Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10325

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
C/03/213713 / KG ZA 15-601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering geldsom in kort geding, ondeelbare prestatie, hoofdelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/213713 / KG ZA 15-601

Vonnis in kort geding van 10 december 2015

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats 3] ,

eisers,

advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck,

tegen

de stichting

STICHTING ASKLEIPION,

gevestigd te Heerlen, kantoorhoudend te Valkenburg aan de Geul,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Mookhram.

Partijen zullen hierna de plastisch chirurgen, zo nodig [eiseres sub 1] , [eiser sub 2] en [eiser sub 3] , en de Stichting worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 november 2015,

  • -

    de mondelinge behandeling van 3 december 2015,

  • -

    de pleitnota van de plastisch chirurgen,

  • -

    de pleitnota van de Stichting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Stichting exploiteert een Zelfstandig Behandel Centrum (hierna: ZBC), waarin aan patiënten verzekerde en onverzekerde zorg wordt geleverd. De Stichting is een instelling toegelaten op basis van de Wet Toelating Zorginstellingen. De Stichting contracteert met de zorgverzekeraars.

2.2.

De feitelijke zorg die door de plastisch chirurgen werd verricht, vond plaats bij de Kliniek Valkenhorst B.V. (hierna: de Kliniek) tot 13 oktober 2015, de datum van het faillissement van deze vennootschap.

3 Het geschil

3.1.

De plastisch chirurgen vorderen veroordeling van de Stichting tot betaling van
€ 21.034,00 aan [eiseres sub 1] , € 6.693,95 aan [eiser sub 2] en € € 49.628,45 aan [eiser sub 3] , met veroordeling van de stichting in de ksoten van de procedure, vermeerderd met rente.

3.2.

De plastisch chirurgen leggen aan de vordering ten grondslag dat zij, ieder voor zich, op basis van een toelatingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) met de Stichting en de Kliniek, recht hebben op betaling van onbetaald gebleven facturen. De plastisch chirurgen stellen dat de Stichting en de Kliniek hoofdelijk zijn gehouden tot betaling, omdat de door de plastisch chirurgen op grond van de respectievelijke overenkomsten geleverde prestaties ondeelbaar zijn.

3.3.

De Stichting voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de plastisch chirurgen op de Stichting voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, waarbij de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen zal moeten betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, dat voor zover aanwezig kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

De Stichting heeft ter kort gedingzitting betoogd dat er geen rechtsbetrekking is tussen de Stichting en de plastisch chirurgen op basis van de met elk van hen afzonderlijk gesloten toelatingsovereenkomst met de Kliniek. Voor zover er aangenomen zou moeten worden dat er wel een overeenkomst is tussen de plastisch chirurgen en de Stichting is er geen sprake van hoofdelijkheid, omdat de betalingsverplichting op de Kliniek rust.

De Stichting wordt alleen genoemd in de overeenkomst, zo stelt zij, omdat de Stichting de toegelaten instelling is en de Stichting contracteert met de zorgverzekeraars. Dat dit zo is blijkt volgens de Stichting behalve uit de bewoordingen van de overeenkomsten ook uit
(1) het feit dat het bestuur van de Stichting op grond van artikel 6 lid 3 van de oprichtingsakte de Stichting niet als hoofdelijk medeschuldenaar kan verbinden, en uit (2) het feit dat [naam bestuurder Stichting] (hierna: [naam bestuurder Stichting] ) blijkens de oprichtingsakte van de Stichting alleen samen met de andere bestuurder(s) van de Stichting bevoegd is de Stichting te binden en er geen volmacht is verleend, als bedoeld in artikel 7 van de oprichtingsakte, en uit (3) het feit dat alle betalingen via de Kliniek liepen. De plastisch chirurgen hebben dan ook terecht, zo stelt de Stichting, de vorderingen bij de curator van de Kliniek ter verificatie aangemeld.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de tekst van elk van de drie overeenkomsten ondubbelzinnig blijkt dat met én de Kliniek én de Stichting is gecontracteerd, waarbij bovendien de overeenkomst uitdrukkelijk vermeldt dat [naam bestuurder Stichting] de Kliniek én de Stichting rechtsgeldig vertegenwoordigt. Dat praktische afspraken zijn gemaakt, waarbij de Kliniek fungeert als opdrachtgever van de te verrichten gevraagde werkzaamheden (artikel 1 lid 2 van de overeenkomsten) en kennelijk de praktische betalingsafhandeling regelde, doet daarbij niet af aan het feit dat de overeengekomen prestaties, waartoe de plastisch chirurgen zich hebben verplicht, onweersproken door de Stichting, ondeelbaar zijn, als bedoeld in artikel 6:6 lid 2 BW. Op grond hiervan staat de hoofdelijkheid van de Kliniek én de Stichting vast. De plastisch chirurgen zijn dus bevoegd, naast het ter verificatie indienen van de vorderingen bij de curator van de Kliniek, de betaling van de onbetaald gebleven facturen te vorderen van de Stichting.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de interne organisatie van de Stichting de plastisch chirurgen niet regardeert, ook omdat zij, gezien de tekst van de overeenkomsten, zonder meer uit mochten gaan van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam bestuurder Stichting] .

4.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat onweersproken is dat de Kliniek de facturen van de plastisch chirurgen, zoals opgesomd in de dagvaarding, heeft ontvangen en behouden en dat is nagelaten deze (tijdig) uit te betalen. De Stichting heeft voorts de hoogte van de facturen niet betwist.

Voor zover de Stichting betoogt dat zij niet tot betalen kan worden gehouden, omdat is nagelaten adequaat te sommeren tot betaling, merkt de voorzieningenrechter op dat voor zover er vanuit moet worden gegaan dat aanmaning achterweg is gebleven, de plastisch chirurgen inzake deze geldvorderingen bevoegd zijn de Stichting rauwelijks te dagvaarden.

4.5.

De Stichting heeft geen verweer gevoerd terzake een eventueel restitutierisico.

4.6.

Hetgeen met betrekking tot de spoedeisendheid door de Stichting nog is aangevoerd, te weten dat de plastisch chirurgen voor hun inkomen niet afhankelijk zijn van de onbetaald gebleven bedragen en dat (dus) de uitkomst van een bodemprocedure zonder meer kan worden afgewacht, is door de plastisch chirurgen gemotiveerd weersproken, zodat de voorzieningenrechter geen enkel handvat heeft om te moeten concluderen dat de belangen van de Stichting worden geschaad bij een veroordeling tot betaling bij wijze van voorziening in kort geding.

4.7.

De vordering zal worden toegewezen.

4.8.

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van de plastisch chirurgen begroot op

  • -

    exploot van dagvaarding € 94,19

  • -

    griffierecht € 876,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

  • -

    totaal € 1.786,19.

De rente over de proceskosten zal worden toegewezen, als vastgesteld in het dictum.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de Stichting te betalen aan [eiseres sub 1] het bedrag in hoofdsom van
€ 21.034,00,

5.2.

veroordeelt de Stichting te betalen aan [eiser sub 2] het bedrag in hoofdsom van
€ 6.693,95,

5.3.

veroordeelt de Stichting te betalen aan [eiser sub 3] het bedrag in hoofdsom van
€ 49.628,45,

5.4.

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding, tot op heden begroot aan de zijde van de plastisch chirurgen op € 1.786,19, vermeerderd met de wettelijke rente, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, tot aan de dag der algehele voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvBcoll: