Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:9614

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
C-03-197245 - KG ZA 14-575
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot het verlenen van medewerking aan levering van een woning te Marokko en het verrichten van alle handelingen die daarvoor nodig zijn, op straffe van lijfsdwang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/197245 / KG ZA 14-575

Vonnis in kort geding van 6 november 2014

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N.V.T. Cremers,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats man],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N.H.J. van der Pluijm.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 8

  • -

    de brief van de vrouw van 27 oktober 2014 met producties 9 tot en met23

  • -

    de brief van de vrouw van 28 oktober 2014 met producties 24 tot en met 31

  • -

    de conclusie van antwoord van de man: “weergave feiten en achtergronden” met de producties 1 tot en met 77

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de eis in reconventie met de productie 78

  • -

    de fax van de man van 28 oktober 2014 met producties 79 en 80

  • -

    de pleitnota van de vrouw met productie 32

  • -

    de pleitnota van de man

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum huwelijk] 1987 met elkaar gehuwd in Marokko in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 31 december 2003 van de rechtbank Roermond is de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 26 januari 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Den Haag.

2.2.

Tot de gemeenschap behoorde onder meer een woning in Marokko, staande en gelegen op de begane grond van gebouw [B], plaatselijk bekend als [bestemmingsplan] te [plaats], Marokko, in het bestemmingsplan [bestemmingsplan] onder nummer [nummer X], ingeschreven als deel van de coproprieteit bekend onder nummer [nummer Y] in de openbare registers van [C] (hierna de woning).

2.3.

Over de gevolgen van de echtscheiding hebben partijen een echtscheidingsconvenant opgesteld op 22 september 2003. De voor deze zaak relevante afspraak was dat de woning inclusief de daarop rustende hypotheekschuld aan de man werd toegedeeld. De man zou zorgen voor een eerlijke vaststelling van de waarde van de woning te Marokko. Partijen spraken verder af dat de man de helft van de overwaarde aan de vrouw diende te betalen en dat hij diende te bevorderen dat de vrouw werd ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld.

2.4.

De verdeling van deze woning en de uitvoering daarvan is onderwerp van geschil geweest in diverse procedures.

2.5.

Voornoemde procedures hebben geleid tot de volgende uitspraken in Nederland (een procedure bij het gerechtshof heeft geresulteerd in een minnelijke regeling):

1. Het vonnis van 2 juni 2010 van de rechtbank Roermond:

In deze procedure werd de vrouw onder meer veroordeeld om haar volledige medewerking te verlenen aan alle handelingen die noodzakelijk zijn om de woning aan de man te leveren op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag. Verder heeft de rechtbank in dit vonnis geoordeeld dat uitgegaan dient te worden van de in [plaats] uitgevoerde gerechtelijke taxatie, waarin de waarde van de woning werd vastgesteld op 417.600,00 Dirham. Tot slot heeft de rechtbank in dat vonnis een uitspraak gedaan over de verdeling van het bedrag van € 36.007,55 dat op dat moment bij de notaris in depot stond en waaruit de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw moest worden betaald.

2. Het vonnis van 17 januari 2011 en het herstelvonnis van 8 februari 2011 van de voorzieningenrechter te Roermond:

In deze procedure werd de vrouw in reconventie onder meer veroordeeld om haar volledige medewerking te verlenen aan alle handelingen die noodzakelijk zijn om de woning aan de man te leveren op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,

3. Het arrest van het Hof te ’s-Hertogenbosch van 1 november 2011:

in deze procedure werd het vonnis van 2 juni 2010 bekrachtigd.

4. Het vonnis van 12 april 2012 van de voorzieningenrechter te Roermond:

In deze procedure werd de vrouw in conventie onder meer veroordeeld om haar volledige medewerking te verlenen aan alle handelingen die noodzakelijk zijn om de woning aan de man te leveren op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag.

5. De hoger beroep procedure bij het hof te ’s-Hertogenbosch tegen het vonnis van de voorzieningenrechter te Roermond van 17 januari 2011 (hersteld bij vonnis van 8 februari 2011) is doorgehaald op de rol van 8 januari 2013, nadat partijen een allesomvattende regeling hadden bereikt. Het uittreksel uit pleidooizitting, waarin de regeling tussen partijen is vastgelegd, heeft de man als productie 87 overgelegd. In de regeling is het volgende opgenomen:

“1. Wij zijn het er definitief over eens dat op zo kort mogelijke termijn na heden het aandeel van de vrouw in het appartement te [plaats], Marokko, aan de man wordt geleverd.

2. Wij zullen de levering aldus vorm geven, dat wij, na voorafgaand overleg met notaris [notaris 1] op een nader te bepalen dag en tijdstip, zo spoedig mogelijk na heden maar uiterlijk op 1 maart 2013, voor deze notaris gezamenlijk beiden in persoon en niet door middel van een machtiging, zullen verschijnen.

3. Partijen komen overeen dat noch voor, noch tijdens, noch na de zitting voor de notaris enige discussie in welke vorm dan ook zal worden heropend over de waarde van (het aandeel van de vrouw in) bedoeld appartement.

4. Wij zullen er in gezamenlijk overleg, eventueel met behulp van onze advocaten in Marokko, ervoor zorgen dat tijdig voor de datum van verschijning voor genoemde notaris, en indien mogelijk tijdens die verschijning voor de notaris, zowel het namens de vrouw als het namens de man gelegde beslag op bedoeld appartement zullen zijn opgeheven.

5. (…)

6. Voor het overige verklaart ieder van ons zich onvoorwaardelijk bereid om op eerste verzoek aan alle formaliteiten te voldoen, die nodig zijn om het aandeel van de vrouw in het appartement op naam van de man te doen stellen.

(…)”

6. Het vonnis van 8 mei 2013 van de voorzieningenrechter te Roermond:

In deze procedure heeft de voorzieningenrechter verlof verleend aan de man om de vonnissen genoemd onder 1 tot en met 4 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en in dat verband daarmee de vrouw in gijzeling te doen stellen voor de duur van ten hoogste drie maanden, totdat de vrouw haar volledige medewerking heeft verleend aan alle handelingen die noodzakelijk zijn om (het onverdeeld aandeel van de vrouw in) de woning te Marokko aan de man te leveren, meer in het bijzonder door het plaatsen van haar handtekening op elke pagina van de door de man in het geding gebrachte volmacht aan een door de man aan te wijze gemachtigde, welke volmacht door de vrouw dient te worden gelegaliseerd bij het consulaat te ’s-Hertogenbosch en tezamen met een door het consulaat gelegaliseerde kopie van geldige Carte d’Identite nationale (CIN) van de vrouw ter beschikking te stellen aan de (advocaat van de) man.

7. Het tussenvonnis van 24 oktober 2013 en het eindvonnis van 30 december 2013 van de voorzieningenrechter te Roermond:

In deze procedure vorderde de vrouw primair een verbod om de lijfsdwang toe te passen en subsidiair schorsing van de executie. In voornoemd tussenvonnis werd de tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 mei 2014 geschorst totdat een eindvonnis in die zaak werd gewezen. In het eindvonnis werden de vorderingen van de vrouw afgewezen.

2.6.

Op 18 juni 2013 heeft de vrouw de getekende en de op 12 juni 2013 gelegaliseerde volmacht aan de advocaat van de man ter beschikking gesteld, waartoe zij was veroordeeld bij vonnis van 8 mei 2013. De man is vervolgens naar Marokko afgereisd om de levering van de woning aan hem te realiseren. Dit is niet gelukt, (onder meer) omdat er op 14 en 17 juni 2013 conservatoir beslag was gelegd door de heer [huidige partner vrouw] (hierna [huidige partner vrouw]), de huidige partner van de vrouw, op het aandeel van de vrouw in de woning te Marokko, waarop hierna verder zal worden ingegaan.

2.7.

Wat verder nog van belang is te vermelden is het volgende. Vanwege de onderlinge geschillen over (de waarde van) de woning te Marokko heeft de man op 29 juni 2008 ten laste van de vrouw beslag gelegd op de woning en heeft de vrouw ten laste van de man beslag gelegd op de woning. De man is vervolgens een procedure gestart bij de rechtbank te Casablanca teneinde de vrouw te laten veroordelen tot nakoming van de verplichtingen zoals vermeld in het echtscheidingsconvenant, zulks op verbeurte van een dwangsom. In reconventie verzocht de vrouw opdracht te geven om de woning te Marokko te laten taxeren. Op 24 februari 2010 zijn zowel de man als de vrouw niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, omdat de Nederlandse echtscheidingsbeschikking niet in Marokko was bekrachtigd.

2.8.

De uitspraak van de rechtbank te Casablanca van 24 februari 2010 is op
6 maart 2013 conform Marokkaans recht betekend aan de zoon van de man, in plaats van aan de man zelf. Naar Marokkaans recht is vervolgens de hoger beroepstermijn gaan lopen. De zoon heeft de uitspraak niet doorgezonden aan de man. De verhoudingen tussen de man en zijn zoon zijn verstoord. Na het verstrijken van de hoger beroepstermijn heeft de vrouw een verklaring van non appèl aangevraagd en verkregen. Met deze verklaring van non-appèl heeft de vrouw het beslag van de man op de woning te Marokko bij het Kadaster op
23 januari 2014 laten doorhalen.

Betrokkenheid [huidige partner vrouw]

2.9.

De vrouw stelt dat zij gelden heeft geleend van haar huidige partner [huidige partner vrouw] en dat die op een gegeven moment aandrong op terugbetaling. Op 24 april 2013 legde de vrouw een schulderkenning af, welke schulderkenning op 12 juni 2013 werd gelegaliseerd door het Marokkaanse consulaat te Den Bosch.

2.10.

Op 14 en 17 juni 2013 heeft [huidige partner vrouw] beslag gelegd op het aandeel van de vrouw in de woning te Marokko.

2.11.

Op 10 juli 2013 diende [huidige partner vrouw] bij de rechtbank te Casablanca een verzoekschrift voor een bevel tot betaling in, waarbij de gelegaliseerde schulderkenning van de vrouw werd overgelegd. Diezelfde dag wees de rechtbank te Casablanca het verzoek van de [huidige partner vrouw] toe. Deze uitspraak werd op 10 juli 2013 aan de vrouw betekend. In die uitspraak werd de vrouw erop gewezen dat indien zij tegen die beslissing niet binnen 8 dagen hoger beroep zou stellen het conservatoire beslag zou kunnen worden omgezet in een executoriaal beslag. De vrouw stelde geen hoger beroep in.

2.12.

Op 7 oktober 2013 heeft de betekening van het vonnis van 8 mei 2013 aan de vrouw plaatsgevonden.

2.13.

Op 22 oktober 2013 is de vrouw in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 mei 2013 gedurende 3 dagen in gijzeling genomen.

2.14.

Op 19 november 2013 heeft [huidige partner vrouw] het beslag op de woning omgezet in een uitvoerend beslag, hetgeen mogelijk was omdat de vrouw niet binnen acht dagen in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank te Casablanca van 10 juli 2013.

2.15.

Op 12 juni 2014 heeft de vrouw een volmacht verleend aan haar zoon om namens haar onder meer haar aandeel in de woning te Marokko te verkopen.

2.16.

Op 16 juni 2014 heeft de zoon een overeenkomst met [huidige partner vrouw] gesloten waarin hij namens de vrouw afspreekt dat het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning te Marokko wordt overgedragen aan [huidige partner vrouw], teneinde van haar vermeende schuld aan [huidige partner vrouw] af te komen. Aangezien het beslag op de woning dat door de man in 2008 was gelegd was doorgehaald in het Kadaster was het mogelijk dat de verkoopovereenkomst tussen [huidige partner vrouw] en de vrouw kon worden ingeschreven in het Kadaster. Hierdoor is [huidige partner vrouw] voor de helft mede-eigenaar geworden van de woning te Marokko.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De vrouw vordert na wijziging van eis, waartegen de man geen bezwaar heeft gemaakt, het verlof tot gijzeling uitgesproken bij vonnis van 8 mei 2013 in te trekken, danwel te verbieden dat de vrouw gegijzeld mag worden, vermeerderd met de proceskosten.

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De man vordert samengevat:

a. veroordeling van de vrouw om de volgende handelingen te verrichten:
- het plaatsen van een handtekening op een door hem opgestelde en als productie 2 overgelegde “Declaration-Quittance”, waarmee de levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan [huidige partner vrouw] ongedaan kan worden gemaakt,

- het plaatsen van een handtekening op een door de man opgestelde volmacht aan de broer van de man,

welke Declaration-Quittance en de volmacht beiden door de vrouw dienen te worden gelegaliseerd bij het consulaat te ’s-Hertogenbosch, tezamen met een door het consulaat gelegaliseerde kopie van haar geldige Carte d-Identite Nationale en deze vervolgens ter beschikking te stlelen aan de man.

primair: dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, voor de duur van ten hoogste 1 jaar, waarbij de man verlof wordt verleend om dit vonnis ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en in verband daarmee de vrouw in gijzeling mag stellen voo riedere dag dat de vrouw in gebreke blijft aan de hiervoor onder sub 1 geformuleerde hoofdveroordeling te voldoen;

subsidiair: veroordeling van de vrouw tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat de vrouw in gebreke blijft aan de onder a geformuleerde hoofdveroordeling te voldoen

meer subsidiair: een in goede justitie te bepalen andere beslissing

de proceskosten.

4.2.

De vrouw voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

De voorzieningenrechter constateert dat de vrouw reeds meerdere malen is veroordeeld tot het verlenen van volledige medewerking aan alle handelingen die noodzakelijk zijn om het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning te Marokko aan de man te leveren, zo ook bij vonnis van 8 mei 2013. In het dictum van dat vonnis is voorts aangegeven wat die medewerking in het bijzonder zou moeten inhouden, namelijk het plaatsen van haar handtekening op elke pagina van de door de man in het geding gebrachte volmacht welke volmacht door de vrouw dient te worden gelegaliseerd bij het consulaat te ’s-Hertogenbosch, welke volmacht tezamen met een door het consulaat gelegaliseerde kopie van een geldige identiteitskaart van de vrouw aan de (advocaat) van de man ter beschikking dient te worden gesteld.

5.2.

In tegenstelling tot hetgeen de vrouw betoogt is die medewerking naar het oordeel van de rechtbank niet beperkt tot het verrichten van voornoemde specifieke handelingen. Daarvoor bieden noch het dictum van het vonnis, noch de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in dat vonnis aanknopingspunten. Daar komt bij dat de man naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw handelingen heeft verricht en/of (bewust) nagelaten die het tegenovergestelde effect hebben gehad. Zij heeft namelijk handelingen verricht en/of nagelaten die ertoe geleid hebben dat zij haar eigendomsaandeel in de woning is verloren, waardoor de levering van de woning aan de man is bemoeilijkt. De volgende feiten en omstandigheden leiden tot dit oordeel.

- De vrouw heeft op 24 april 2013 een schulderkenning aan haar huidige partner [huidige partner vrouw] ondertekend èn heeft deze schulderkenning op 12 juni 2014 laten legaliseren bij het consulaat te ’s-Hertogenbosch (tegelijkertijd met haar volmacht aan de zus van de man). Daarbij is relevant dat in deze procedure niet vast staat dat (a) de vrouw daadwerkelijk gelden verschuldigd was aan [huidige partner vrouw], dat (b) het absoluut noodzakelijk was dat zij deze schulderkenning ondertekende en (c) dat het noodzakelijk was dat zij de vermeende schulden aan [huidige partner vrouw] voldeed door haar aandeel in de woning aan [huidige partner vrouw] te verkopen. In deze procedure is geen plaats voor een onderzoek naar een antwoord op voornoemde vragen. Overigens verwerpt de voorzieningenrechter het verweer van de vrouw dat de woning buiten haar medeweten om is verkocht aan [huidige partner vrouw], omdat de vrouw haar zoon juist schriftelijk heeft gemachtigd om namens haar tot verkoop van haar aandeel in de woning te Marokko over te gaan (zie productie 66 van de man).
- De vrouw heeft de volmacht aan de zus van de man (welke zij reeds op of omstreeks 13 mei 2013 ter ondertekening en legalisering had ontvangen) pas verstrekt aan de advocaat van de man, nadat [huidige partner vrouw] op 14 en 17 juni 2013 met behulp van de schulderkenning beslag heeft gelegd op het aandeel van de vrouw in de woning. Dit beslag van [huidige partner vrouw] was één van de redenen waarom de levering van de woning aan de man ondanks de volmacht aan de zus van de man niet kon plaatsvinden.

- De vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het gerechtelijk bevel tot betaling dat op 10 juli 2013 aan haar werd betekend en zij heeft jegens de Marokkaanse deurwaarder nadien verklaart betaling aan [huidige partner vrouw] te weigeren (productie 60 van de man), terwijl tussen partijen vast staat dat daardoor het beslag door [huidige partner vrouw] kon worden omgezet in een executoriaal beslag.

- Als niet weersproken staat vast dat de vrouw handelingen heeft verricht, waardoor het mogelijk was dat het beslag dat de man op 29 juni 2008 had gelegd op de woning te Marokko werd opgeheven, waardoor het mogelijk was dat zij haar aandeel in de woning aan [huidige partner vrouw] verkocht. Deze handelingen bestonden uit (a) het laten betekenen van de uitspraak van 24 februari 2010 aan het adres van de zoon van de man (dus niet aan de man zelf) terwijl de verhoudingen tussen de zoon en de man waren verstoord, waardoor de man geen kennis had van deze uitspraak en daardoor ook geen hoger beroep kon instellen; (b) het aanvragen van een verklaring van non-appel; (c) deze verklaring van non-appel te voegen bij haar verzoek tot opheffing van het beslag dat de man in 2008 had laten leggen op de woning, welk verzoek werd toegewezen en het beslag werd opgeheven.

5.3.

De voorzieningenrechter acht derhalve voldoende aannemelijk dat de vrouw doelbewust de levering van haar aandeel in de woning te Marokko aan de man frustreert. De stelling van de vrouw dat zij niet meer aan het vonnis van 8 mei 2013 kan voldoen, omdat zij geen (mede)eigenaar meer is van de woning te Marokko wordt verworpen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

5.4.

De man stelt gemotiveerd dat de woning nog steeds aan hem kan worden geleverd door de vrouw, mits de vrouw de “Declaration-Quittance” (productie 2 van de man) en de volmacht aan de broer van de man (productie 3 van de man) ondertekent en legaliseert. De “Declaration-Quittance” houdt in dat de vrouw kort gezegd verklaart c.q. bevestigt dat zij een bedrag van € 10.476,72 heeft ontvangen voor haar aandeel in de woning te Marokko. De vrouw betwist weliswaar niet dat zij voornoemd bedrag heeft ontvangen, maar stelt opnieuw de discussie omtrent de waarde van de woning aan de orde. De voorzieningenrechter gaat daarin niet mee, omdat de rechtbank bij vonnis van 2 juni 2010, welk vonnis is bekrachtigd door het hof op 1 november 2011, heeft bepaald dat de helft van de overwaarde van de woning neerkomt op voornoemd bedrag. Ondanks dat vast staat dat de vrouw de helft van de overwaarde van de woning ad € 10.476,72 heeft ontvangen, weigert de vrouw de “Declaration-Quittance” te ondertekenen omdat:

  1. het niet nodig is dat zij de “Declaration-Quittance” ondertekent, omdat de Marokkaanse notaris deze verklaring niet nodig heeft voor de levering van de woning aan de man,

  2. de man deze verklaring mogelijk gaat gebruiken voor andere doeleinden,

  3. de vrouw in dat geval een belastingaanslag zou krijgen,

  4. het verboden is om een verkoopbedrag buiten Marokko uit te betalen van een onroerend goed dat zich in Marokko bevindt.

Gelet op het feit dat de man de levering van het aandeel van de vrouw in de woning nog niet heeft kunnen bewerkstelligen, alsmede de mail van de notaris [notaris 2] van 22 juli 2013 waarbij de dechargeverklaring c.q. “Declaration-Quittance” is gevoegd (waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de notaris dit stuk noodzakelijk acht) is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de levering van de woning te Marokko aan de man ook plaats had kunnen vinden zonder een verklaring van haar dat zij de koopprijs heeft ontvangen. Daarbij geldt, nog los van de vraag of het ondertekenen van een “Declaration-Quittance” nu wel of niet nodig is, dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij door ondertekening van de “Declaration-Quittance” en de volmacht aan de broer van de man in een noodtoestand zou komen te verkeren waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 mei 2013 niet zou kunnen worden aanvaard. Het mogelijk ontvangen van een belastingaanslag (hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk is gemaakt) staat aan tenuitvoerlegging niet in de weg, omdat de vrouw zich daarover achteraf eventueel nog kan beraden (zoals ook reeds is overwogen in het vonnis van 8 mei 2013). Daarnaast heeft de vrouw op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat de man de “Declaration-Quittance” zal gaan gebruik voor andere doeleinden dan het verkrijgen van de volledige eigendom van de woning te Marokko. Voorts heeft de man betwist dat het verboden is om een verkoopbedrag buiten Marokko uit te betalen van een onroerend goed dat zich in Marokko bevindt. In dit kort geding is geen plaats voor een onderzoek naar de vraag of dat zo is en of dit zou leiden tot een noodtoestand aan de zijde van de vrouw, waardoor van haar niet verlangd kan worden te voldoen aan het vonnis van 8 mei 2013.

Kortom, de voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw nog niet alles heeft gedaan, hetgeen in haar macht ligt om de levering van haar aandeel in de woning in Marokko mogelijk te maken. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen noodzaak om in kort geding de tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 mei 2013 te schorsen danwel te staken danwel anderszins te beperken. De man is daarom bevoegd om de tenuitvoerlegging van het vonnis middels gijzeling af te dwingen. De vorderingen van de vrouw in conventie zullen derhalve worden afgewezen.

5.5.

In reconventie heeft de vrouw betwist dat de voorzieningenrechter bevoegd is om van de vorderingen in reconventie kennis te nemen. De voorzieningenrechter acht zich echter wel bevoegd van de vorderingen kennis te nemen, omdat zowel de man als de vrouw in Nederland woonachtig zijn en de vordering in reconventie betrekking heeft op een executiegeschil en de executie van het vonnis van 8 mei 2014 in Nederland dient te geschieden. Het bevoegdheidsverweer van de vrouw wordt dan ook verworpen.

5.6.

Nu voldoende aannemelijk is dat de vrouw niet haar volledige medewerking heeft verleend en de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de levering van de woning aan de man niet zou kunnen worden bewerkstelligd door ondertekening van de “Declaration-Quittance” en de volmacht aan de broer van de man, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vorderingen in reconventie voor toewijzing gereed liggen.

5.7.

De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om de termijn waarbinnen de vrouw de gevraagde stukken op de voorgeschreven wijze ter beschikking dient te stellen aan (de advocaat van) de man te verlengen van 3 dagen naar 14 dagen. Verder zal in het dictum worden bepaald dat de Declaration-Quittance niet alleen kan worden gebruikt om de levering van de woning aan [huidige partner vrouw] ongedaan te maken, maar ook om de levering van de woning aan de man te bewerkstelligen. Daarnaast zal de voorzieningenrechter de duur van de gevraagde lijfsdwang beperken tot maximaal drie maanden.

5.8.

De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van zowel de conventie als de reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de man worden in conventie begroot op:

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.098,00

Wegens samenhang met de conventie worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 1.098,00,

6.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.4.

veroordeelt de vrouw om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de navolgende handelingen te verrichten:

a. het plaatsen van haar handtekening op elke pagina van de door de man als productie 2 in het geding gebrachte “Declaration-Quittance”, èn

b. het plaatsen van haar handtekening op elke pagina van de volmacht aan de broer van de man, welke volmacht door de man als productie 3 is overlegd,

welke Declaration-Quittance en volmacht vervolgens beiden door de vrouw dienen te worden gelegaliseerd bij het consulaat te ’s-Hertogenbosch, en deze tezamen met een door het consulaat gelegaliseerde kopie van haar geldige Carte d’identite nationale (CIN) van de vrouw, aan de (advocaat van de) man ter beschikking dienen te worden gesteld,
zodat de levering van het aandeel van de vrouw in de woning te Marokko, staande en gelegen op de begane grond van gebouw [B], plaatselijk bekend als [A] te [plaats], Marokko, in het bestemmingsplan [bestemmingsplan] onder nummer [nummer X], ingeschreven als deel van de coproprieteit bekend onder nummer [nummer Y] in de openbare registers van [C], aan de heer [huidige partner vrouw] ongedaan kan worden gemaakt en de levering van het aandeel van de vrouw in voornoemde woning aan de man alsnog kan worden bewerkstelligd,

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang voor de duur van ten hoogste drie maanden, waarbij aan de man verlof wordt verleend om dit vonnis ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en in verband daarmee de vrouw in gijzeling te doen stellen, voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft aan de hiervoor onder 6.4. onder a en/of b geformuleerde hoofdveroordelingen te voldoen,

6.6.

wijst het anders of meer gevorderde af,

6.7.

verklaart dit vonnis in reconventie, voor zover nodig, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014.1

1 type: SScoll: