Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:10102

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1368u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA zijn – kort gezegd – alleen werknemers in de zin van de Ziektewet (ZW) beschermd. Uit artikel 3, tweede lid, van de ZW in samenhang gelezen met artikel 3a van de ZW volgt samengevat, dat degene die zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult niet als werknemer in de zin van de ZW wordt beschouwd tenzij dit uit de bepalingen van een verdrag of een besluit van volkenrechtelijke organisatie voortvloeit. De Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2014 regelt de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de Lidstaten. In artikel 11, derde lid, onder a, van deze Verordening is bepaald dat degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat geldt. Een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee, dat ter zake van eisers ziekmelding uit zijn werk in Genk (België) geen recht ontstond op uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarmee kan er ook geen sprake zijn van uitsluiting van dat recht als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, ten eerste van die wet. Dat laatste nu is voorwaarde voor de mogelijkheid van toepassing van zowel de dagloonherziening op grond van artikel 13a als van de garantieregeling van artikel 62, vijfde lid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/1368

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Schepers),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: mr. K. van der Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een dagloonherziening dan wel een garantie-uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 12 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op 29 april 1958, ontvangt sinds 10 september 2007 een uitkering op grond van de Wet WIA. Met ingang van mei 2010 is eiser in loondienst gaan werken bij een rijschool in Genk, België. Op 11 oktober 2012 is eiser ziek uitgevallen, waarna op 28 november 2012 het dienstverband is geëindigd. Wegens de ziekmelding is aan eiser per datum ziekmelding een ziekengelduitkering toegekend door de Socialistische Mutualiteit in België. Deze uitkering is per 21 oktober 2013 beëindigd. Vervolgens heeft verweerder aan eiser per 21 oktober 2013 in zijn hoedanigheid van ‘grensarbeider’ en onder toepassing van de EG-verordening 883/2004 een werkloosheidsuitkering toegekend.

2. Eiser beoogt per 9 oktober 2014 in aanmerking te komen voor een garantie-uitkering en/of een herziening van zijn WIA-dagloon, nu in zijn ogen per genoemde datum sprake is van een periode van ziekte van 104 weken vanuit het dienstverband bij de rijschool.

3. Verweerder stelt zich echter primair op het standpunt (verwoord in het primaire besluit van 6 november 2014) dat eiser hiervoor niet in aanmerking komt, omdat hij niet verzekerd is voor het Nederlandse recht. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt (zo blijkt uit de aanvulling in het bestreden besluit van 12 maart 2015) dat er geen ‘tweede recht’ op een WIA-uitkering is ontstaan, in die zin dat het WIA-dagloon wordt herzien of een garantie-uitkering wordt toegekend, omdat de wachttijd van 104 weken niet is volgelopen. Eiser ontvangt immers per 21 oktober 2013 onafgebroken een WW-uitkering.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA zijn – kort gezegd – alleen werknemers in de zin van de Ziektewet (ZW) beschermd. Uit artikel 3, tweede lid, van de ZW in samenhang gelezen met artikel 3a van de ZW volgt samengevat, dat degene die zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult niet als werknemer in de zin van de ZW wordt beschouwd tenzij dit uit de bepalingen van een verdrag of een besluit van volkenrechtelijke organisatie voortvloeit. De Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2014 regelt de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de Lidstaten. In artikel 11, derde lid, onder a, van deze Verordening is bepaald dat degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat geldt. Een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee, dat ter zake van eisers ziekmelding uit zijn werk in Genk (België) geen recht ontstond op uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarmee kan er ook geen sprake zijn van uitsluiting van dat recht als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, ten eerste van die wet. Dat laatste nu is voorwaarde voor de mogelijkheid van toepassing van zowel de dagloonherziening op grond van artikel 13a als van de garantieregeling van artikel 62, vijfde lid. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser laatstelijk een WW-uitkering heeft genoten. Het in het primaire besluit verwoorde (en in het besluit op bezwaar volgens de gemachtigde van verweerder ter zitting kennelijk gehandhaafde) primaire standpunt van verweerder is derhalve juist.

6. Ter zitting heeft eisers gemachtigde naar voren gebracht dat hij tevens blijft bij zijn in de gronden van beroep ingenomen standpunt dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie. Het zou volgens hem voor het te gelde maken van het recht op een WIA‑uitkering geen verschil mogen uitmaken of de werkzaamheden zijn verricht in Nederland dan wel in België. Dit standpunt is echter geenszins onderbouwd en treft reeds daarom geen doel. Het betoog van eiser ter zitting dat verweerder hem had moeten waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van het aanvaarden van een dienstbetrekking buiten Nederland en het vervolgens ziek worden vanuit die dienstbetrekking, wat daar ook van zij, leidt evenmin tot de conclusie dat het primaire standpunt van verweerder rechtens onjuist is.

7. Omdat het primaire standpunt van verweerder stand houdt, ziet de rechtbank geen aanleiding om tevens het subsidiaire standpunt te beoordelen.

8 Het beroep is ongegrond.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, voorzitter, en mr. C.M. Nollen en

mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2015.

w.g. W. Bocken,

griffier

w.g. E.J. Govaers,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 december 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.