Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10217

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 32u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op alle misbruikindicatoren op zichzelf en in samenhang gewogen, is de rechtbank van oordeel dat gemachtigde van eiser de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hij heeft die bevoegdheid derhalve gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Gemachtigde van eiser heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee gemachtigde van eiser de Wob heeft gebruikt. De handelwijze van gemachtigde van eiser moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde van eiser de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe heeft gemachtigd. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/32

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: M.J.M. Bergers),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.IJ. Ruiter)

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op het verzoek van eiser om verstrekking van documenten in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) beslist.

Bij besluit van 26 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk geacht.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.

Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2. Bij brief van 4 september 2013 heeft eiser de gemeente Valkenburg aan de Geul verzocht hem op grond van de Wob de volgende informatie te verstrekken:

  • -

    de akte van aanstelling van verbalisant 7974;

  • -

    de akte van beëdiging van verbalisant 7974;

  • -

    het document waaruit blijkt welke bevoegdheden verbalisant 7974 heeft.

3. Bij het besluit van 19 september 2013 heeft de verweerder (nadat het Wob-verzoek door de gemeente Valkenburg aan de Geul is doorgezonden) op het Wob-verzoek gereageerd en een kopie van de akte van benoeming en de aanstellingsbrief van de desbetreffende verbalisant bijgevoegd. Ook heeft verweerder bij dit besluit aangegeven dat de desbetreffende verbalisant in de rang van hoofdagent werkzaam is als algemeen opsporingsambtenaar.

4. Eiser heeft op 16 oktober 2013 tegen dit besluit van 19 september 2013 een bezwaarschrift ingediend. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

5. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het door eiser ingestelde beroep te komen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen.

6. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (het BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13, van het BW, buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

7. Voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen is van belang dat verweerder, onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129, ECLI:NL:RVS:2014:4135, ECLI:NL:RVS:2014:4185), heeft aangevoerd dat eiser vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde wiens handelwijze blijk geeft van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Zo heeft verweerder er onder meer op gewezen dat gemachtigde van eiser bij de indiening van zijn Wob-verzoek bij de gemeente Valkenburg aan de Geul een verkeerd postbusnummer heeft gebruikt, hetgeen de besluitvorming kan vertragen. Bovendien heeft gemachtigde van eiser met opzet het Wob-verzoek bij de gemeente Valkenburg aan de Geul ingediend, in plaats van bij verweerder. Het doel van gemachtigde van eiser bij het veelvuldig indienen van Wob-verzoeken is niet het openbaar maken van de verkregen informatie voor een ieder, maar het incasseren van proceskostenvergoeding en dwangsommen. Verweerder wijst erop dat gemachtigde van eiser een ‘repeat player’ is, die weet hoe een Wob-procedure gevoerd dient te worden en ervoor kan kiezen dit op de juiste manier te doen.

Verweerder heeft erop gewezen dat in 2013 het Wob-proces bij verweerder opnieuw is ingericht, waarbij is rekening gehouden met ‘repeat players’ en dat daarna een daling van

90 % van het aantal Wob-verzoeken is waargenomen.

Tot slot heeft verweerder de rechtbank verzocht gemachtigde van eiser te veroordelen in de proceskosten, nu sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

8. Zoals uit de onder 7 vermelde uitspraken volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Ter beoordeling van de vraag of een zodanige situatie zich in dit geval voordoet, overweegt de rechtbank, ambtshalve, als volgt.

9. Het onderhavige Wob-verzoek van 4 september 2013 is aanvankelijk ingediend bij de gemeente Valkenburg aan de Geul.

9.1.

De omstandigheid dat in artikel 3, derde lid, van de Wob is bepaald dat de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met dit oogmerk is toegekend. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst in dit kader tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118).

9.2.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:910), kan toepassing van de Wob niet leiden tot openbaarmaking voor uitsluitend een bepaalde verzoeker, doch slechts tot openbaarmaking voor een ieder. Het verzoek van eiser is in de brief gebaseerd op de Wob. Uit de brief waarin het Wob-verzoek is vervat blijkt niet expliciet met welke reden de gevraagde documenten op grond van de Wob worden opgevraagd. Wel blijkt uit de brief dat eiser een beschikking heeft ontvangen voor een ‘vermeende’ verkeersovertreding. Hieruit kan worden afgeleid dat eiser zich niet kan verenigen met de verkeersovertreding. De rechtbank constateert dat gemachtigde op vragen van de rechtbank over het doel van de in het kader van de Wob verzochte informatie geen (concreet) onderbouwd antwoord kan geven. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks dat eiser niet ter zitting is verschenen, van de gemachtigde mocht worden verwacht dat hij inhoudelijk antwoord op de vragen kon geven, aangezien hij een professionele rechtsbijstandverlener is met een rechtspraktijk die mede gericht is op de Wob. Het is de rechtbank uit eerdere zaken bekend dat gemachtigde voor vele cliënten, vele procedures betreffende Wob-verzoeken heeft gevoerd. Hij wordt dan ook geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring van het bestuurs(proces)recht en de Wob. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest om de informatieverzoeken op de Wob te baseren. Dat de rechtbank in verband met het betoog van verweerder dat gemachtigde van eiser misbruik maakt van recht ter zitting vragen zou stellen over het doel of de achtergrond van/achter het Wob-verzoek, had gemachtigde van eiser dan ook moeten en kunnen begrijpen. Dit geldt temeer nu in de brief, die de rechtbank voorafgaand aan de zitting (op 13 oktober 2015) aan partijen heeft verzonden, er expliciet op is gewezen dat de rechtbank voornemens was de ontvankelijkheid van het beroep ter zitting aan de orde te stellen, waarbij is gewezen op ter zake relevante uitspraken van de Afdeling.

9.3.

Voorts overweegt de rechtbank dat, gelet op de ruime kennis en ervaring van gemachtigde, ervan moet worden uitgegaan dat deze ermee bekend was dat hij de gevraagde documenten betreffende de opgelegde verkeersboete op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) had kunnen opvragen. Dat gemachtigde hier niet voor gekozen heeft wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest om het informatieverzoek op de Wob te baseren, hetgeen overigens ook door gemachtigde wordt bevestigd. Gezien de kennis en ervaring van gemachtigde van eiser moet er tevens van worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de voormelde Wahv-bepalingen gebaseerd informatieverzoek, er toe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan, in geval van niet-tijdige besluitvorming, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Voor zover gemachtigde van eiser ter zitting heeft betoogd dat met een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de Wahv-bepalingen gebaseerd verzoek de (voor het deugdelijk kunnen aanvechten van een verkeersboete) beoogde informatie niet tijdig dan wel niet zo spoedig mogelijk kan worden verkregen, wijst de rechtbank op de in het navolgende in deze uitspraak beschreven inefficiënte handelingen, die een tijdige besluitvorming konden bemoeilijken en waarvoor door gemachtigde geen (plausibele) verklaring is gegeven.

10. Eiser heeft zijn gemachtigde, volgens de overgelegde machtiging van 14 mei 2013, gemachtigd om hem te vertegenwoordigen en “alle handelingen te verrichten teneinde boetes en parkeerbelastingen in rechte te bestrijden alsmede beroepsmatige rechtsbijstand te verlenen, in en buiten rechte, ter zake van een bezwaar- dan wel beroepsprocedure tegen (een) (het uitblijven van) genomen besluit(en), alsmede al hetgeen daartoe door gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, waaronder het aanwenden van rechtsmiddelen en het opvragen van gegevens, bijvoorbeeld op grond van de Wob, het bij weigering voeren van gerechtelijke procedures deze gegevens alsnog te verkrijgen en het aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin des woords. Voor elke uit te voeren rechtshandeling zal vooraf met gemachtigde overleg worden gepleegd”.

10.1.

De rechtbank stelt vast dat in geen enkele beroepsprocedure van gemachtigde van eiser van de zitting van 5 november 2015, waarop ook het onderhavige beroep is behandeld, eiser of eiseres is verschenen. Gelet hierop en gelet op de zeer ruime formulering van de machtiging (zoals genoemd in rechtsoverweging 10) overweegt de rechtbank dat niet valt af te leiden of degene die de machtiging heeft verstrekt zich ervan bewust is dat gemachtigde van eiser optreedt of op zal treden in de procedure waarin de machtiging is gevraagd. Daarnaast is het de rechtbank opgevallen dat uit de machtiging volgt dat eisers door ondertekening gemachtigde machtigen tot het aannemen van vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en dergelijke (waaronder ook dwangsommen kunnen vallen) en dat verder niet is gebleken of en in hoeverre gemachtigde vervolgens deze vergoedingen aan eisers uitkeert.

11. Verder is van belang dat gemachtigde van eiser in veel gevallen, zo ook in het onderhavige, met betrekking tot dezelfde verkeersboete meerdere Wob-verzoeken heeft verstuurd. De rechtbank is bekend met in elk geval twee Wob-verzoeken en daarop volgende, aparte procedures. Naast het onderhavige Wob-verzoek heeft eiser immers op

25 juni 2013 een Wob-verzoek ingediend bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM). Niet gebleken is, mede gelet op de samenhang tussen de verschillende documenten, waarom gemachtigde van eiser niet alle door eiser gewenste documenten in één Wob-verzoek heeft opgesomd. De verklaring die gemachtigde van eiser ter zitting hiervoor heeft gegeven, namelijk dat zijn behoefte om andere documenten te verkrijgen vaak voortkwam uit de door verweerder in het kader van het eerste verzoek verstrekte documenten, acht de rechtbank, mede gelet op de ruime kennis en ervaring van gemachtigde en zijn stelling dat hij het als zijn taak ziet cliënten zo snel mogelijk en zo efficiënt mogelijk in hun behoeften te voorzien, niet plausibel. Gemachtigde van eiser had dan ook moeten begrijpen dat het over afzonderlijke Wob-verzoeken spreiden van de wens om samenhangende documenten te ontvangen, een tijdige besluitvorming kan bemoeilijken.

12. Voorts heeft gemachtigde van eiser zijn Wob-verzoeken in de meeste gevallen ‘verkapt’ ingediend. De informatieverzoeken zijn veelal neergelegd in administratieve beroepen tegen de verkeersboetes, hetgeen de herkenning van het Wob-verzoek als zodanig kan bemoeilijken. Van belang hierbij is dat in deze brieven bij ‘Betreft’ nimmer de woorden ‘Wob-verzoek’ of woorden van gelijke strekking zijn gebruikt. In het onderhavige geval heeft de gemachtigde van eiser in zijn Wob-verzoek, ingediend bij de gemeente Valkenburg aan de Geul, bij ‘Betreft’ de woorden ‘Verzoek om informatie’ gebruikt. In het Wob-verzoek dat eiser met betrekking tot dezelfde verkeersboete bij de CVOM heeft ingediend, heeft eiser bij ‘Betreft’ de woorden ‘Administratief beroep’ gebruikt. Dat uit de inhoud van de brief vervolgens wél blijkt dat het om een Wob-verzoek gaat, doet volgens de rechtbank in zoverre niet af aan de mogelijke bemoeilijking van de herkenning van het verzoek. Van bestuursorganen hoeft immers niet te worden verwacht dat zij elk poststuk integraal lezen om ze vervolgens te kunnen sorteren om ze naar de juiste afdeling onder de juiste noemer door te zenden, terwijl van een professionele rechtsbijstandverlener toch mag worden verwacht dat hij duidelijk en zo specifiek en volledig mogelijk is in zijn omschrijving van het onderwerp van de brief. Daarbij komt dat onder de kop ‘Verzoek’ slechts is samengevat dat verzocht wordt om gegrondverklaring van het administratief beroep en om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelt vast dat het algemeen gebruikelijk is dat onder de kop ‘verzoek’ in een dergelijke brief een samenvatting wordt gegeven van waarom is verzocht in de desbetreffende brief. De rechtbank overweegt dat gemachtigde van eiser met zijn handelwijze moet hebben geweten dat het de praktische werkbaarheid en daarmee de tijdige besluitvorming onnodig kan bemoeilijken.

13. Voorts is van belang dat gemachtigde zijn correspondentie met grote regelmaat aan een verkeerd faxnummer of onder vermelding van een verkeerd postbusnummer aan verweerder heeft verzonden, terwijl het juiste faxnummer en postadres aan hem in eerdere zaken en de onderhavige zaak is meegedeeld en derhalve bekend was.

13.1.

Zo is het de rechtbank ambtshalve bekend dat het postbusnummer van de CVOM, waaraan eiser zijn Wob-verzoek van 25 juni 2013 heeft gericht, namelijk postbus 50000, het algemene postbusnummer voor Mulderzaken van de CVOM is. Gemachtigde is hier beroepshalve mee bekend. Hoewel de CVOM in de onderhavige procedure niet de verwerende partij is, acht de rechtbank het van belang deze factor toch mee te wegen in de afweging of al dan niet sprake is van misbruik van recht, nu deze procedure voortvloeit uit het bij de CVOM ingediende Wob-verzoek en deze handelingen van gemachtigde van eiser licht werpen op zijn algemene werkwijze. Van een professionele rechtsbijstandverlener die op grote schaal bij de CVOM procedures voert, mag derhalve worden verwacht dat correspondentie naar het juiste adres wordt verzonden. De rechtbank wijst erop dat het richten van correspondentie aan een onjuist postadres kan leiden tot vertraging in de behandeling.

14. Gelet op het vorenstaande en alle misbruikindicatoren op zichzelf en in samenhang gewogen, is de rechtbank van oordeel dat gemachtigde van eiser de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hij heeft die bevoegdheid derhalve gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Gemachtigde van eiser heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee gemachtigde van eiser de Wob heeft gebruikt. De handelwijze van gemachtigde van eiser moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde van eiser de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe heeft gemachtigd.

15. Met betrekking tot het verzoek van verweerder om gemachtigde van eiser te veroordelen in de proceskosten, oordeelt de rechtbank dat dit verzoek wordt afgewezen, nu gemachtigde van verweerder geen professionele rechtsbijstandverlener is.

16. Het beroep is niet-ontvankelijk te achten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.

w.g. Y.L.J. Damoiseaux,

griffier

w.g. A.W.P. Letschert,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 december 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.