Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:998

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
C/03/184415 / HA RK 13-122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Gebondenheid van partijen aan oordeel in eerder deelgeschil bij voortgezette onderhande¬lingen, volgend op het oordeel in het deelgeschil. Indien tussen partijen in een deelgeschil een oordeel is gegeven over de aansprakelijkheid van een partij, zijn partijen – naar analogie van artikel 1019 cc Rv – bij de daarop volgende onderhandelingen over de begroting van de schade gebonden aan de door de rechtbank in het eerdere deelgeschil vastgestelde feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid. Hetzelfde geldt voor een deelgeschilrechter oordelend in een opvolgend deelgeschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2014/46

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

C/03/184415 / HA RK 13-122Concept!

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/184415 / HA RK 13-122

Beschikking van 5 februari 2014

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. P.H.M. Hartmans-Jansen te Eijsden-Margraten;

en

de stichting

STICHTING REINAERT KLINIEK,

gevestigd te Maastricht,

belanghebbende,

advocaat mr. Chr.H. van Dijk te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

Op 1 oktober 2013 is door de rechtbank een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv met bijlagen ontvangen van verzoeker, verder te noemen: “[verzoeker].” De rechtbank heeft daarop een datum voor de mondelinge behandeling van het verzoekschrift bepaald.

Op 3 januari 2014 heeft de rechtbank een verweerschrift met bijlagen ontvangen van verweerster, verder te noemen: “Reinaert Kliniek.”

Op 22 januari 2014 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden. Beide partijen hebben standpunten naar voren gebracht, van de zijde van [verzoeker] onder het overleggen van een pleitnotitie.

Na afloop van de behandeling heeft de rechtbank de datum van de beschikking bepaald, die thans is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1.

De rechtbank heeft op 13 december 2010 naar aanleiding van een verzoekschrift van [verzoeker] in een eerdere deelgeschilprocedure (zaaknummer 153861 / HA RK 10-101, hierna ook te noemen: “het eerste deelgeschil”) tussen partijen een beschikking gegeven. In die beschikking heeft de rechtbank – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat Reinaert Kliniek aansprakelijk is voor de schade die is voortgevloeid uit een door [naam chirurg] (verder te noemen: “[naam chirurg]”), die als vrijgevestigd chirurg werkzaam was in de door Reinaert Kliniek geëxploiteerde kliniek, bij [verzoeker] uitgevoerde operatie.

2.2.

Die operatie heeft daarin bestaan dat [naam chirurg] [verzoeker] heeft geopereerd aan diens penis, in verband met een zwelling en granulomen in de penis en het scrotum, welke aandoening was gediagnosticeerd als het zogenaamde Melkersson-Rosenthalsyndroom.

2.3.

Bij die operatie heeft [naam chirurg] over een lengte van ongeveer 7 cm van de penis een operatiewond aangebracht ten einde het oedemateus weefsel te verwijderen. Vervolgens is de huid primair gesloten. De voorhuid is echter gaan necrotiseren. In een volgende operatie is die voorhuid verwijderd en zijn rondom hechtingen aangebracht. Waarschijnlijk als gevolg van deze hechtingen in combinatie met een zwelling, is de operatienaad over de lengte van de penis opengegaan.

2.4.

Nadat [verzoeker] op advies van [naam chirurg] maandenlang de open wond zelf had verzorgd, heeft [verzoeker] zich gewend tot het VU-ziekenhuis te Amsterdam. Daar heeft hij op 20 februari 2008 een hersteloperatie ondergaan, waarbij een huidtransplantatie is toegepast. Bij schrijven van 25 februari 2008 heeft [verzoeker] de Reinaert Kliniek aansprakelijk gesteld.

2.5.

[verzoeker] heeft in het verzoekschrift waarmee het eerste deelgeschil is ingeleid, het volgende aangevoerd:

“5.1 Verzoeker ([verzoeker], de rechtbank) is van mening dat verweerder (Reinaert Kliniek, de rechtbank) ten onrechte slechts aansprakelijkheid erkent voor een therapeutisch delay van enkele maanden. In deze zij verwezen naar productie 25. Verzoeker is van mening dat hij onvoldoende is geïnformeerd over de ingreep (de plastische chirurg heeft eiser niet geïnformeerd over de mogelijke risico’s van de ingreep) en hij zou, had hij geweten van deze risico’s de operatie nimmer hebben ondergaan.

