Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10233

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 854u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op alle misbruikindicatoren op zichzelf en in samenhang gewogen, is de rechtbank van oordeel dat gemachtigde van eiser de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hij heeft die bevoegdheid derhalve gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Gemachtigde van eiser heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee gemachtigde van eiser de Wob heeft gebruikt. De handelwijze van gemachtigde van eiser moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde van eiser de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe heeft gemachtigd. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/854

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: M.J.M. Bergers),

en

de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: M.A. Groeneweg, mr. J. Jansen)

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen voor wat betreft het zaakoverzicht en gedeeltelijk doorgestuurd naar Politie Limburg-Zuid, Tobias, omdat de overige gevraagde documenten niet bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM, verweerder) berusten.

Tegen dit primaire besluit heeft eiser op 10 september 2012 een bezwaarschrift ingediend.

Voorts heeft eiser op 15 maart 2013 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van

een beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 24 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.

Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2. Bij brief van 23 augustus 2012 heeft eiser verzocht hem op grond van de Wob de volgende informatie te verstrekken:

  • -

    een kopie van het CJIB zaakoverzicht;

  • -

    de video/foto (op originele grootte) van de genoemde overtreding, voorzien van datum en tijdstip. Hierop moeten duidelijk het voertuig en kenteken te zien zijn en dient een direct verband te worden gelegd met het geldende ijkrapport. Indien er verschillende voertuigen zichtbaar zijn, moet duidelijk zijn welk voertuig de overtreding zou zijn begaan;

  • -

    het brondocument;

  • -

    de akte van beëdiging van de dienstdoende verbalisant;

  • -

    de akte van aanstelling van de dienstdoende verbalisant;

  • -

    het complete ijkrapport van de apparatuur waarmee de vermeende overtreding is geconstateerd, en dat op dat moment geldig was.

3. Bij het besluit van 30 augustus 2012 heeft verweerder dit verzoek toegewezen voor wat betreft het zaakoverzicht en voor het overige conform artikel 4 van de Wob doorgestuurd naar Politie Limburg Zuid Tobias. Bij brief van 10 september 2012 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 8 januari 2013 heeft eiser verweerder wegens het verstrijken van de beslistermijn verzocht binnen twee weken een besluit te nemen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Volgens verweerder heeft de CVOM terecht slechts het document verstrekt waarover het beschikte, namelijk het zaakoverzicht. Verweerder heeft in deze geen vergaringsplicht. Verweerder heeft het verzoek ten aanzien van de overige documenten terecht afgewezen (en doorgezonden), omdat deze niet onder de CVOM berustten. Omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is geacht, heeft verweerder ervan af gezien eiser te horen.

5. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het door eiser ingestelde beroep te komen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen.

6. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (het BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13, van het BW, buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

7. Voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen is van belang dat verweerder, onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129, ECLI:NL:RVS:2014:4135, ECLI:NL:RVS:2014:4185) en 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1824) heeft aangevoerd dat eiser vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde wiens handelwijze blijk geeft van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Verweerder heeft hierbij onder andere gewezen op de veelheid aan Wob-verzoeken en daarmee samenhangende procedures, de zeer ruime formulering van de machtiging, de keuze om informatieverzoeken op grond van de Wob te doen, het consequent gebruik van faxnummers van andere afdelingen, foutieve adressering, verkapte Wob-verzoeken en ingebrekestellingen of het bemoeilijken van de herkenning van bepaalde stukken als zodanig, het over verschillende Wob-verzoeken spreiden van de wens om samenhangende documenten te verkrijgen, het verzoeken om documenten waarvan gemachtigde van eiser weet dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bij verweerder berusten, het niet noemen van een CJIB nummer bij een Wob-verzoek en het doorprocederen indien het stuk reeds (via een ander bestuursorgaan) is ontvangen.

8. Zoals uit de onder 7 vermelde uitspraken volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Ter beoordeling van de vraag of een zodanige situatie zich in dit geval voordoet, overweegt de rechtbank als volgt.

9. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat gemachtigde van eiser alleen al bij verweerder in de periode 2013 tot en met 3 november 2015 169 Wob-verzoeken,

93 bezwaarschriften en 102 beroepen heeft ingediend en dat naar aanleiding van deze verzoeken vervolgens ook vervolgprocedures worden gestart door deze gemachtigde. Volgens verweerder blijkt dat het financiële belang van gemachtigde van eiser bij de gevoerde procedures boven het belang van cliënten wordt geplaatst uit het feit dat deze gemachtigde bij deze verweerder in de hiervoor genoemde periode een bedrag van € 99.297,- aan dwangsommen heeft geïncasseerd. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting deze aantallen en het door verweerder genoemde bedrag (niet gemotiveerd) betwist. De rechtbank constateert dat, ondanks dat verweerder deze getallen en het bedrag niet met precieze gegevens heeft onderbouwd, hieruit en uit het feit dat tussen partijen niet in geschil is (en de rechtbank ook ambtshalve bekend is) dat gemachtigde van eiser grote aantallen Wob-verzoeken bij deze verweerder heeft ingediend en daaruit voortvloeiende procedures tegen deze verweerder voert, in elk geval kan worden geconcludeerd dat gemachtigde van eiser als zogenaamde ‘repeat player’ kan worden aangemerkt.

10. Eiser heeft zijn gemachtigde, volgens de overgelegde machtiging van 21 augustus 2012, gemachtigd om hem te vertegenwoordigen en “alle handelingen te verrichten teneinde boetes en parkeerbelastingen in rechte te bestrijden alsmede beroepsmatige rechtsbijstand te verlenen, in en buiten rechte, ter zake van een bezwaar- dan wel beroepsprocedure tegen (een) (het uitblijven van) genomen besluit(en), alsmede al hetgeen daartoe door gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, waaronder het aanwenden van rechtsmiddelen en het opvragen van gegevens, bijvoorbeeld op grond van de Wob, het bij weigering voeren van gerechtelijke procedures deze gegevens alsnog te verkrijgen en het aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin des woords. Voor elke uit te voeren rechtshandeling zal vooraf met gemachtigde overleg worden gepleegd”.

10.1.

De rechtbank stelt vast dat in geen enkele beroepsprocedure van gemachtigde van eiser van de zitting van 5 november 2015, waarop ook het onderhavige beroep is behandeld, eiser of eiseres is verschenen. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt nog nooit een cliënt, niet zijnde een andere ‘repeat player’, op een zitting bij de rechtbank met procedures waarin de Wob centraal staat, te hebben aangetroffen, hetgeen niet door gemachtigde van eiser is betwist. Gelet hierop en gelet op de zeer ruime formulering van de machtiging (zoals genoemd in rechtsoverweging 10) overweegt de rechtbank dat niet valt af te leiden of degene die de machtiging heeft verstrekt zich ervan bewust is dat gemachtigde van eiser optreedt of op zal treden in de procedure waarin de machtiging is gevraagd. Daarnaast is het de rechtbank opgevallen dat uit de machtiging volgt dat eiser door ondertekening gemachtigde machtigt tot het aannemen van vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en dergelijke (waaronder ook dwangsommen kunnen vallen) en dat verder niet is gebleken of en in hoeverre gemachtigde vervolgens deze vergoedingen aan de betrokkene uitkeert.

11. Onder verwijzing naar de voormelde uitspraken van 19 november 2014, overweegt de rechtbank dat met openbaarmaking op grond van de Wob wordt beoogd dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. De omstandigheid dat in artikel 3, derde lid, van de Wob is bepaald dat de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met dit oogmerk is toegekend. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst in dit kader tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118).

11.1.

In het Wob-verzoek noch in andere correspondentie van de zijde van (gemachtigde van) eiser is aangegeven voor welk doel eiser de door hem verzochte informatie, in het kader van de Wob, heeft opgevraagd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangegeven dat het belangrijk is dat iedereen deze stukken kan inzien, omdat er veel mis gaat bij bekeuring van verkeersovertredingen. Hij weet van sommige cliënten dat zij de stukken in de eigen kring, van familie en kennissen, hebben verspreid. Verder stelt gemachtigde van eiser een cliënt te hebben die de stukken op een website heeft geplaatst. Ook geeft gemachtigde van eiser aan één cliënt te kennen die de media (L1) heeft opgezocht.

De rechtbank heeft deze vraag ter zitting niet aan eiser in persoon kunnen voorleggen, omdat eiser niet ter zitting is verschenen. De rechtbank constateert dat gemachtigde op vragen van de rechtbank over het doel van de in het kader van de Wob verzochte informatie geen (concreet) onderbouwd antwoord kan geven. De gemachtigde heeft ter zitting immers (slechts) verklaard dat een aantal van zijn cliënten de documenten in eigen kring heeft verspreid en dat hij één eiser weet te noemen die met de aangeleverde documenten de media (L1) heeft opgezocht. De rechtbank heeft hierop ter zitting aangegeven dat het verspreiden van documenten in de eigen kring niet gelijk staat aan het openbaar maken voor een ieder, zoals bedoeld in de Wob. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks dat eiser niet ter zitting is verschenen, van de gemachtigde mocht worden verwacht dat hij inhoudelijk antwoord op de vragen kon geven, aangezien hij een professionele rechtsbijstandverlener is met een rechtspraktijk die mede gericht is op de Wob. Het is de rechtbank uit eerdere zaken bekend dat gemachtigde voor vele cliënten, vele procedures betreffende Wob-verzoeken heeft gevoerd. Hij wordt dan ook geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring van het bestuurs(proces)recht en de Wob. Dat de rechtbank in verband met het betoog van verweerder dat gemachtigde van eiser misbruik maakt van recht ter zitting vragen zou stellen over het doel of de achtergrond van/achter het Wob-verzoek, had gemachtigde van eiser dan ook moeten en kunnen begrijpen. Dit geldt temeer nu in de brief, die de rechtbank voorafgaand aan de zitting (op 13 oktober 2015) aan partijen heeft verzonden, er expliciet op is gewezen dat de rechtbank voornemens was de ontvankelijkheid van het beroep ter zitting aan de orde te stellen, waarbij is gewezen op ter zake relevante uitspraken van de Afdeling.

12. Voorts overweegt de rechtbank dat, gelet op de ruime kennis en ervaring van gemachtigde, ervan moet worden uitgegaan dat deze ermee bekend was dat hij de gevraagde documenten betreffende de opgelegde verkeersboete op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) had kunnen opvragen. Dat gemachtigde hier niet voor gekozen heeft wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest om het informatieverzoek op de Wob te baseren, hetgeen overigens ook door gemachtigde wordt bevestigd. Gezien de kennis en ervaring van gemachtigde van eiser moet er tevens van worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de voormelde Wahv-bepalingen gebaseerd informatieverzoek, er toe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan, in geval van niet-tijdige besluitvorming, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Voor zover gemachtigde van eiser ter zitting heeft betoogd dat met een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de Wahv-bepalingen gebaseerd verzoek de (voor het deugdelijk kunnen aanvechten van een verkeersboete) beoogde informatie niet tijdig dan wel niet zo spoedig mogelijk kan worden verkregen, wijst de rechtbank op de in het navolgende in deze uitspraak beschreven inefficiënte handelingen, die een tijdige besluitvorming konden bemoeilijken en waarvoor door gemachtigde geen (plausibele) verklaring is gegeven.

13. Zo heeft gemachtigde van eiser zijn Wob-verzoeken in de meeste gevallen ‘verkapt’ ingediend. De informatieverzoeken zijn veelal neergelegd in administratieve beroepen tegen de verkeersboetes, hetgeen de herkenning van het Wob-verzoek als zodanig kan bemoeilijken. Van belang hierbij is dat in deze brieven bij ‘Betreft’ nimmer de woorden ‘Wob-verzoek’ of woorden van gelijke strekking zijn gebruikt. In het onderhavige geval heeft de gemachtigde van eiser bij ‘Betreft’ de woorden ‘Pro forma bezwaar en verzoek mbt [nummer] ’ gebruikt. Dat uit de inhoud van de brief vervolgens wél blijkt dat het om een Wob-verzoek gaat, doet volgens de rechtbank in zoverre niet af aan de mogelijke bemoeilijking van de herkenning van het verzoek. Van bestuursorganen hoeft immers niet te worden verwacht dat zij elk poststuk integraal lezen om ze vervolgens te kunnen sorteren om ze naar de juiste afdeling onder de juiste noemer door te zenden, terwijl van een professionele rechtsbijstandverlener toch mag worden verwacht dat hij duidelijk en zo specifiek en volledig mogelijk is in zijn omschrijving van het onderwerp van de brief. De rechtbank overweegt dat gemachtigde van eiser met zijn handelwijze moet hebben geweten dat het de praktische werkbaarheid en daarmee de tijdige besluitvorming onnodig kan bemoeilijken.

14. In het verlengde van rechtsoverweging 13 acht de rechtbank van belang dat, behalve de Wob-verzoeken, ook de ingebrekestellingen die de gemachtigde van eiser veelvuldig aan verweerder heeft verzonden, in de meeste gevallen ‘verkapt’ zijn ingediend. Zo is bij ‘Betreft’ in deze brieven nimmer de term ‘ingebrekestelling’ opgenomen, maar zijn termen als ‘klacht’, ‘rappel’, ‘niet tijdig beslissen’, opgenomen, zoals ook in deze zaak het geval is. De rechtbank wijst erop dat ook hier van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij duidelijk, specifiek en volledig is in zijn omschrijving. Deze verkapte wijze van in gebreke stellen bemoeilijkt de herkenning, hetgeen de gemachtigde van eiser moet hebben geweten.

15. Voorts is van belang dat gemachtigde zijn correspondentie met grote regelmaat aan een verkeerd faxnummer of onder vermelding van een verkeerd postbusnummer aan verweerder heeft verzonden, terwijl het juiste faxnummer en postadres aan hem in eerdere zaken en de onderhavige zaak is meegedeeld en derhalve bekend was.

15.1.

In het onderhavige geval heeft gemachtigde van eiser het bezwaarschrift gefaxt naar nummer [nummer] en vervolgens de aanvullende gronden van 16 september 2012 en de ingebrekestelling gefaxt naar nummer [nummer] .

15.2.

Het door gemachtigde van eiser ingenomen standpunt, waarbij hij heeft gewezen op een aantal specifieke zaken waarin ondanks het gebruik van een verkeerd faxnummer toch binnen korte termijn op het verzoek is beslist, dat - wat hier ook van zij - het blijkbaar de besluitvorming niet heeft hoeven bemoeilijken, doet hieraan niet af, nu het van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat deze correspondentie naar een juist faxnummer stuurt. Voor te stellen valt dat postbusnummers, faxnummers of bijvoorbeeld onderwerpen van brieven voor een medewerker van een bestuursorgaan aanleiding vormen om een bepaald poststuk naar een bepaalde afdeling te versturen. Van een professionele rechtsbijstandverlener die op grote schaal bij deze verweerder procedures voert als de onderhavige mag derhalve worden verwacht dat correspondentie naar het juiste adres en/of faxnummer wordt verzonden. De stelling van gemachtigde van eiser dat hij, nu faxen vaak niet aan het goede faxnummer konden worden verzonden en post blijkbaar regelmatig niet aankomt bij verweerder, soms een ander faxnummer of postbusnummer heeft gebruikt en dat hij dit graag in een persoonlijk overleg met verweerder had willen bespreken om afspraken te maken en de werkprocessen beter te stroomlijnen (waarbij gewezen wordt op de brieven van 24 november 2014 en 1 januari 2015) doch dat verweerder daartoe geen reden zag (blijkens de brief van 30 maart 2015), doet hieraan niet af. De reactie van verweerder in de brief van 30 maart 2015, waarvan de strekking luidt dat verweerder geen reden ziet om persoonlijk in overleg te treden met gemachtigde van eiser, omdat de Awb voldoende houvast biedt om te weten hoe procedures dienen te verlopen en hoe correspondentie dient plaats te vinden, acht de rechtbank begrijpelijk en afdoende. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder onduidelijk of onvolledig is geweest in het aangeven waar correspondentie aan gericht dient te worden of hoe procedures dienen te worden gevoerd. Ook hier is de rechtbank van oordeel dat van een professionele rechtsbijstandverlener die op grote schaal bij deze verweerder procedures voert als de onderhavige mag worden verwacht dat hij correspondentie naar het juiste adres en/of faxnummer verzendt, en voor zover hij dat niet doet om een specifieke reden, bijvoorbeeld een al dan niet tijdelijk niet werkend faxapparaat van verweerder, dat hij uitdrukkelijk in de aanhef van zijn correspondentie vermeldt waarom hij een ander dan gebruikelijk faxnummer of correspondentie adres heeft gebruikt.

15.3.

Voorts heeft gemachtigde van eiser in de aanhef van het bezwaarschrift en de ingebrekestelling nagelaten het door verweerder gebruikte kenmerk (CJIB nummer) te vermelden ofschoon daar wel om is verzocht. De verklaring die gemachtigde van eiser hiervoor in een andere zaak ter zitting heeft gegeven, namelijk dat hij eens wilde proberen het zaaknummer te vermelden in plaats van het CJIB-nummer, duidt volgens de rechtbank evident op het moedwillig veroorzaken van verwarring en het bemoeilijken van de besluitvorming. Bovendien heeft gemachtigde van eiser in de onderhavige zaak in de aanhef van de brief waarin hij verweerder in gebreke stelt ook niet het zaaknummer genoemd. Hij heeft slechts zijn eigen kenmerk genoemd. Dat in de brief zelf vervolgens wel het CJIB nummer is genoemd, doet aan het voorgaande niet af. Het gaat er immers om dat verweerder niet de inhoud van de brieven moet hoeven lezen alvorens tot sortering over te kunnen gaan.

15.4.

Nu gemachtigde van eiser vele bestuursrechtelijke procedures heeft gevoerd, onder andere over Wob-verzoeken en het niet tijdig nemen van een besluit, wordt hij, zoals eerder al gezegd, geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring op het gebied van het bestuursrecht en de Wob en de Wahv in het bijzonder. Gemachtigde van eiser moet daarom hebben beseft dat hij door de onjuiste adressering (en het niet vermelden van het kenmerk) verwarring veroorzaakt en een tijdige besluitvorming bemoeilijkt. Het vermijden van factoren die een tijdige besluitvorming bemoeilijken, kon van gemachtigde van eiser worden verlangd wegens de veelvoud aan correspondentie waarmee hij zich in dezelfde periode tot verweerder heeft gewend.

16. Verder overweegt de rechtbank ten aanzien van de (veelvuldige) verwijzing door gemachtigde van eiser naar de procedures bij de Afdeling die hebben geleid tot de uitspraak van 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1527) inzake Leaseplan tegen CVOM en de uitspraak van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1656) inzake Wilmes tegen CVOM (het door gemachtigde van eiser in zijn pleitnota genoemde zaaknummer van deze zaak, namelijk ECLI:NL:RVS:2015:1753, blijkt onjuist), als volgt.

16.1.

Gemachtigde van eiser stelt dat verweerder nagenoeg hetzelfde verweerschrift gebruikt als in de procedures die tot de uitspraken van 13 mei 2015 en 27 mei 2015 hebben geleid. In beide procedures heeft de Afdeling geoordeeld dat er geen sprake is van misbruik van recht. Gemachtigde heeft erop gewezen dat de procedure van [naam] is gestart met een Wob-verzoek in een administratief beroep, dat per fax verzonden is naar

[nummer] en als adressering postbus 50000, 3500 MJ te Utrecht heeft. De ingebrekestelling in die procedure was vormgegeven als een klacht gericht aan de klachtencoördinator en wederom gestuurd aan postbus 50000 en faxnummer [nummer]. Verder zijn volgens de gemachtigde van eiser de brieven in die procedure gericht aan Cluster Wob, postbus 50000 en verzonden aan faxnummer [nummer] en is op 21 mei 2013 in die procedure nog een ingebrekestelling verzonden met daarin een nieuw Wob-verzoek en als onderwerp ‘geen reactie bezwaarschrift’. Tot slot heeft gemachtigde van eiser er in dit kader op gewezen dat in dat dossier op 16 oktober 2014 een derde Wob-verzoek verzonden is aan CVOM waarbij het verzoek is gericht aan ‘Officier van Justitie, postbus 8225, 3503 RE Utrecht’ en de ingebrekestelling, gericht aan hetzelfde adres, het onderwerp ‘gevraagde informatie’ had. Gemachtigde van eiser heeft hiermee willen benadrukken dat de Afdeling met betrekking tot bovengenoemde handelwijze heeft geoordeeld dat hiermee geen misbruik wordt gemaakt van procesrecht.

16.2.

De rechtbank wijst er (nogmaals) op dat om misbruik van procesrecht aan te nemen zwaarwichtige gronden vereist zijn. Hoewel de Afdeling in de door gemachtigde van eiser genoemde zaken van [naam] en [naam] heeft geoordeeld dat van dergelijke zwaarwichtige gronden in die zaken niet gebleken is, merkt de rechtbank op dat hiermee door de Afdeling niet is bedoeld (hetgeen ook uit latere jurisprudentie van de Afdeling blijkt waarin bij vergelijkbare handelingen wèl misbruik van procesrecht is aangenomen), de factoren die in die zaken werden aangemerkt als indicatoren voor misbruik van procesrecht als ongeldige factoren aan te merken. De rechtbank merkt op dat de optelsom van factoren bepalend is voor de vraag of al dan niet sprake is van misbruik van procesrecht. Dat bepaalde indicatoren in een specifieke zaak aan de orde waren en in die zaak niet tot het oordeel misbruik van procesrecht hebben geleid, wil derhalve niet zeggen dat in een andere zaak waarbij wellicht deze indicatoren ook aanwezig zijn (doch wellicht ook andere indicatoren een rol spelen) geen sprake kan zijn van misbruik van procesrecht.

17. Gelet op het vorenstaande en alle misbruikindicatoren op zichzelf en in samenhang gewogen, is de rechtbank van oordeel dat gemachtigde van eiser de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hij heeft die bevoegdheid derhalve gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Gemachtigde van eiser heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee gemachtigde van eiser de Wob heeft gebruikt. De handelwijze van gemachtigde van eiser moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde van eiser de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe heeft gemachtigd.

18. Het beroep is niet-ontvankelijk te achten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.

w.g. Y.L.J. Damoiseaux,

griffier

w.g. A.W.P. Letschert,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 december 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.