eiser] muteren van de toevoegingen, zullen, evenals de in dit kader gevorderde dwangsommen, dan ook worden afgewezen.

Betalingsvorderingen

4.14.

Met betrekkingen tot de vorderingen zoals weergegeven onder 3.1. sub f. en g. is in kort geding terughoudendheid op zijn plaats. Voor toewijzing van dergelijke vorderingen is in kort geding slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de geldvorderingen in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddel-lijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

4.15.

Nu [eiser] nagelaten heeft om de vorderingen gemotiveerd te onderbouwen, acht de voorzieningenrechter het bestaan en de omvang van de vorderingen tot betaling van de bedragen van € 13.500,- en van € 1.000,- niet in hoge mate aannemelijk. In het licht van het door [gedaagde] gevoerde verweer, had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn vorderingen ter mondelinge behandeling nader te adstrueren met feiten en omstandigheden. Nu hij dit heeft nagelaten ( [eiser] heeft weliswaar een aantal producties overgelegd, maar deze kunnen - nu hij daar ter mondelinge behandeling geen expliciet beroep op heeft gedaan - de stellingen niet dragen), dienen onderhavige vorderingen te worden afgewezen. Voorts heeft te gelden dat, nu gesteld noch gebleken is dat van [eiser] niet verwacht mag worden dat hij een beslissing in de bodemprocedure afwacht, evenmin aan het vereiste van onverwijlde spoed is voldaan.

4.16.

In het licht van het voorgaande dienen de onderhavige vorderingen te worden afgewezen.

Proceskosten

4.17.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van misbruik van procesrecht aan de zijde van [eiser] , ziet de voorzieningenrechter echter geen grond voor een volledige proceskostenveroordeling. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden dan ook, conform het liquidatietarief, begroot op:

griffierecht: € 876,00

salaris advocaat: € 816,00

€ 1.692,00

4.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de aan de zijde van [gedaagde] gerezen proceskosten, tot op heden begroot op een bedrag van € 1.692,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

type: NG