5.2

Bovendien had hij geweten dat de plastisch chirurg hier te lande niet geregistreerd was in het BIG register als plastisch chirurg hij evenmin de operatie zou laten verrichten door een niet geregistreerd plastisch chirurg.

5.3

Verder is verzoeker van mening dat er getwijfeld kan worden aan het lege artis handelen tijdens de ingreep, dit mede ingegeven door het gegeven dat de plastische chirurg geen kennis had van de aandoening en ook geen ervaring met het opereren in de genitale regio. Hoe dan ook had het op zijn weg gelegen in overleg te treden met eerdere behandelaars of verzoeker door te verwijzen naar een ervaren chirurg.”

2.6.

De rechtbank heeft in het eerste deelgeschil, onder andere, het volgende overwogen:

“3.13. De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde tekortkomingen zowel schending van de informed consentverplichting als de lege artisverplichting opleveren. Immers, het zonder enige kennis en ervaring en zonder inlichtingen te vragen bij vorige (of wel ervaren) behandelaren opereren van een zeldzame, maar niet levensbedreigende aandoening, levert naar het oordeel van de rechtbank schending van de lege artisverplichting op. Het niet-informeren van de patiënt daarover kan worden beschouwd als schending van de informed consentverplichting. Het niet wijzen op het risico van het scheuren van de gehele operatiewond, alsmede het voorstellen van de operatie als “vergelijkbaar met een circumcisie”, levert schending op van de informed consentverplichting, terwijl de gebrekkige nabehandeling na de tweede operatie weer als een tekortkoming in de lege artisverplichting kan worden beschouwd. Voor het uiteindelijke oordeel van de aansprakelijkheid van de Reinaert Kliniek acht de rechtbank voormeld onderscheid overigens niet relevant, nu zij het aannemelijk acht dat een redelijk handelend patiënt de omstreden operatie niet door [naam chirurg] zou hebben laten uitvoeren, indien hij op de hoogte was geweest van de risico’s, zoals die zich hebben verwezenlijkt, van de onervarenheid en het gebrek aan kennis van [naam chirurg] in hogergemelde zin, als ook, daarmee verband houdend, op de hoogte was geweest van het feit dat [naam chirurg] voor de operatie geen contact heeft gehad met de vorige behandelaren.

3.14.

Het feit dat [verzoeker] zich ten einde raad tot [naam chirurg] heeft gewend en vanwege die wanhoop misschien toch had laten opereren, is in die zin niet relevant, nu “de redelijk handelend patiënt” als maatstaf dient te gelden. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat het ten einde raad zijn van [verzoeker] voor [naam chirurg] een reden te meer had moeten zijn te waarborgen dat [verzoeker] niet te gemakkelijk “ja” zou zeggen tegen de voorgestelde ingreep.

3.15.

Nu reeds op voormelde gronden kan worden geconcludeerd dat, indien [naam chirurg] niet was tekortgeschoten op de wijze zoals hierboven vastgesteld, [verzoeker] de operatie niet (door [naam chirurg]) zou hebben laten uitvoeren en reeds geheel aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade, kan in het midden blijven of de operatie zelf lege artis is uitgevoerd. Ook in het midden kan blijven de relevantie van het feit dat [naam chirurg] niet was geregistreerd in het zogenaamde BIG-register.”

2.7.

Partijen zijn het in de voortgezette onderhandelingen na de beschikking van 13 december 2010 niet eens geworden over de hoogte van de schade zoals die door [verzoeker] werd gevorderd en het causaal verband van die schade met de omstreden gedragingen, dan wel het nalaten van [naam chirurg], waarvoor Reinaert Kliniek aansprakelijk is.

2.8.

Op gezamenlijk verzoek partijen heeft deskundige Buncamper, plastisch chirurg, die eerder al een deskundigenbericht had opgesteld op verzoek van partijen, op 16 november 2011 nader gerapporteerd. Buncamper rapporteert op verzoek van partijen nogmaals aanvullend op 23 februari 2012.

2.9.

Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft deskundige dr. Kan (verder te noemen: “Kan”) een psychiatrische expertise uitgebracht. Volgens [verzoeker] zijn partijen daarnaast overeengekomen dat ter vaststelling van de schade een verzekeringsgeneeskundig rapport, en daarna een arbeidsdeskundig rapport worden uitgebracht.

2.10.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat met schaderegelaar Hulsbergen, die optreedt namens de verzekeraar van Reinaert Kliniek, is overeengekomen dat een verzekeringsgeneeskundig rapport en een arbeidsdeskundig rapport zou worden ingewonnen om het verlies aan arbeidsvermogen en het verlies aan zelfredzaamheid van [verzoeker] in kaart te brengen. Dit verzoekschrift is mede gericht op het doen nakomen van deze afspraken.

2.11.

Verder verzoekt [verzoeker] om toekenning van een voorschot op de schade-uitkering, nu hij zijn hoofd financieel niet boven water kan houden en de lopende onderhandelingen zonder een dergelijk voorschot vastlopen. Uit de door Buncamper en Kan opgestelde deskundigenrapporten volgt volgens [verzoeker] dat hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [naam chirurg] schade lijdt, onder meer in de vorm van verlies aan arbeidsvermogen. De omvang van die schade dient door middel van een verzekeringsgeneeskundig bericht en een arbeidsdeskundig bericht te worden vastgesteld. Dit verzoekschrift is mede gericht op het doen nakomen van deze afspraken.

2.12.

Op grond van het vorenstaande verzoekt [verzoeker] – naar de rechtbank het verzoek begrijpt – dat de rechtbank:

1. Reinaert Kliniek veroordeelt tot een betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 76.000,-- wegens bevoorschotting, althans een door de rechtbank nader te bepalen bedrag;

2. Reinaert Kliniek veroordeelt tot nakoming van de afspraken ten aanzien van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige deskundigenberichten;

3. Reinaert Kliniek veroordeelt in de kosten van deze procedure.

2.13.

Het verzoek wordt gemotiveerd betwist door Reinaert Kliniek. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

3 De beoordeling

3.1.

Ten aanzien van het sub 2 verzochte overweegt de rechtbank aanstonds het volgende. [verzoeker] stelt dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over het laten uitvoeren van een verzekeringsgeneeskundig rapport, gevolgd door een arbeidsdeskundig rapport. [verzoeker] verwijst daartoe naar een verslag tussen de advocate van [verzoeker], mr. Sturkenboom namens de verzekeraar van Reinaert Kliniek en mr. Hulsbergen, mediator (productie 15 bij het verzoekschrift). In dat verslag is naar het oordeel van de rechtbank slechts opgenomen welke onderzoeken nog moeten worden uitgevoerd (waaronder de uitgevoerde onderzoeken door een plastisch chirurg, Buncamper, en een psychiater, Kan) en dat na het nadere bericht van de plastisch chirurg en het bericht van de psychiater nog onderzoeken dienen plaats te vinden door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige. Dit alles voor het geval de uitspraak in het eerste deelgeschil tot uitgangspunt wordt genomen. De rechtbank kan dit verslag niet anders uitleggen dan dat partijen het eens zijn over de nog te volgen “marsroute” (de nog uit te voeren onderzoeken), maar niet dat zij zich hierin onvoorwaardelijk (bv. ongeacht de uitkomst van een geschil als het onderhavige) verplichten die route (geheel) te volgen.

3.2.

Zoals uit het hierboven weergegevene blijkt, is het onderhavige deelgeschil een vervolg van het eerste deelgeschil, dat is zoals gezegd geëindigd met de beschikking van 13 december 2012. Naar aanleiding van die beschikking hebben partijen verder onderhandeld, maar zij zijn niet tot overeenstemming kunnen komen ten aanzien van de hoogte van de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van [naam chirurg] in de uitvoering van de medische behandelingsovereenkomst met [verzoeker].

3.3.

Het geschil tussen partijen komt in essentie neer op de vraag wat de feitelijke grondslag is van de geoordeelde schending van de informed consentverplichting op basis waarvan de aansprakelijkheid van Reinaert Kliniek is aangenomen en op basis waarvan de schade moet worden begroot. Volgens [verzoeker] is de feitelijke grondslag van de aansprakelijkheid van Reinaert Kliniek dat hij zich niet door [naam chirurg] zou hebben laten opereren, indien hij zou hebben geweten dat [naam chirurg] geen ervaring had met de uitgevoerde operatie, maar dat hij zich wel door een andere ervaren en kundige plastisch chirurg zou hebben laten opereren. Reinaert Kliniek stelt echter dat bij de begroting van de schade moet worden uitgegaan van de vaststelling dat indien [verzoeker] door [naam chirurg] zou zijn voorgelicht over de risico’s van de uitgevoerde operatie, [verzoeker] zich in geen geval zou hebben laten opereren, ongeacht door wie.

3.4.

Dat onderscheid is van belang in verband met het volgende. Indien zou moeten worden uitgegaan van het feit dat [verzoeker] de omstreden operatie niet zou hebben laten uitvoeren indien hij op de hoogte was geweest van de daaraan verbonden risico’s, dan moet ter bepaling van de schade als gevolg van de door de rechtbank in het eerste deelgeschil vastgestelde toerekenbare tekortkomingen de gezondheidstoestand waarin [verzoeker] thans verkeert worden vergeleken met die in de hypothetische situatie dat [verzoeker] de operatie niet zou hebben laten uitvoeren. Indien echter zou moeten worden aangenomen dat [verzoeker] zich vanwege de onervarenheid van [naam chirurg] met de uitgevoerde operatie, mede in het licht van de aan de operatie verbonden risico’s, niet door [naam chirurg] zou hebben laten opereren, maar wel door een ander plastisch chirurg, die als zodanig staat ingeschreven in het BIG-register, en die ervaring had met de uitgevoerde operatie en op dat gebied deskundig was, dan moet, zoals [verzoeker] in dat geval terecht stelt, ter begroting van de schade de gezondheidstoestand waarin hij thans verkeert vergeleken worden met de hypothetische gezondheidstoestand van [verzoeker] indien hij door een ervaren plastisch chirurg in voormelde zin zou zijn geopereerd.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank moet bij de beoordeling van de vraag welke schade [verzoeker] heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van Reinaert Kliniek tot uitgangspunt worden genomen de aard en de inhoud van die tekortkomingen zoals deze in het eerste deelgeschil zijn vastgesteld. Naar analogie van het bepaalde in artikel 1019cc Rv, waaruit volgt dat een rechter, oordelende ten principale, op dezelfde wijze is gebonden aan een oordeel in een deelgeschil, als ware die beslissing gegeven in een tussenvonnis in die procedure ten principale, dient bij de vaststelling van de schade in de verdere onderhandelingen tussen partijen de uitspraak in het eerste deelgeschil de grondslag te vormen. Het verzochte oordeel in het deelgeschil dient immers juist om een impasse in de onderhandelingen tussen partijen (over de afwikkeling van de schade) te doorbreken en het oordeel in een deelgeschil vervolgens als bindend uitgangspunt te laten dienen voor die verdere onderhandelingen. Aan dat doel zou een deelgeschil niet beantwoorden indien een partij in de voortgezette onderhandelingen na de beslissing in het eerste deelgeschil een andere feitelijke grond voor de tekortkoming aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag zou kunnen leggen.

3.6.

Indien partijen het niet eens zijn over de uitleg van de feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid op basis waarvan schade volgens een oordeel in een deelgeschil moet worden begroot, of indien een van partijen zich op het standpunt stelt dat het oordeel van de rechter in het deelgeschil daaromtrent naar later blijkt niet juist is, dan dienen partijen in een nieuw deelgeschil een oordeel te verzoeken over de juiste strekking van de feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid, dan wel te verzoeken dat de rechtbank terugkomt op het in het eerdere deelgeschil gegeven oordeel. [verzoeker] heeft dat echter niet gedaan. Derhalve moet worden uitgegaan van de feitelijke grondslag waarop het oordeel van de rechtbank van 13 december 2010 dat sprake is van een schending van de informed consentverplichting is gebaseerd.

3.7.

De stelling van [verzoeker] in diens schrijven van 25 mei 2011 aan het schaderegelingsbureau dat voor Reinaert Kliniek optrad, dat het verwijt dat hij ten tijde van het eerste deelgeschil maakte op grond van voortschrijdend inzicht kan worden bijgesteld, vindt geen steun in het recht. In dat verband wil de rechtbank niet onvermeld laten dat er ook geen sprake is voortschrijdend inzicht ten aanzien van de door [verzoeker] genoemde feiten. Het voortschrijdend inzicht ziet volgens [verzoeker] op de beweerdelijke feiten dat ten tijde van het eerste deelgeschil niet bekend was dat [naam chirurg] geen plastisch chirurg was en dat het syndroom waaraan [verzoeker] toentertijd leed, en thans nog steeds lijdt, meer in het bijzonder dat dat optreedt in de genitale regio, wél operabel is. Voorafgaand aan het eerste deelgeschil had Buncamper in een rapport van 20 juli 2009 immers al gerapporteerd dat voor de initiële operatie genoeg literatuur is om een operatie te staven en dat er daarom geen sprake is van een onzorgvuldige behandeling. Voorts wist [verzoeker] ten tijde van het eerste deelgeschil al dat [naam chirurg] geen plastisch chirurg was. [verzoeker] stelt immers zelf in zijn pleitnotitie in het eerste deelgeschil (zie onder 10) dat [naam chirurg] chirurg was, maar zich uitgaf als plastisch chirurg.

3.8.

Allereerst dient derhalve te worden beoordeeld op basis van welke feitelijke grondslag de rechtbank in het eerste deelgeschil Reinaert Kliniek aansprakelijk heeft geoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het feit dat [naam chirurg] niet aan zijn informed consentverplichting heeft voldaan, omdat hij [verzoeker] niet heeft geïnformeerd over de risico’s die waren verbonden aan de operatie, welke risico’s zich ook hebben verwezenlijkt, en [verzoeker] zich niet zou hebben laten opereren indien hij de risico’s zou hebben gekend. De rechtbank overweegt immers in 3.15. van haar beschikking van 13 december 2010 dat: “indien [naam chirurg] niet was tekortgeschoten op de wijze zoals hierboven vastgesteld, [verzoeker] de operatie niet (door [naam chirurg]) zou hebben laten uitvoeren en reeds geheel aansprakelijk is voor de voor [verzoeker] geleden schade, kan in het midden blijven of de operatie zelf lege artis is uitgevoerd.” Met het tussen haakjes plaatsen in voormeld citaat van de naam [naam chirurg] heeft de rechtbank willen aangeven dat, zo [verzoeker] de operatie al had willen laten uitvoeren, gelet op de daaraan verbonden risico’s - wat [verzoeker] volgens de rechtbank expliciet niet wilde (zie 5.1 van het eerste verzoekschrift) - hij in ieder geval die operatie niet door [naam chirurg] zou hebben willen laten uitvoeren, gelet op diens gebrek aan ervaring en deskundigheid. Het vermelden van de naam van operateur [naam chirurg] is dus niet gebeurd als aparte grond voor de onderbouwing van de aansprakelijkheid van Reinaert Kliniek, vanwege de onervarenheid van [naam chirurg].

3.9.

De rechtbank heeft ook de feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid aldus verstaan dat [verzoeker] in het eerste deelgeschil slechts heeft gesteld dat hij de operatie niet zou hebben laten uitvoeren, indien hij op de hoogte was geweest van de risico’s die zich hebben verwezenlijkt en niet ook, dat hij zich in dat geval door een andere, op het specifieke terrein van zijn aandoening ervaren en deskundig plastisch chirurg had laten opereren. In zijn verzoekschrift (zie de hierboven geciteerde tekst uit 5.1. en 5.2. uit het verzoekschrift in het eerste deelgeschil) stelt [verzoeker] immers voorop dat hij onvoldoende was geïnformeerd over de ingreep en dat, had hij geweten van deze risico’s, de operatie nimmer (cursivering door de rechtbank) zou hebben ondergaan. Daarnaast stelt [verzoeker] dat hij de operatie bovendien (cursivering door de rechtbank) niet zou hebben laten verrichten door een in Nederland niet in het BIG geregistreerd plastisch chirurg.

3.10.

Uit het gebruik van het woord “nimmer” volgt dat [verzoeker] stelt dat hij zich nooit zou hebben laten opereren indien hij van de risico’s op de hoogte was geweest, ongeacht wie de operatie zou hebben uitgevoerd. Het gebruik van het woord “bovendien” dient slechts ter versterking en nadere onderbouwing van die stelling, in die zin dat [verzoeker] stelt dat van de operatie temeer zou zijn afgezien indien hij zou hebben geweten dat deze zou worden uitgevoerd door een onervaren chirurg als [naam chirurg]. In het licht van deze stellingen moet de beslissing van de rechtbank van 13 december 2010 dan ook worden uitgelegd.

3.11.

Ook uit de pleitnotitie van [verzoeker] in het eerste deelgeschil volgt dat hij zich toen op het standpunt stelde dat hij zich nooit, ongeacht de persoon van de operateur, zou hebben laten opereren, indien hij op de hoogte was geweest van de risico’s van de operatie. In alinea 2, onder het kopje “Informed consent” is immers het volgende opgenomen: “Namens verzoeker is gesteld dat hij deze operatie niet zou hebben ondergaan indien hij wist van de mogelijke risico’s van de ingreep. Dat moge voor de hand liggen, nu verzoeker werd geopereerd aan zijn penis welke al enige deformatie kende. Hij wilde uiteraard niet “van de regen in de drup” komen.”

3.12.

Bovendien kan de feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid door [verzoeker] niet worden gewijzigd, omdat enkel van belang is van welke omstandigheden hij ten tijde van de operatie zijn beslissing om zich al dan niet te laten opereren heeft laten afhangen. Ten tijde van de operatie waren dat enkel de specifieke risico’s verbonden aan de operatie.

3.13.

Dat betekent dat als feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid van Reinaert Kliniek moet worden aangenomen de door de [verzoeker] aangevoerde en door rechtbank juist geoordeelde en als onderbouwing voor de aansprakelijkheid van Reinaert Kliniek gebruikte stelling dat een redelijk handelend patiënt de omstreden operatie nimmer zou hebben laten uitvoeren indien hij op de hoogste zou zijn van de omstreden risico’s, ongeacht wie de operatie zou uitvoeren.

3.14.

Hieruit volgt, zoals Reinaert Kliniek terecht stelt, dat ter begroting van de schade moet worden vergeleken de gezondheidstoestand waarin [verzoeker] thans verkeert met de gezondheidstoestand waarin [verzoeker] zou hebben verkeerd indien hij zou hebben afgezien van de operatie.

3.15.

De rechtbank stelt voorop dat bij de vraag of [verzoeker] inkomensschade heeft geleden geen gewicht toekomt aan het schrijven van Reinaert Kliniek van 24 mei 2013 (productie 39 bij het verzoekschrift). In dat schrijven wordt door VVAA (de verzekeraar van Reinaert Kliniek) immers niet ontkend dat [verzoeker] schade heeft geleden als gevolg van de operatie, maar wordt wel gesteld dat [verzoeker] geen (aanzienlijke) arbeidsvermogensschade heeft geleden. In dat kader verwijst VVAA naar de conclusie van Kan dat [verzoeker] ten tijde van de omstreden operatie al voor meer dan 80% was afgekeurd.

3.16.

Reinaert Kliniek stelt – kort samengevat – dat op grond van bedoelde vergelijking moet worden geoordeeld dat geen sprake is van inkomensschade aan de zijde van [verzoeker], omdat deze ten tijde van de operatie al (vier jaar) 80-100% arbeidsongeschikt was.

3.17.

Voor de vraag wat de gezondheidstoestand van [verzoeker] was ten tijde van de omstreden operatie is met name het rapport van Kan relevant, en wel met name zijn beoordeling van de gezondheidstoestand van [verzoeker] vóór de omstreden operatie.

3.18.

Kan citeert in zijn rapportage uit een voortgangsrapportage arbeidsongeschiktheidsverzekering opgesteld door de heer Hoefnagels op 21 mei 2007. Deze rapporteerde toen als volgt: “Gezien de gepresenteerde klachten van cliënt, die blijkbaar nauwelijks zijn verbeterd ten opzichte van mijn beoordeling in 2006, acht ik cliënt nog steeds voor meer dan 80% arbeidsongeschikt voor zijn eigen werkzaamheden. Ten aanzien van passende arbeid acht ik het in deze fase, gezien de nog lopende behandeling en waarschijnlijk te ondergane operatie niet te onderbouwen om voor cliënt passende functies te kunnen duiden zonder opgesteld belastbaarheidspatroon.”

De vraag: “Hoe beoordeelt u het functioneren vóór de operatieve behandeling van juli 2007?”, beantwoordt Kan - onder andere – als volgt:

“Op het gebied van loonvormende arbeid was, afgaande de correspondentie uit het medisch dossier en de informatie van de huisarts en het telefoongesprek met partner reeds enige jaren voor de operatie sprake van beperkt functioneren van betrokkene.”

Verder stelt Kan nog het volgende:

“Ook vermeldt een brief d.d. 25-04-2006 van arbeidskundige Hoefnagels dat betrokkene meer dan 80% arbeidsongeschikt was en er geen andere passende mogelijkheden op de arbeidsmarkt geduid konden worden. Op 10-05-2007 vond een heronderzoek plaats waaruit geconcludeerd werd dat de situatie zowel op mentaal als fysiek vlak eerder verslechterd was.”

De vraag: “Is er sprake van verergering van die klachten en zo ja, wanneer is deze verergering opgetreden en is deze verergering dan toe te schrijven aan het optreden van het Melkersson-Rosenthalsyndroom of zijn andere oorzaken aan te wijzen?”, beantwoordt Kan als volgt:

“De psychische decompensatie in 2005, een “depressieve stoornis en een levenscrisis bij karakterproblematiek”, waarvoor betrokkene bij het Riagg Maastricht terecht komt, lijkt (volgens correspondentie huisarts en brief psychiater Rongen) niet direct samen te hangen met het Melkersson-Rosenthal syndroom, maar met zakelijke problemen, het overlijden van oma van betrokkene en de beëindiging van een driehoeksrelatie. Mw. Rongen beschrijft in een latere brief echter wel dat hoewel begin 2006 de klachten in remissie leken, ze op 22-09-2006 weer volledig blijken te zijn teruggekeerd en zijn toegenomen naar aanleiding van de ziekte van Melkersson-Rosenthal.

Samengevat lijken de psychische klachten van betrokkene gedeeltelijk geluxeerd en verergerd door de somatische klachten passende bij het Melkersson-Rosenthal syndroom, maar zijn er daarnaast ook andere factoren van invloed geweest op het beloop.”

Op de vraag of er vóór de operatie reeds klachten en afwijkingen op het vakgebied van de psychiatrie bestonden die [verzoeker] thans nog heeft, antwoordt Kan als volgt:

“Ja, (…) in de samenvatting van de relevante documenten en uit anamnese met betrokkene komt naar voren dat betrokkene al vóór de onzorgvuldige behandeling last had van sombere periodes, die vanaf 2003 ten dele veroorzaakt werden door de genitale klachten en ten dele door verschillende andere gebeurtenissen (beëindigen driehoeksrelatie, overlijden oma, problemen op het werk etc.). Uit de brieven van het huisartsgeneeskundig en medisch dossier en het gesprek met mevrouw Rongen komt naar voren dat de symptomen die betrokkene momenteel ervaart, waaronder somberheid, slecht slapen, minder eetlust, boosheid, suïcidale gedachten en anhedonie, ook al aanwezig waren vóór de onzorgvuldige behandeling.”

Op de vraag of Kan kan aangeven welke beperkingen vóór de operatie uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien, antwoordt Kan als volgt:

“Vóór de onzorgvuldige behandeling was betrokkene als gevolg van zijn klachten reeds beperkt in het uitvoeren van loonvormende arbeid, zoals blijkt uit de rapportage van o.a. dhr. Hoefnagels, waarin hij meer dan 80% werd afgekeurd.”

3.19.

Uit het rapport van Kan concludeert de rechtbank dat [verzoeker] ten tijde van de omstreden operatie ook al geheel arbeidsongeschikt was. In vergelijking met de huidige gezondheidstoestand is er derhalve geen verslechtering in de gezondheidstoestand opgetreden in de zin dat de verdiencapaciteit van [verzoeker] is verminderd. Dat betekent dat het verzochte verzekeringsgeneeskundige en het arbeidsdeskundige onderzoek geen zin hebben, nu de deskundigen die deze onderzoeken zullen moeten uitvoeren geen verlies in verdienvermogen zullen kunnen vaststellen, omdat er zowel in de huidige gezondheidstoestand als in de gezondheidstoestand van [verzoeker] ten tijde van de operatie wegens het percentage arbeidsongeschiktheid van 80-100 geen verdiencapaciteit was.

3.20.

Dat brengt met zich dat het verzoek tot het toekennen van een voorschot moet worden afgewezen. Dat verzoek is immers (mede) gebaseerd op de stelling dat [verzoeker] als gevolg van de tekortkomingen van Reinaert Kliniek verlies in verdiencapaciteit heeft opgelopen. Nu er geen veranderingen in negatieve zin zijn opgetreden in het verdienvermogen ten opzichte van de situatie ten tijde van de operatie, is er geen grond om een dergelijk voorschot toe te kennen. Dat Reinaert Kliniek eerder een aanbod ter finale kwijting heeft gedaan om € 50.000,-- te betalen, is niet relevant, nu dat aanbod is gedaan onder de voorwaarde dat daarop in rechte geen beroep kan worden gedaan. Bovendien is dat aanbod ook geen erkenning van de verschuldigdheid van (op zijn minst) dat bedrag, nu Reinaert Kliniek heeft verklaard dat bedrag te willen betalen “om van de zaak af te zijn.”

3.21.

Bij deze stand van zaken heeft een verzekeringsgeneeskundig- en een daarop voortbouwend arbeidsdeskundig onderzoek te meer geen enkele zin, omdat onduidelijk is of [verzoeker] zonder de operatie arbeidsgeschikt zou zijn geweest en in welke mate. Immers, ook indien zou worden aangenomen dat de arbeidsongeschiktheid ten tijde van de operatie niet geheel zou zijn te wijten geweest aan psychische klachten als gevolg van het feit dat [verzoeker] toen ook al leed aan het Melkersson-Rosenthalsyndroom, maar ook aan de verwerking van het overlijden van zijn grootmoeder en de beëindiging van een driehoeksrelatie, dan nog is er geen ruimte om de bedoelde onderzoeken te laten uitvoeren, omdat niet vaststaat in welke mate de psychische klachten van [verzoeker] ten tijde van diens operatie te wijten zijn aan zijn voormelde fysieke klacht en in welke mate aan andere omstandigheden.

3.22.

Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een deelgeschil dat volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, zodat de verzochte proceskostenveroordeling achterwege dient te blijven.

3.23.

Voor een veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten van Reinaert Kliniek bestaat geen aanleiding. Een dergelijke veroordeling is slechts mogelijk indien het instellen van de onderhavige procedure door [verzoeker] als onrechtmatig jegens Reinaert Kliniek moet worden beschouwd. Reinaert Kliniek heeft dat niet gesteld, noch rechtvaardigt het in hierboven overwogene de conclusie dat van een dergelijk onrechtmatig handelen van [verzoeker] sprake is.

3 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.W. Huinen, mr. P. Hoekstra en mr. T.A.J.M. Provaas, rechters, en in het openbaar uitgesproken.1MT

1 type: MT coll: