Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:9021

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
04/801055-12 en 04/850140-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/801055-12 en 04/850140-12 (TTZGEV)

Datum uitspraak : 22 oktober 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 8 oktober 2014.

De rechtbank heeft op 8 oktober 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2011 tot en met 19 juni 2012 te

Roggel, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art. 3 Opiumwet;

2.

hij op of omstreeks 19 juni 2012 te Roggel, in elk geval in de gemeente

Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 116 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art. 3 Opiumwet;

Tenlastelegging bij parketnummer: 04/850140-12

hij op of omstreeks 3 mei 2012 te Heythuysen, in elk geval in de gemeente

Leudal, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer],

opzettelijk en met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met (een)

stok(ken)/knuppel(s) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde

[slachtoffer] hebben/heeft geslagen en/of (meermalen) met (een) helm tegen het hoofd

en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] hebben/heeft geslagen, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten en misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank heeft als gevolg van een kennelijk verschrijving van de steller van de tenlastelegging onder parketnummer 04/850140-12 de datum in de eerste regel, te weten 4 mei 2012, gewijzigd in 3 mei 2012. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder parketnummer 04/801055-12 sub 1 en 2 ten lastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie acht het onder parketnummer 04/850140-12 ten laste gelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 04/801055-12:

De raadsman heeft vrijspraak voor alle ten laste gelegde feiten bepleit en heeft als verweer aangevoerd dat niet is voldaan aan de vereisten op grond waarvan de bevoegdheid bestaat om de communicatie van verdachte op te nemen (telefoontap) ex artikel 126m en 126n van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is de telefoontap van verdachtes telefoonnummer onrechtmatig geweest en al hetgeen naar aanleiding van deze onrechtmatige telefoontap als bewijs is vergaard moet voor bewijs worden uitgesloten. De raadsman heeft drie gronden aangevoerd waarom er onrechtmatig zou zijn getapt, te weten:

1. er was geen sprake van een verdenking van een misdrijf. Handelen in gebruikershoeveelheden softdrugs levert immers geen misdrijf, maar een overtreding op;

2. het verkopen van gebruikershoeveelheden softdrugs aan jeugdigen levert geen ernstige inbreuk op de rechtsorde op. In coffeeshops worden immers ook aan minderjarigen gebruikershoeveelheden softdrugs verkocht;

3. niet kan worden gezegd dat het onderzoek het tappen dringend vorderde. Er waren anonieme meldingen en al diverse afgelegde verklaringen aanwezig. Tegen verdachte bestond een heldere verdenking en al veel informatie omtrent verdachte voorhanden.

Het tappen van verdachte was naar de mening van de raadsman disproportioneel. De politie had andere middelen moeten inzetten. Aan de hand van observaties had de politie verder kunnen rechercheren en kopers kunnen afvangen.

Tot slot heeft de raadsman nog aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft bekend een paar keer hoeveelheden van enkele grammen hennep te hebben verkocht, maar dat hij niet structureel drugs aan minderjarigen heeft verkocht.

Ten aanzien van parketnummer 04/850140-12

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu dit feit door verdachte wordt ontkent. Het aantreffen van verdachtes DNA op de ketting zegt niets over zijn betrokkenheid bij dit feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot parketnummer 04/801055-12

Feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte2;

- proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1]3;

- proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2]4;

- proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3]5

- proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4]6

Feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte7;

- de verklaring van [getuige 5]8

Met betrekking tot parketnummer 04/850140-12

Door [slachtoffer] is aangifte9 gedaan. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik doe aangifte van zware mishandeling gepleegd op 3 mei 2012 voor mijn woning [adres 2]. Ik was donderdag 3 mei 2012 omstreeks 18.00 uur alleen thuis. Voor de voordeur van ons huis zag ik twee jonge mannen staan. Ik zag dat beide mannen een integraal helm vasthielden; een helm was blauw- en een helm was rood gekleurd. Ik sprak ze aan en hoorde dat ze brommer pech hadden. Omdat ik dacht dat ze hulp nodig hadden ben ik naar de voorzijde van de woning gelopen en zag dat de twee mannen al weg waren. Toen ik om de bus heen liep zag ik plotseling meerdere mannen nabij mijn bus staan. Ik zag dat de twee mannen met de helm in de buurt van de voorzijde van mijn bus stonden. De eerste persoon die ik zag was een man die in zijn handen twee zwarte stokken vasthield die met elkaar verbonden waren middels een ketting. De man kwam op mij af rennen en riep: “Je had van [R] moeten afblijven”. Toen hij op mij kwam af gerend zag ik dat hij de stokken omhoog hield. Ik zag en voelde dat hij mij met kracht sloeg. Meteen op dat moment zag en voelde ik dat ook de andere mannen mij begonnen te slaan. Ik werd door twee mannen met de helmen geslagen. Ik werd ook door de 4e man geslagen. Als tegenreactie heb ik met mijn rechterarm een slagbeweging gemaakt tegen het lichaam van die man met de stokken waardoor hij viel. Dat baatte niet want die andere drie mannen sprongen boven op me. Ik werd toen alleen nog maar geslagen op mijn hoofd. De man die gevallen was is meteen opgestaan en ook hij is meteen weer gaan slaan. Ik werd door hem diverse malen met die stokken tegen en op mijn hoofd geslagen. Het deed veel pijn. De slagen tegen mijn hoofd leken steeds pijnlijker en intenser te worden. Op een gegeven moment voelde ik dat er bloed over mijn gezicht liep. Het lukte me weg te komen en de woning in te rennen.

Ik heb vijf minuten voordat die twee jonge mannen aanbelden een lichtgrijze Volkswagen, type Golf, zien rijden over de weg [adres 2].

Een proces-verbaal verhoor aangever10 houdt onder meer in:

Op 7 mei 2012 hoorde ik verbalisant T.J.P.H. Cox telefonisch en met diens toestemming [slachtoffer], geboren op 21 februari 1964, wonende [adres 2]. Deze verklaarde:

“Ik draag geen sieraden. Ik ben geen sieraad kwijt.”

Uit de Rapportage letselschade11 blijkt het volgende:

Bevindingen:

1) mededeling SEH: alleen weke delen letsel hoofd. Geen schedelletsel

2) Li onderarm: rode streepvormige striem van circa 10 cm lang, circa 8 mm breed, met

in het centraal in het midden van de striem over de hele lengte regelmatige

onderbrekingen van de rode verkleuring.

3) Voorhoofd net boven de haargrens op behaarde hoofd: scheurwond van circa 1,5 cm,

rafelig.

4) Achterhoofd , hoog rechts lateraal een rafelige grillig gevormde scheurwond van circa

4 cm lengte, liggend boven op een fors haematoom van circa 10-15 cm doorsnede.

Diepte wond: >2cm tot op het schedelbot.

5) Zwelling thv rechter kaakkopje, drukpijn.

Beschouwing: matig tot zwaar lichamelijk letsel

Conclusie: de aanwezige uitwendige letsels passen bij de verklaring van het slachtoffer.

Letsels hoofd passen goed bij stomptrauma dmv slagen met helm.

Letsel arm past goed bij slag met ketting.

Een proces-verbaal van bevindingen12 houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op donderdag 3 mei 2012, omstreeks 18.10 uur, kregen wij de melding van de regionale meldkamer van de politie Limburg-Noord dat er een overval op een woning [adres 2] had plaatsgevonden. In de woning werd een man aangetroffen met een bebloed gelaat en een met bloed doordrenkt t-shirt. Wij verbalisanten zagen dat de man hevig bloedde. Wij zagen dat de man diverse wonden op zijn hoofd en gelaat had. Ik, verbalisant [verbalisant 1] herkende de man als [slachtoffer]. Wij verbalisanten hoorden dat [slachtoffer] verklaarde dat hij door 4 mannen geslagen was. Een van de mannen had hem geslagen met twee stokken met een ketting er tussen. De andere mannen sloegen met onder andere een integraal helm. De mannen zouden zijn weggereden in een grijze Volkswagen Golf. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zagen dat collega’s divers sporen veilig stelden op de openbare weg [adres 2]. Wij zagen dat deze sporen bestonden uit een integraalhelm kapje, onderdeel van een integraalhelm, en een kapotte halsketting. Het slachtoffer [slachtoffer] werd met een ambulance overgebracht naar het ziekenhuis in Roermond.

Een proces-verbaal van bevindingen13 houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 3 mei 2012 omstreeks 18.15 uur waren wij verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] doende met de noodhulp voor het gebied Weert/Nederweert. Op genoemd tijdstip hoorden wij dat er een melding werd uitgegeven in de plaats Heythuysen. Deze melding betrof dat er een man was geslagen door 4 personen waarbij mogelijk wapens in het spel waren. Ook was er een grijze Volkswagen Golf gezien. Wij verbalisanten hoorden dat er sprake was van 1 licht getinte verdachte en 3 blanke verdachten. Ik, verbalisant [verbalisant 4], was ambtshalve bekend dat op de [adres 3] een man woont, zijnde [verdachte], die in bezit is van een grijze VW Golf. Verbalisant [verbalisant 4] is gebiedmedewerker van het dorp Roggel.

Gezien bovenstaande reden wij verbalisanten richting de [adres 3]. Op de oprit van de [adres 3] zagen wij een grijze Volkswagen Golf staan. Wij zagen dat deze Volkswagen Golf een zogenaamde driedeurs betrof en dat de bestuurdersstoel naar voren geklapt stond. Op een gegeven moment zag ik, verbalisant [verbalisant 4], de mij ambtshalve bekende [CP] met honden de woning uitkomen. Ik zei tegen [CP] dat hij de honden terug naar binnen moest brengen en weer naar buiten moest komen. Wij zagen dat [CP] met nog twee voor ons onbekende manspersonen naar buiten kwamen gelopen. Wij zagen dat een voor ons onbekende manspersoon zei: “Ik heb getraind met [CP].” Wij zagen dat deze manspersoon een licht getinte huidskleur had. Wij zagen dat deze manspersoon een bloedende schaafwond had aan de linker ellenboog. Wij zagen dat deze wond nog vochtig/vers was. Deze manspersoon bleek later de te noemen verdachte [verdachte] te zijn. Ik, verbalisant [verbalisant 3], stak mijn hand bij de wielbasis van het linker voorwiel van eerder genoemde Volkswagen Golf. Ik voelde dat het remsysteem van het linker voorwiel nog warm was.

Een proces-verbaal van bevindingen14 houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 3 mei 2012 bevond ik mij op de eerste hulp van het ziekenhuis te Roermond. Ik vroeg aan aangever/slachtoffer [slachtoffer] wat er hedenmiddag op de [adres 4] in Heythuysen gebeurd was. Ik hoorde dat het slachtoffer zei: “Ik kwam [R] tegen. Ik heb een aantal jaren geleden een kamer verhuurd aan [R]. Hij heeft zijn huur, welke opgelopen is tot 1600 euro, tot op heden nog niet betaald. Ik kwam hem nu tegen en heb hem een schop onder zijn kont gegeven. Ik heb hem ook nog een tik op zijn lip gegeven.

Ik heb een jongen met kort zwart haar, vermoedelijk Turk of Marokkaan, vast gepakt en tegen de bus gegooid. Ik zag dat hij hierdoor op het grind viel. Hij heeft vermoedelijk hierdoor verwondingen opgelopen. Ik heb ook nog een grijze Volkswagen, van het bouwjaar 97 of 98 gezien.”

Op 3 mei 2012 om 19.00 uur werd door surveillant van politie [verbalisant 5] en mij, verbalisant [verbalisant 6], als verdacht van overtreding van openlijke geweldpleging aangehouden: [verdachte], geboren op [geboortedatum]. Tijdens de aanhouding zagen wij dat op één van de ellenbogen van [verdachte] een verse schaafwond zat. Wij zagen dat op deze schaafwond nog geen korst zat. Tijdens de insluitingfouillering werd de kleding van de verdachte in beslag genomen. Ik zag dat op een van zijn knieën ook een verse schaafwond zat. Ook hier zag ik geen korst op zitten.

Een proces-verbaal van bevindingen15 houdt in:

Naar aanleiding van een onderzoek naar een openlijke geweldpleging en/of zware mishandeling gepleegd op 3 mei 2012 te Heythuysen werd door mij op 5 mei 2012 een tactisch onderzoek ingesteld in/aan de Volkswagen Golf, kenteken [nummer], bouwjaar 1998. In het dashboardkastje lag een navigatiesysteem Tomtom met oplader. Uit een eerste onderzoek bleek dat als laatste adres in de Tomtom stond ingegeven: [adres 2]. Dit betreft het adres van aangever/benadeelde [slachtoffer].

Een proces-verbaal Aanvraag DNA-onderzoek sporen16 houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 3 mei 2012 vond er een zware mishandeling plaats op de openbare weg voor de woning van het slachtoffer H. [slachtoffer], [adres 2]. In deze zaak werden twee mogelijke verdachten aangehouden: [R] en [verdachte]. Op de plaats van het delict werd een halsketting aangetroffen (koord met medaillon). Van beide verdachten en van het slachtoffer werd DNA-referentiemateriaal afgenomen.

Een proces-verbaal uitslag sporenonderzoek17 houdt, zakelijk weergegeven in:

Op 15 juni 2012 werd onder andere het volgende spoor naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag verzonden:

Sin AAET6323NL een zwart (hals)draad met ronde hanger.

Op 3 mei 2012 werd de het volgende spoor naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag verzonden:

Sin RAAR7872NL een referentiemonster wangslijmvlies [verdachte] (verdachte)

Vraagstelling:

Stel de biologische sporen veilig, genereer DNA-profielen en vergelijk deze met het referentiemonsters wangslijmvlies van de aangever en de verdachte.

Uitslag NFI

Aan het referentieminster wangslijmvlies RAAR7872NL van de verdachte [verdachte] is een DNA-onderzoek verricht. En een DNA-profiel verkregen.

Van de aangever [slachtoffer] is een DNA-profiel gemaakt en vergeleken met alle aanwezige DNA-profielen binnen de zaak.

Onderzoek biologische sporen (rapport d.d. 3 mei 2012)

Ketting AAEY6323NL (de rechtbank leest hierna telkens: AAET6323NL)

Biologische contactsporen. Het touw van de ketting en de medaillon van de ketting zijn bemonsterd om celmateriaal te verzamelen en van drager(s) van de ketting. De bemonsteringen zijn als AAET6323NL#01 (touw) en #02 (medaillon) veiliggesteld voor DNA-onderzoek.

Resultaten, interpretaties en conclusies vergelijkend DNA-onderzoek

SIN Celmateriaal kan afkomstig zijn van matchkans DNA-profiel

Bemonstering van een ketting

AAET6323NL#01 verdachte [verdachte] en ongeveer 1 op 370 miljoen

Een onbekende persoon

AAET6323NL#02 verdachte [verdachte] niet berekend

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard18:

“Het adres van [slachtoffer] was mij voor 3 mei 2012 niet bekend.”

Verdachte heeft bij de politie verklaard19:

“De wonden zitten op mijn linker elleboog. Wanneer ik deze wonden heb opgelopen weet ik niet meer.”

De verklaring van verdachte20, inhoudende:

De Tomtom die in de auto is aangetroffen is mijn eigendom.

4.3.1

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot parketnummer 04/801055-12:

Aan de Aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie (tap) ex art. 126m en 126 van het Wetboek van Strafvordering ligt het proces-verbaal van politie onder de zaaknaam “Dealen in Roggel” met proces-verbaalnummer 20101026911 d.d. 29 maart 2012 ten grondslag.

Uit dit proces-verbaal blijkt onder meer dat in verband met een ander onderzoek de telefoon van [TP] is bekeken. De ouders van [TP] hebben verklaard dat deze op de skatebaan te Roggel softdrugs koopt. In het adresboek van de telefoon van [TP] wordt onder de naam ‘dealer’ het telefoonnummer [telefoonnummer] gevonden. Voort zijn er in diverse observaties c.q. getuigenverklaringen waaruit het vermoeden bestaat dat er sprake is van stelselmatig dealen van softdrugs op de skatebaan te Roggel. Uit het CIE-proces-verbaal en het onderzoek aan de telefoon van [TP] blijkt dat het telefoonnummer van de dealer

[telefoonnummer] is. Gelet op het feit dat uit de verklaring van de ouders van [TP] blijkt dat deze daler een getinte man met hond is, die op de skatebaan te Roggel dealt, is het zeer aannemelijk dat dit telefoonnummer in gebruik is bij [verdachte]. Uit het CIE-proces-verbaal blijkt dat de jongeren het telefoonnummer [telefoonnummer] bellen om vervolgens bij de skatebaan af te spreken om drugs te kopen. Op grond van deze bevindingen tijdens het onderzoek is besloten de bij verdachte in gebruik zijnde communicatiemiddelen af te luisteren en op te nemen om zodoende vast te stellen of verdachte zich schuldig maakt aan het voorhanden hebben en verkopen van verdovende middelen, waaronder aan minderjarigen, welk handelen een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat op grond van de bevindingen tot dusverre bij de politie terecht de verdenking is gerezen van een misdrijf, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en C, van de Opiumwet gegeven verbod. De aanvraag voor het bevel onderzoek telecommunicatie (tap) van het telefoonnummer [telefoonnummer], zijnde het telefoonnummer van de dealer, is dan ook op goede gronden gedaan en voldoet aan alle vereisten, zodat er dientengevolge ook rechtmatig is getapt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman

Met betrekking tot parketnummer 04/850140-12:

Door verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat zijn verse verwondingen aan ellenboog en knie het gevolg zijn geweest van “een partijtje sparren” met [CP] en dat de reden dat er nog geen korstvorming op deze wonden had plaatsgevonden gelegen is in het feit dat verdachte altijd aan wondjes zit te “pulken”. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de op de plaats van het delict aangetroffen ketting en medaillon vroeger mogelijk op een weekmarkt in Roggel in handen heeft gehad en dat dit de reden is geweest dat zijn DNA op de ketting en het medaillon is aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte onaannemelijke verklaringen omtrent zijn verwondingen en het DNA op de ketting en het medaillon heeft afgelegd met als enkel doel de waarheid te bemantelen. Slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard: “Ik heb een jongen met kort zwart haar, vermoedelijk Turk of Marokkaan, vast gepakt en tegen de bus gegooid. Ik zag dat hij hierdoor op het grind viel. Hij heeft vermoedelijk hierdoor verwondingen opgelopen.” Door de verbalisanten die verdachte zeer kort na de mishandeling van [slachtoffer] hebben aangehouden is waargenomen dat verdachte verse (bloedende) schaafverwondingen had op zijn elleboog. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte deze verse schaafwonden zou hebben oplopen bij een partijtje sparren. Op 4 mei 2012, een dag na het gebeurde, heeft verdachte immers zelf bij de politie verklaard dat hij niet weet wanneer hij de wonden aan zijn linker ellenboog heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank past het bij verdachte geconstateerde letsel bij een val op grind. De reden dat er nog geen korstjes gevormd waren op de verwondingen is naar het oordeel van de rechtbank het feit dat een verse wond betreft.

De stelling van verdachte dat zijn DNA op de ketting en het medaillon terecht is gekomen omdat hij deze mogelijk, bijna twee jaar eerder, op een weekmarkt in Roggel in handen zou hebben gehad, acht de rechtbank eveneens onaannemelijk, temeer nu alléén zijn DNA op het medaillon is aangetroffen. De verweren treffen derhalve geen doel.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat het verdachte is geweest die het laatst ingevoerde adres [adres 2], zijnde het adres van slachtoffer [slachtoffer], in de Tomtom heeft ingevoerd. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de inbeslaggenomen Tomtom zijn eigendom is en dat hij vóór de mishandeling van [slachtoffer] op 3 mei 2012 niet bekend was met adres van [slachtoffer].

Ter terechtzitting heeft verdachte nog verklaard dat zijn vriendin Looijs mogelijk dit adres in de Tomtom heeft ingevoerd in verband met haar werkzaamheden. De rechtbank acht ook deze verklaring van verdachte niet aannemelijk. Uit het dossier blijkt immers dat Looijs al lang voor het onderhavige feit met pakketdienst was gestopt.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Parketnummer 04/801055-12

1.

hij in de periode van 1 juli 2011 tot en met 19 juni 2012 te Roggel meermalen telkens

opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 19 juni 2012 te Roggel tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 116 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

parketnummer: 04/850140-12

hij op 3 mei 2012 te Heythuysen tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met stokken tegen het hoofd en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en meermalen met een helm tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

parketnummer 04/801055-12:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 11, lid 2, van de Opiumwet.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 11, lid 2, van de Opiumwet, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

parketnummer 04/85014012:

medeplegen van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 303, junctis de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één jaar met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor wat betreft de zaak onder parketnummer 04/801055-12 een straf bepleit gelijk aan het in die zaak ondergane voorarrest. Voor wat betreft de zaak onder parketnummer 04/850140-12 heeft de raadsman een taakstraf bepleit van 240 uur. De raadsman is van mening dat bij bepaling van de strafmaat rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in hennep voor de periode van bijna een jaar, waarbij verdachte ook niet geschroomd heeft drugs aan minderjarigen te verkopen. Daarnaast heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander een handelaarshoeveelheid hennep voorhanden gehad. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde poging tot zware mishandeling. Met name de poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van het slachtoffer [slachtoffer] met behulp van slagvoorwerpen acht de rechtbank een bijzonder ernstig feit, hetgeen eveneens blijkt uit het wettelijk strafmaximum dat de wetgever op een dergelijk strafbaar feit (12 jaar) heeft gesteld. Verdachte c.s. zijn voor eigen rechter gaan spelen toen zij vernamen dat de zoon van de vriendin van verdachte die dag door het slachtoffer is mishandeld. Zij hebben besloten om wraak te nemen en hebben het slachtoffer thuis opgezocht en naar buiten gelokt waar ze hem te grazen hebben genomen.

De omstandigheid dat [slachtoffer] door de slagen met de stokken en helm op zijn hoofd en/of lichaam ‘slechts’ scheurwonden op zijn hoofd, een diepe wond tot op het schedelbot, een lange striem op zijn onderarm en een zwelling ter hoogte van het rechter kaakkopje heeft opgelopen, is een omstandigheid die niet aan verdachte en zijn mededaders te danken is. Door zo gewelddadig te handelen zoals verdachte en zijn mededaders hebben gedaan, hebben zij veel leed aan het slachtoffer toegebracht en sterke gevoelens van onveiligheid bij het direct betrokken slachtoffer en zijn naasten opgewekt.

Uit het schade-onderbouwingsformulier blijkt dat het slachtoffer nog steeds last en hinder ondervindt van deze brute en vooropgezette zware mishandeling. Het slachtoffer ondervindt concentratieproblemen, kan niet goed slapen en wordt veel wakker. Ook is het slachtoffer sneller geïrriteerd. Vanwege de traumatische gebeurtenis heeft hij zes weken niet kunnen werken. Verder heeft hij door het gebeuren psychische schade opgelopen en daardoor aangepast werk gekregen. Naast fysieke en psychische schade voor het slachtoffer heeft het gebeuren ook gevolgen voor zijn gezin gehad. Zijn dochter durft niet meer alleen thuis te blijven, terwijl zijn echtgenote onder behandeling is.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 september 2014, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte.

In het bijzonder gelet op de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in Nederland in aanraking is geweest en het verstreken tijdsverloop in beiden strafzaken acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een geringere onvoorwaardelijke gevangenisstraf, vrijheidsbeneming medebrengend, en een taakstraf van na te melden duur meer passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel, alles overwegende, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straffen dan in het dictum vermeld.

8 De benadeelde partij

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres 2] vordert een schadevergoeding van € 2.665,37 terzake van het onder parketnummer 04/850140-12 bewezenverklaarde feit.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk moet worden toegewezen en dat de schademaatregel moet worden toepast.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij primair niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering en is subsidiair van mening dat de hoogte van de immateriële schade moet worden gematigd.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de kosten, te weten € 220,00 voor kosten eigen risico zorgverzekering, reiskosten totaal € 82,04, rekening apotheek € 12,33 en kosten manuele therapie totaal

€ 351,00 voldoende onderbouwd, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank te hoog voor. De hoogte van de vordering immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank dan ook maar deels voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade matigen en stelt de schade naar redelijkheid en billijkheid op € 1.000,00. Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met de andere daders waarbij de schadevergoeding is toegewezen, hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.665,37, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 26 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum is genoemd.

9 Het beslag

9.1.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen goed, te weten:

Beslagportaal 1 97.51 GR Hennep

-

301358;

dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemd, aan de verdachte toebehorend voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, terwijl dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane misdrijf is aangetroffen.

9.2.

Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

2010102691 2 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

IPHONE

301184 1.1.1 iphone met burberry hoesje

2010102691 3 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

NOKIA

301188

2010102691 8 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

SAMSUNG

301209

2010102691 9 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:wit

LG

301213

2010102691 10 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

SAMSUNG

301214

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan verdachte, zoals hierna in het dictum is genoemd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

2010102691 4 Geld Nederlands

-

30 euro (ibg 19.06.12)

2010102691 5 Geld Nederlands

-

365 euro (ibg 19.06.12)

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan de rechthebbende, zoals hierna in het dictum is genoemd.

10 De wettelijke voorschrifen

De beslissing berust op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Wetboek van Strafrecht: art. 10, 22c, 22d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 91 en 303

Opiumwet: 3, 11.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in beide strafzaken in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot taakstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

- wijst de vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.665,37;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1.665,37, te vermeerderen met de wettelijke rechte over dat bedrag te rekenen vanaf 3 mei 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering af voor al het overige;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.665,37, subsidiair 26 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rechte over voormeld bedrag vanaf 3 mei 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat indien verdachte of zijn mededader jegens wie de schadevergoeding is toegewezen heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.665,37, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 3 mei 2012 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer, daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte of zijn mededader jegens wie de schadevergoeding is toegewezen aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken:

Beslagportaal 1 97.51 GR Hennep

-

301358;

- gelast de teruggave aan verdachte van:

2010102691 2 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

IPHONE

301184 1.1.1 iphone met burberry hoesje

2010102691 3 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

NOKIA

301188

2010102691 8 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

SAMSUNG

301209

2010102691 9 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:wit

LG

301213

2010102691 10 1.00 STK Mobiele telefoon Kl:zwart

SAMSUNG

301214

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

2010102691 4 Geld Nederlands

-

30 euro (ibg 19.06.12)

2010102691 5 Geld Nederlands

-

365 euro (ibg 19.06.12)

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, mr. A.C.A. Schreinemakers,

en mr. J. Iding, rechters, van wie mr. J. Iding voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. P.C.M. Müller, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 oktober 2014.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 04/801055-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 22 oktober 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres 3],

thans gedetineerd in de / het *** Detentieinstantie *** te

*** Vest.plaats detentieinstantie ***.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 8 oktober 2014 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

(tolk: bouwsteen 503)

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman/vrouwe mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL233E 2010102691 d.d. 28 juli 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering (tevens print van scan 20.08.2012 van origineel).

2 Proces-verbaal terechtzitting van 8 oktober 2014.

3 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 21 juni 2012, pagina 192 en 193.

4 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 25 juni 2012, pagina 199 tot en met 201.

5 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 26 juni 2012, pagina 207 tot en met 209.

6 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 28 juni 2012, pagina 215 en 216.

7 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 8 oktober 2014.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 20 juni 2012, pagina 123 en 126.

9 Proces-verbaal verhoor aangever d.d. 6 mei 2012, pagina 97 tot en met 100.

10 Proces-verbaal verhoor aangever d.d. 7 mei 2012, pagina 107.

11 Rapportage Letselschade d.d. 7 mei 2012, pagina 110.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2012, pagina 132 en 133.

13 Proces-vernbaal van bevindingen van 3 mei 2012, pagina 137 en 138 .

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2012, pagina 140 en 141.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2012. Pagina 148 en foto nummer 11 op pagina 253.

16 Proces-verbaal Aanvraag DNA-onderzoek sporen d.d. 25 mei 2012, proces-verbaalnummer PL236E 2012042055-39, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7].

17 Proces-verbaal uitslag sporenonderzoek d.d. 27 september 2012, pagina 225 tot en met 227.

18 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 8 oktober 2014.

19 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 4 mei 2012, pagina 86.

20 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d 7 mei 2012, pagina 93.