Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:9792

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
C/03/178923 / HA ZA 13-117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van Stichting tegen oud-leden Raad van Toezicht. Ontoelaatbaar inlaten van twee RvT-leden met bestuurstaken.

Besluit RvT tot hun extra inzet en honorering is wegens strijd met de statuten nietig op grond van art. 2:14 lid 1 BW. Door de oud-RvT-leden ontvangen additionele vergoedingen zijn onverschuldigd betaald en moeten worden terugbetaald. Vorderingen gebaseerd op aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW en/of 6:162 BW afgewezen wegens gebrek aan belang.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0456
OR-Updates.nl 2014-0395
JOR 2015/322 met annotatie van prof. mr. L.G.H.J. Houwen
RO 2015/11
JONDR 2015/232
JOR 2015//322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/178923 / HA ZA 13-117

Vonnis van 12 november 2014

in de zaak van

de stichting

STICHTING GEHANDICAPTENZORG (“SGL”),

gevestigd en kantoorhoudend te Sittard,

eiseres,

advocaat: mr. N.P.F.E. van der Peet,

1 [gedaagde 1],

wonend te [woonplaats gedaagde 1],

en

2. [gedaagde 2],

wonend te [woonplaats gedaagde 2],

gedaagden,

advocaat: mr. J.W.M. van Haren.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het proces-verbaal van comparitie

  • -

    de conclusie van repliek met eiswijziging

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de aktes houdende uitlating ex 2.11 van het Landelijk Procesreglement, waarin partijen vonnis hebben gevraagd.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, wordt het volgende als vaststaand aangenomen.

a. a) SGL legt zich toe op het ondersteunen van gehandicapten en chronisch zieken. Zij heeft de zorg voor circa 1.200 gehandicapten en heeft ruim 500 werknemers en vrijwilligers, die opereren vanuit het hoofdkantoor in Sittard en ruim 30 locaties verspreid over de Provincie Limburg. De jaarlijkse “omzet” van SGL ligt rond de 40 miljoen euro.

b) SGL kent als organen een raad van bestuur (RvB) en een raad van toezicht (RvT).

c) De (eenhoofdige) RvB werd in de hier relevante periode gevormd door de heer [naam bestuurder]. De RvT kende vijf leden, onder wie gedaagde sub 1 (vicevoorzitter) en gedaagde sub 2 (voorzitter). [naam bestuurder] was al ruim 9 jaar bestuurder. Gedaagde sub 1 zat circa 8 jaar in de RvT, gedaagde sub 2 circa 17 jaar.

d) Gedaagden ontvingen als vicevoorzitter en voorzitter van de RvT de vaste door de RvT vastgestelde jaarlijkse vergoeding, die over het jaar 2010 voor gedaagde sub 1 € 12.680,- en voor gedaagde sub 2 € 14.280,- bedroeg.

e) In juli 2010 is een acute crisissituatie ontstaan rond bestuurder [naam bestuurder]. In het kader van die crisis hebben gedaagden tal van (extra) werkzaamheden binnen SGL verricht.

f) Gedaagden hebben voor hun werkzaamheden in augustus, september en oktober 2010 additionele vergoedingen aan SGL in rekening gebracht, welke vergoedingen door SGL zijn betaald. Het betreft (volgens SGL) in totaal € 69.716,25 bruto aan gedaagde sub 1 en € 30.128,00 bruto aan gedaagde sub 2.

g) [naam bestuurder] is per 1 november 2010 afgetreden als bestuurder. Per die datum is een nieuwe bestuurder aangetreden.

h) Op 6 november 2011 zijn gedaagden, evenals de overige leden van de RvT, afgetreden.

i. i) Naar aanleiding van een op 4 oktober 2011 door de Ondernemingsraad (OR) van SGL ingediend verzoek om advies over het optreden van de RvT in de periode augustus, september en oktober 2010, heeft de Governancecommissie Gezondheidszorg op 8 maart 2012 onder meer geoordeeld dat de Zorgbrede Governance Code 2010 is geschonden, in het bijzonder artikel 4.4.4. (“Een lid van de Raad van Toezicht kan niet tegelijkertijd de functie vervullen van lid van de Raad van Bestuur”) en artikel 4.5.1. (“Elke vorm van schijn van persoonlijke bevoordeling dan wel belangenverstrengeling tussen enig lid van de Raad van Toezicht en de zorgorganisatie moet worden vermeden”).

j) Bij brieven van 12 augustus 2012 heeft SGL gedaagden gesommeerd tot terugbetaling van (het bruto-equivalent van) de door hen ontvangen additionele vergoedingen.

3 Het geschil

3.1.

SGL vordert na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Gedaagde sub 1 veroordeelt tot betaling aan SGL van € 69.716,25, althans het verschil tussen dat bedrag en de door de rechtbank te begroten vergoeding voor zijn incidentele extra verrichtingen, althans € 4.680,-;

  2. Gedaagde sub 2 veroordeelt tot betaling aan SGL van € 30.128,-, althans het verschil tussen dat bedrag en de door de rechtbank te begroten vergoeding voor zijn incidentele extra verrichtingen, althans € 4.680,50;

  3. voor recht verklaart dat gedaagden als toezichthouder ten opzichte van SGL hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente;

alles vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten en nakosten.

3.2.

SGL legt aan haar vordering samengevat het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Er is sprake van toezichthoudersaansprakelijkheid, omdat gedaagden gedurende een periode van drie maanden (augustus 2010 tot en met oktober 2010) naast hun taken als toezichthouder bestuurstaken hebben verricht. Dit is in strijd met artikel 6 lid 7 van de statuten van SGL, alsmede met de Zorgbrede Governance Code en de Wet toelating zorginstellingen (WTZi).

3.2.2.

Het besluit van de RvT waarop de additionele vergoedingen volgens gedaagden berusten is volgens SGL nietig op grond van art. 2:14 BW. De door gedaagden ontvangen additionele vergoedingen zijn daarom zonder rechtsgeldige titel uitgekeerd en moeten als onverschuldigd worden terugbetaald.

3.2.3.

De meeste gedeclareerde verrichtingen behoren volgens SGL bovendien tot het reguliere takenpakket van een toezichthouder. Deze verrichtingen vielen onder de reguliere bezoldiging als toezichthouder en zijn aldus ten onrechte gedeclareerd. Andere verrichtingen (zoals contacten met de pers en het voeren van overleg met de OR, de cliëntenraad en het management en het aansturen van managers) zijn aan te merken als bestuurshandelingen. Gedaagden hebben daarmee volgens SGL de scheiding tussen de RvT en de RvB niet in acht genomen.

3.2.4.

Voorts is er volgens SGL een te hoog uurtarief in rekening gebracht. SGL verzoekt de rechtbank derhalve, mocht zij van oordeel zijn dat er toch een rechtsgrond bestaat voor de additionele vergoedingen, de hoogte daarvan in goede justitie te begroten.

3.2.5.

Volgens SGL hebben de met de wet strijdige dubbele functies van gedaagden en de daarvoor uitgekeerde additionele vergoedingen onrust teweeg gebracht, waardoor zij schade heeft geleden, te weten omzetschade, reputatieschade en kosten van juridische procedures.

3.3.

Gedaagden voeren verweer en stellen daartoe samengevat het volgende.

3.3.1.

Gedaagden betwisten dat zij feitelijke bestuurshandelingen hebben verricht. Volgens gedaagden verrichtte [naam bestuurder], die tot 1 november 2010 als enig bestuurder van SGL aanbleef, alle inhoudelijke bestuurstaken, al werkte hij vanuit een andere locatie. Er was dus geen sprake van ontstentenis of belet van de bestuurder. Gedaagden verwijzen in dit verband naar een brief van [naam bestuurder] van 19 april 2013, waarin hij de door hem in de periode van augustus, september en oktober 2010 verrichte werkzaamheden opsomt. Gedaagden meenden in het belang van de stichting te handelen door additionele werkzaamheden voor SGL te verrichten, gelet op de ontstane bestuurscrisis. Nu er intern geen adequate vervanging voor de zieke algemeen directeur [naam] voorhanden was en haar terugkeer vanwege de onwerkbare situatie tussen haar en [naam bestuurder] onmogelijk was, werd door de RvT met bestuurder [naam bestuurder] afgesproken dat gedaagde sub 1 de werkzaamheden van de algemeen directeur zou waarnemen. Bestuurshandelingen zeggen gedaagden niet te hebben verricht. Er was volgens gedaagden dus geen strijd met de statuten, de WTZi en de Zorgbrede Governance Code. De RvT heeft gedaagden gemachtigd om onderzoek te verrichten en oplossingen aan te dragen en deze oplossingen, na besluitvorming, uit te voeren en heeft besloten dat de extra werkzaamheden van gedaagden in verband met de bestuurscrisis zouden worden beloond tegen € 135,- per uur. Zou er al sprake zijn van een nietig besluit van de RvT, dan maakt dat volgens gedaagden de door hen verrichte extra werkzaamheden niet non-existent.

3.3.2.

Gedaagden stellen zich voorts op het standpunt dat sprake is van rechtsverwerking, nu zij aan de betaling van de facturen het gerechtvaardigde vertrouwen mochten ontlenen dat SGL geen aanspraak op terugbetaling zou maken.

4 De beoordeling

4.1.

Aan haar vordering tot terugbetaling van de additionele vergoedingen legt SGL ten grondslag dat een rechtsgrond voor die betalingen ontbreekt. SGL betwist in dit verband dat de RvT tot de extra inzet en honorering van gedaagden heeft besloten, zodat daarin geen grondslag kan zijn gelegen voor de additionele vergoedingen. Voor het geval komt vast te staan dat de door gedaagden gestelde besluiten wel zijn genomen, stelt SGL dat deze besluiten nietig zijn op grond van art. 2:14 BW en derhalve geen rechtvaardiging vormen voor de betalingen.

4.2.

De rechtbank zal bij de verdere beoordeling veronderstellenderwijs aannemen dat de RvT op 5 augustus 2010 en 7 september 2010 heeft besloten zoals neergelegd in de door gedaagden bij dupliek overgelegde handgeschreven verslagen van gedaagde sub 2. Tot uitgangspunt zal derhalve worden genomen dat de RvT op 5 augustus 2010 heeft besloten dat gedaagden zouden uitzoeken wat er aan de hand was, oplossingen zouden voorstellen en uitvoeren en volledige machtiging kregen alles te doen wat zij nuttig achtten. Voorts zal tot uitgangspunt worden genomen dat de RvT op 7 september 2010 heeft beslist dat gedaagden voor hun extra werkzaamheden in verband met de bestuurscrisis met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2010 een verhoogd honorarium van € 135,- per uur in rekening mochten brengen.

4.3.

Het (subsidiaire) beroep van SGL op de nietigheid van deze besluiten slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.4.

De taken en bevoegdheden van de RvT zijn neergelegd in de statuten van SGL. Ingevolge de statuten heeft de RvT tot taak integraal toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting en de met haar verbonden instellingen en/of rechtspersonen. De RvT heeft tevens tot taak het benoemen, schorsen en ontslaan van de bestuurder en pleegt overleg met de bestuurder. De artikelen 11 en 12 van de statuten brengen tot uitdrukking dat RvT-leden niet langer lid van de RvT kunnen zijn indien sprake is van tegenstrijdige belangen of vermenging van belangen en dat het lidmaatschap van de RvT onverenigbaar is met het verrichten van betaalde diensten aan de stichting.

4.5.

Artikel 6 lid 7 van de statuten van SGL luidt als volgt:

“Bij ontstentenis of belet van de bestuurder(s) benoemt de Raad van Toezicht onverwijld een medewerker van de stichting of een persoon buiten de stichting tijdelijk tot bestuurder(s). In geval van overbrugging kan de voorzitter van de Raad van Toezicht of diens plaatsvervanger voor maximaal één week de functie van bestuurder waarnemen.”

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de besluiten van de RvT waarop gedaagden hun additionele vergoedingen hebben gebaseerd in strijd met deze statutaire bepaling, nu daarmee niet alleen voorbij is gegaan aan het voorschrift dat een derde tot tijdelijk bestuurder moet worden benoemd, maar bovenal is besloten dat gedaagden voor een (veel) langere periode dan één week de functie van bestuurder konden waarnemen.

4.7.

De rechtbank sluit zich ter onderbouwing van dit oordeel in de eerste plaats aan bij hetgeen de Governancecommissie Gezondheidszorg in haar hiervoor onder 2 i) bedoelde advies van 8 maart 2012 heeft overwogen:

“(…)

3.4

De OR heeft aangevoerd dat twee leden van de (voormalige) RvT als bestuurders van SGL (Zorg) zijn opgetreden en voor hun werkzaamheden de voormelde beloningen hebben ontvangen, en hij acht een en ander in strijd met het bepaalde in de Code.

Daarover is het oordeel van de Governancecommissie gevraagd. (…)

3.5

De (voormalige) RvT heeft betwist dat twee van zijn leden als bestuurders zijn opgetreden. De voorzitter en de vicevoorzitter zijn slechts als commissie uit de RvT werkzaam geweest om de door de RvT genomen maatregelen uit te voeren, een en ander zoals hiervoor onder de feiten is vermeld. Zij hebben gesprekken gevoerd en een structuurwijziging doorgevoerd, waarna een nieuwe bestuurder is aangetreden per 1 november 2010.

3.6

Dit verweer kan niet worden aanvaard. Hoewel juist is dat de betreffende leden van de RvT niet (formeel) zijn aangesteld als bestuurders (de OR heeft dit ter zitting als juist erkend), zijn zij wel feitelijk opgetreden als bestuurders in dier voege dat een van hen zich als bestuurder a.i. heeft gepresenteerd en de ander hem in die werkzaamheden heeft ondersteund. Dit blijkt voldoende uit de door de OR overgelegde stukken, in het bijzonder de brief van de voorzitter van de RvT van 17 augustus 2010 waarin uitdrukkelijk staat vermeld dat SGL in afwachting van de benoeming van een bestuurder zal worden geleid door [gedaagde sub 1], en uit de brief van 28 september 2010 aan de afdeling P&O die door [gedaagde sub 1] is ondertekend als “Bestuurder SGL a.i.”.De Governancecommissie heeft bij de mondelinge behandeling vastgesteld dat - zoals ook uit de stukken valt af te leiden - gedurende een periode van ongeveer drie maanden de enige bestuurder van SGL, [naam bestuurder], niet als zodanig heeft gefunctioneerd en dat [gedaagde sub 1] in die periode diens taken, waaronder ook overleg met de OR, heeft waargenomen. Impliciet blijkt dit ook uit het ingediende verweerschrift. Nu de (voormalige) RvT niet ter zitting is verschenen, moet het ontbreken van mogelijke tegenspraak op dit punt voor zijn rekening worden gelaten. Overigens valt uit de hoogte van de aan de leden van de RvT voor de desbetreffende werkzaamheden toegekende beloningen voldoende af te leiden dat het om substantiële werkzaamheden moet zijn gegaan, waarvan deze leden van de RvT kennelijk zelf al meenden dat die ver vallen buiten de taak van de leden van een raad van toezicht. Bovendien doet de RvT ter rechtvaardiging van de hoogte van de beloning expliciet een beroep op de beloningscode voor bestuurders in de zorg.

3.7

In beginsel is het waarnemen van de functie van bestuurder door een of meer leden van de raad van toezicht strijdig met art. 4.4.4 van de Code. Als in een Organisatie in overeenstemming met de statuten en andere daarop betrekking hebbende regels het toezicht en het bestuur zijn verdeeld over twee afzonderlijke organen, volgt al daaruit dat de leden van de raad van toezicht niet bestuurder van dezelfde instelling kunnen zijn. Daarmee zouden immers toezicht en bestuur in een persoon worden verenigd en de toezichthoudende taak niet vervuld kunnen worden. Bovendien verzwakt hierdoor het door de overige leden van de RvT uit te oefenen toezicht. Zij staan tot de leden van de RvT die de rol van bestuurder waarnemen, in een verhouding die het moeilijk maakt hun toezichthoudende taak optimaal te vervullen. Dit zou ook het geval zijn indien, hetgeen zich hier niet heeft voorgedaan, de leden van de RvT die tijdelijk de rol van bestuurders waarnemen, gedurende die periode niet tevens optreden als lid van de RvT. Deze rolwisseling brengt een aanmerkelijk risico met zich dat de door de Code beoogde checks and balances tussen bestuur en toezicht onvoldoende functioneren.

3.8

Onder bijzondere omstandigheden is toelaatbaar dat de RvT bij het ontbreken van een bestuurder voor een korte periode het bestuur waarneemt om zo spoedig mogelijk te voorzien in een deugdelijke (interne of externe) waarneming. In zoverre is voormelde statutaire bepaling, die hierin voor een korte periode van een week voorziet, niet in strijd met de Code. In het onderhavige geval moet worden geoordeeld dat een periode van drie maanden waarneming van het bestuur door leden van de RvT in strijd is met de Code en ver is uitgegaan boven de in de statuten voorziene mogelijkheid voor een korte waarneming van de functie van bestuurder.

3.9

In het algemeen moet het onwenselijk worden geacht dat leden van de raad van toezicht anders dan in de hun opgedragen taak betaalde werkzaamheden verrichten voor de Organisatie waarop zij toezicht houden. Deze onwenselijkheid volgt reeds uit het feit dat zij als toezichthouder niet meer voldoende vrijstaan als zij zelf in opdracht van de eigen RvT uitvoerende taken verrichten. Het verrichten van additionele betaalde werkzaamheden voor de Organisatie waarop toezicht wordt gehouden, kan ook twijfel oproepen over de integriteit van de toezichthouder, omdat daardoor de schijn van bevoordeling kan ontstaan. In elk geval kan gemakkelijk de verdenking rijzen dat de RvT met een extra beloning, in dit geval zelfs naast de beloning als lid van de RvT, een van zijn leden in een bevoorrechte positie plaatst en bij een ruimhartige beloning kan die verdenking moeilijk worden weerlegd. Het door een lid van de RvT verrichten van additionele betaalde werkzaamheden is daarom in beginsel strijdig met art. 4.5.1 van de Code. Onder bijzondere omstandigheden is denkbaar dat hierover anders geoordeeld moet worden, hetgeen in het bijzonder afhangt van de noodzaak van de werkzaamheden, de duur daarvan en de getroffen maatregelen om iedere schijn van bevoordeling te vermijden. Dergelijke omstandigheden doen zich in dit geval niet voor.

(…)”

4.8.

In aanvulling op deze overwegingen van de Governancecommissie Gezondheidszorg en in reactie op hetgeen gedaagden daartegenin hebben gebracht, overweegt de rechtbank nog het volgende.

4.9.

Door gedaagden is gesteld dat van “ontstentenis of belet” van bestuurder [naam bestuurder] als bedoeld in art. 6 lid 7 van de statuten geen sprake was, omdat [naam bestuurder] was aangebleven als (enig) bestuurder en onverminderd zijn bestuurstaken bleef uitvoeren. In het bijzonder de volgende omstandigheden leiden evenwel tot het oordeel dat de positie en het functioneren van bestuurder [naam bestuurder] zodanig was aangetast dat de facto sprake was van diens ontstentenis of belet:

 Er was eind juli 2010 een acute crisissituatie ontstaan terzake vermeend “grensoverschrijdend gedrag” van [naam bestuurder] ten opzichte van algemeen directeur [naam], die zich daarop ziek had gemeld;

 Een groot aantal managers van SGL had zich tegen [naam bestuurder] gekeerd en stelde zich absoluut niet te kunnen vinden in de aansturing en bejegening binnen SGL door [naam bestuurder] (CvA sub 17);

 [naam bestuurder] had te kennen gegeven dat hij overwoog te vertrekken (CvA sub 20);

 Het werd [naam bestuurder] niet toegestaan de werkzaamheden van [naam] over te nemen (CvA sub 17 en 19);

 [naam bestuurder] kon zijn werkzaamheden vanaf 11 augustus 2010 niet langer verrichten vanuit het hoofdkantoor te Sittard maar moest uitwijken naar een locatie in Schinnen;

 Blijkens onder meer de notulen van de overlegvergadering met de OR van 28 september 2010 was het plan dat [naam bestuurder] niet zou aanblijven als bestuurder van SGL (Zorg);

 Een deel van de taken en de rol van [naam bestuurder] werd overgenomen door gedaagden (zie hierna).

4.10.

Door gedaagden is voorts gesteld dat van “waarneming van het bestuur” in de zin van art. 6 lid 7 van de statuten geen sprake was. In het bijzonder de volgende omstandigheden leiden evenwel tot het oordeel dat zulks wel het geval was:

 Bij brief van 17 augustus 2010 van gedaagde sub 2 aan alle medewerkers van SGL en door middel van een persbericht werd bekend gemaakt dat de zorgstichting met onmiddellijke ingang zou worden geleid door gedaagde sub 1, “in afwachting van de benoeming van een bestuurder”;

 Blijkens de notulen van de vergadering van de Centrale Cliëntenraad van 6 oktober 2010 neemt gedaagde sub 1 voorlopig de taak van bestuurder voor SGL Zorg op zich, terwijl ondertussen wordt gezocht naar een nieuwe bestuurder SGL Zorg;

 In de daaropvolgende vergadering van de Centrale Cliëntenraad van 13 oktober 2010 wordt herhaald dat gedaagde sub 1 voorlopig de taak van bestuurder SGL Zorg op zich neemt;

 Gedaagde sub 1 schreef diverse brieven van een leidinggevend en coördinerend karakter, waarin hij werd aangeduid als “Bestuurder a.i.” of “Bestuurder SGL a.i.”, te weten zijn brieven van 14 september 2010 (aan dienstonderdelen van SGL), 15 september 2010 (aan een afwezige manager over diens terugkeer), 27 september 2010 (aan de managers van SGL), 28 september 2010 (aan de afdeling P&O), 12 oktober 2010 (aan een zieke werkneemster) en 28 oktober 2010 (aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg);

 Gedaagde sub 1 nam de taak over van algemeen directeur [naam], welke taak (de dagelijkse leiding van de zorg, het personeel en de organisatie) tot april 2009 door [naam bestuurder] werd uitgevoerd en welke taak [naam bestuurder] na het uitvallen van [naam] weer op zich wilde nemen (CvA sub 16, 17 en 19);

 Gedaagden hielden zich blijkens hun urenverantwoording bezig met typische bestuurstaken ten aanzien het management, de ondernemingsraad, de cliëntenraad en ten aanzien van de pers;

 Gedaagden declareerden voor hun werkzaamheden € 135,- per uur.

4.11.

Art. 2:14 lid 1 BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. De vaststelling dat de besluiten van de RvT in strijd zijn met art. 6 lid 7 van de statuten brengt mee dat het (subsidiaire) beroep van SGL op art. 2:14 lid 1 BW slaagt en dat de betreffende besluiten nietig zijn. Gelet daarop en bij gebreke van een andere gestelde of gebleken grondslag voor de betalingen van de additionele vergoedingen, hebben deze betalingen te gelden als onverschuldigd en dient terugbetaling daarvan te volgen.

4.12.

De omstandigheid dat SGL de betreffende facturen (kennelijk) heeft geaccordeerd en betaald, maakt niet dat SGL zich niet meer op de nietigheid van de besluiten en de onverschuldigdheid van de betalingen kan beroepen. Die omstandigheid is onvoldoende om aan te nemen dat SGL haar recht op terugbetaling heeft verwerkt. Evenmin kan op grond van de gebleken of gestelde omstandigheden worden geoordeeld dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat SGL zich op de nietigheid van de RvT-besluiten en de onverschuldigdheid van de betalingen beroept.

4.13.

Bij het voorgaande merkt de rechtbank nog op dat partijen onvoldoende gegevens hebben aangedragen op grond waarvan de werkzaamheden waarvoor de additionele vergoedingen zijn gedeclareerd onderscheiden kunnen worden in werkzaamheden die zien op (niet toegestane) bestuurstaken, op (reeds in de forfaitaire vergoeding begrepen) toezichtstaken en eventuele uitzonderlijke, extra toezichtstaken in verband met de ontstane bestuurscrisis. Nog daargelaten hetgeen de Governmentcommissie Gezondheidszorg daaromtrent heeft overwogen onder 3.6 van haar advies, kan derhalve niet op verantwoorde wijze worden vastgesteld welk deel van de vergoedingen kan worden toegedicht aan extra toezichtstaken. Nu gedaagden zelf de hand hebben gehad in de vermenging van bestuurs- en toezichtstaken en het op hun weg had gelegen een helder onderscheid te maken tussen reguliere en extra toezichtstaken, dient dit voor hun risico te blijven.

4.14.

Wat betreft de hoogte van de door gedaagden ontvangen additionele vergoedingen hebben zij bij conclusie van antwoord uiteengezet dat de door SGL genoemde bedragen niet juist zijn, maar dat het bij gedaagde sub 1 gaat om (481,75 x € 135,- =) € 65.036,25, vermeerderd met € 949,31 aan reiskosten en dat het bij gedaagde sub 2 gaat om (188,5 uren x € 135,- =) € 25.447,50, vermeerderd met € 656,07 aan reiskosten. Ten aanzien van het meerdere geldt dat SGL, bij wie in beginsel de stelplicht en bewijslast ligt met betrekking tot de door haar gestelde onverschuldigdheid van de teruggevorderde betalingen, haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

4.15.

De wettelijke rente over de toe te wijzen hoofdsommen zal, gelet op de bij brieven van 22 augustus 2012 door SGL gestelde betalingstermijn, worden toegewezen vanaf 5 september 2012.

4.16.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, waartegen gedaagden geen specifiek verweer hebben gevoerd, komen de rechtbank redelijk en passend voor en zullen worden toegewezen als gevorderd.

4.17.

SGL vordert tevens een verklaring voor recht dat gedaagden hun taak als toezichthouder onbehoorlijk hebben vervuld en aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade. Hoewel hiervoor is geoordeeld dat gedaagden zich hadden moeten onthouden van (een besluit tot) het uitvoeren van bestuurstaken, zal de verklaring voor recht niet kunnen worden gegeven. SGL heeft daarbij, mede gelet op de beslissing in dit vonnis ten aanzien van de terugbetalingsverplichtingen van gedaagden, onvoldoende belang. Door SGL is bovendien onvoldoende gesteld om de door haar verlangde verwijzing naar de schadestaatprocedure te rechtvaardigen. Over de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige procedure wordt thans reeds beslist. Dat SGL daarnaast (mogelijk) schade heeft geleden door (het besluit tot) het uitvoeren door gedaagden van bestuurstaken in augustus, september en oktober 2010 - en daar gaat het hier om, niet om hetgeen zich nadien tussen partijen heeft afgespeeld - acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De vraag of er gronden zijn voor aansprakelijkheid van gedaagden op grond van art. 2:9 en/of 6:162 BW kan dan ook onbeantwoord blijven.

4.18.

Gedaagden zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt gedaagde sub 1 om aan SGL te betalen € 65.985,56 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 5 september 2012 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt gedaagde sub 1 om aan SGL te betalen € 1.788,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 26 februari 2013 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt gedaagde sub 2 om aan SGL te betalen € 26.103,57 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 5 september 2012 tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt gedaagde sub 2 om aan SGL te betalen € 1.158,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 26 februari 2013 tot de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van SGL gerezen, tot op heden begroot op € 181,42 aan explootkosten, € 3.715,- aan griffierecht en € 2.682,- voor salaris advocaat, vermeerderd met € 131,- aan nakosten (in geval van betekening: € 199,-) en vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf acht dagen na uitspraak van dit vonnis;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort en op 12 november 2014 in het openbaar uitgesproken.1

1 type: coll: