Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:9041

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
3430138 CV EXPL 14-10040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/218
AR-Updates.nl 2015-0143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: 3430138 CV EXPL 14-10040

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 23 oktober 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonend aan de [adres],

[woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. S.J.W.M. Vonken,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ [naam], handelend onder de naam ESSO VAALS,

gevestigd en kantoorhoudend te Vaals,

Maastrichterlaan 85,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.P.H. Timmermans.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Esso worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 8 producties

  • -

    een schrijven d.d. 30 september 2014 van de zijde van Esso met 5 producties

  • -

    een schrijven d.d. 1 oktober 2014 namens Esso met een aanvullende productie 6

  • -

    een schrijven d.d. 1 oktober 2014 namens [eiseres] met een akte houdende wijziging van eis

  • -

    de pleitaantekeningen van Esso

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 2 oktober 2014

  • -

    een schrijven van de zijde van [eiseres] d.d. 9 oktober, alsmede een schrijven van de kant Esso van dezelfde datum, beiden met de mededeling dat partijen er niet in zijn geslaagd om tot een buitengerechtelijke oplossing te komen. [eiseres] verzoekt de voorzieningenrechter vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is sinds 11 april 2011 in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) Esso. Zij is thans op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam in de functie van ‘algemeen medewerker’, tegen een salaris van laatstelijk € 1.597,43 per maand exclusief emolumenten.

2.2.

In artikel 2 van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst van 1 juni 2014 (als productie 2 bij dagvaarding overgelegd) is bepaald:

(…) In het geval dat de werkgever de werknemer opdraagt zijn werkzaamheden op een ander Esso-tankstation dan het Esso-tankstation te Vaals te gaan verrichten, dan is de werknemer gehouden hieraan gehoor te geven.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, kort gezegd:

1. dat zij door Esso zal worden toegelaten tot haar werkplek in Vaals en daar in de

gelegenheid zal worden gesteld de overeengekomen werkzaamheden te

verrichten op straffe van een dwangsom;

2. veroordeling van Esso tot het voldoen van de maximale wettelijke verhoging en de

wettelijke rente over de periode van 1 augustus tot en met 30 september 2014;

3. veroordeling tot betaling van het loon vanaf 1 oktober 2014 vermeerderd met de

wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

4. veroordeling tot betaling van de incassokosten;

5. veroordeling in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Esso voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - worden ingegaan.

4 De beoordeling

Wijziging van eis

4.1.

[eiseres] heeft, zoals gezegd, een wijziging van eis aangekondigd. Thans vordert zij te worden toegelaten tot haar werkplek in Vaals en daar in de gelegenheid te worden gesteld de overeengekomen werkzaamheden te verrichten (cursief: de kantonrechter).

Esso verzet zich tegen deze wijziging van eis, stellende dat de eisverandering niet ‘zo spoedig mogelijk’ in de zin van art. 11.1 van het procesreglement is gedaan. Volgens Esso is het voor [eiseres] reeds op 29 september 2014 duidelijk geworden dat de discussie tussen partijen thans ziet op de vraag of [eiseres] haar werkzaamheden in het tankstation aan de Urmonderbaan te Geleen dient te hervatten (en dus niet aan het tankstation aan de Maastrichterlaan 85 te Vaals, zoals ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding het geval was). Een vervolgens pas op 1 oktober 2014 aangekondigde wijziging van eis is volgens Esso niet ‘zo spoedig mogelijk’ gedaan.

4.2.

De hiervoor genoemde omstandigheid is voor [eiseres] aanleiding geweest haar eis te wijzigen en is pas op 29 september 2014 voor [eiseres] kenbaar geworden. Dit gegeven heeft Esso niet weersproken Het aankondigen van een wijziging op 1 oktober 2014, derhalve twee dagen later, is naar het oordeel van de kantonrechter dan niet ontijdig te noemen, te meer nu de aard van de wijziging binnen het feitencomplex blijft.

Spoedeisend belang

4.3.

[eiseres] stelt (onder punten 24 en 25 van de dagvaarding) spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben.

Door Esso wordt dit spoedeisend belang betwist. Het achterstallig loon is inmiddels betaald, aan de vordering tot wedertewerkstelling is voldaan en met betrekking tot de aangevoerde financiële druk en spanningsklachten zijn geen stukken overgelegd, aldus Esso. Voorts blijkt volgens Esso ook uit het tijdsverloop van de zijde van [eiseres] dat van een spoedeisend belang geen sprake is.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat hetgeen door Esso in dit kader naar voren is gebracht niet op gespannen voet met de stelling van [eiseres] dat sprake is van een spoedeisend belang.

Van een tijdsverloop dat het spoedeisend karakter aan de zaak ontneemt, is geen sprake. Aan de hand van de bij dagvaarding overgelegde producties 4 tot en met 8 kan worden vastgesteld dat tussen partijen een briefwisseling tot stand is gekomen (aangevangen met de brief van 30 juli 2014 van Esso), waaruit volgt dat tussen partijen aanvankelijk een discussie is ontstaan met betrekking tot een al dan niet geldig overeengekomen proeftijd en een al dan niet terecht gegeven ontslag op staande voet. In september is het voor [eiseres] duidelijk geworden dat Esso haar stellingname op die beide punten niet wenste te veranderen. Vervolgens is zij op 23 september 2014 tot dagvaarden overgegaan. Pas daarna heeft Esso haar stellingname veranderd, zo blijkt ook uit het door Esso als productie 5 overgelegde e-mailbericht van de heer [naam] (directeur van Esso).

Voorts brengt de gewijzigde eis wel degelijk een spoedeisend belang met zich, nu de inhoudelijke discussie tussen partijen zich toespitst op de stelling van [eiseres] dat zij in de onmogelijkheid verkeert om haar werk in Geleen te kunnen verrichten.

Tot slot overweegt de kantonrechter dat [eiseres] voor haar levensonderhoud afhankelijk is van haar inkomen. Of zij een ww-uitkering ontvangt en of er nog andere inkomstenbronnen zijn voor haar, is in dit kader niet relevant.

4.5.

De kantonrechter acht het spoedeisend belang dan ook, mede gelet op de aard van de vorderingen, overtuigend gebleken, zodat kan worden toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling.

Wedertewerkstelling

4.6.

Niet kan worden gezegd dat [eiseres] - zoals wel door Esso is betoogd - geen belang heeft bij de gevorderde wedertewerkstelling in Vaals. Nu [eiseres] stelt dat het voor haar onoverkomelijk is om in Geleen wedertewerkgesteld te worden, is haar belang daarmee reeds gegeven.

De vraag is vervolgens of [eiseres] kan afdwingen enkel in Vaals wedertewerkgesteld te mogen worden. Esso betwist dat en beroept zich op artikel 2 van de arbeidsovereenkomst (zie rechtsoverweging 2.2).

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat er tot nu toe geen aanleiding voor Esso heeft bestaan om een andere locatie van tewerkstelling aan te wijzen, niet af doet aan het feit dat [eiseres] zich door het aangaan en ondertekenen op 1 juni 2014 van haar - inmiddels vierde - arbeidsovereenkomst ook akkoord heeft verklaard met de in-houd van dat artikel. Door Esso is onweersproken gesteld, en zo volgt ook uit productie 2 bij dagvaarding, dat de arbeidsovereenkomst identiek is aan de drie eerdere (tijdelijke) arbeids-overeenkomsten. Dat wil zeggen dat artikel 2 in alle arbeidsovereenkomsten is opgenomen. Kortom, [eiseres] heeft dan ook welbewust het risico van een overplaatsing naar een andere locatie geaccepteerd.

De enkele omstandigheid dat er eerder voor Esso geen aanleiding heeft bestaan om een andere locatie van tewerkstelling aan te wijzen, doet niet af aan het feit dat [eiseres] zich akkoord heeft verklaard met een overplaatsing, wat daar de reden voor Esso ook voor mag zijn. Dat betekent dat zij moet instemmen met een andere locatie van wedertewerkstelling, namelijk in Geleen of in Maastricht (aan de Via Regia). Esso heeft ter zitting naar voren gebracht daarbij passende vergoedingen (reiskostenvergoeding en een fiets) te stellen en rekening te houden met de voorkeur van [eiseres] voor wat betreft de locatie (Geleen of Maastricht).

Gelet op het vorenstaande dient deze vordering van [eiseres] dan ook te worden afgewezen.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.8.

[eiseres] heeft recht op de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris betreffende de maand augustus 2014, nu Esso tijdige betaling daarvan heeft gewei-gerd. Het salaris over de maand september 2014 is daarentegen (conform het bepaalde in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst) blijkens het door Esso als productie 4 overgelegde bewijs van betaling tijdig - op 29 september 2014 - door Esso betaald.

Er zijn geen omstandigheden gesteld c.q. gebleken, die de kantonrechter aanleiding geven tot matiging, laat staan nihilstelling van de wettelijke verhoging over de betaling van het salaris over de maand augustus.

Dat betekent dat de wettelijke verhoging over het salaris betreffende de periode 1 tot en met 31 augustus 2014 zal worden toegewezen. Gelet op de in artikel 7:625 BW gegeven reken-methode bedraagt deze verhoging 35%. Ook de vordering tot betaling van de wettelijke ren-te over de te laat gedane betaling van het salaris over de maand augustus 2014 zal worden toegewezen.

Toekomstige salaris

4.9.

Uit de handelwijze van Esso in de tweede helft van de maand september 2014 kan worden afgeleid dat zij de arbeidsovereenkomst, die op 1 juni 2016 eindigt, gestand wil doen. Uit niets blijkt van een betalingsonwil aan de zijde van Esso voor wat betreft de maanden oktober 2014 tot en met mei 2015. De vordering met betrekking tot het voor [eiseres] geldende gebruikelijke salaris zal daarom worden afgewezen.

Incassokosten

4.10.

Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de kantonrechter het uitgangspunt, dat verrichtingen vooraf-gaand aan het geding in beginsel worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlich-tingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De vordering tot vergoeding van voornoemde kosten zal daarom worden afgewezen.

4.11.

Esso zal, nu geen sprake is van een nodeloos aanhangig gemaakt vordering met betrekking tot de wettelijke verhoging, als de deels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 77,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

totaal € 570,80.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Esso om, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen de wettelijke rente, alsmede 35 % wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris betreffende de maand augustus 2014,

5.2.

veroordeelt Esso in de aan de zijde van [eiseres] gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 570,80,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken.

type: SRS