Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8922

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
30-10-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 139, 140, 141u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Functiewaardering van de functie “Rechercheur BFO”. Verweerder heeft terecht geen aansluiting hoeven te zoeken bij de referentiefuncties in de expertise-reeks. Experts brengen een wetenschappelijk element in bij het politieonderzoek, zij vertalen hun theoretische achtergrond naar opsporingswerk en komen van buiten de politie organisatie. Eisers daarentegen zijn uitvoerend bezig en zijn binnen de politie organisatie opgeleid tot opsporingsambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 13/139, 13/140 en 13/141

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 oktober 2014 in de zaken tussen

  • -

    [naam eiser 1] ,

  • -

    [naam eiser 2] ,

  • -

    [naam eiser 3] ,

eisers,

(gemachtigde: mr. G.M. Terlingen),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E.F. Kooren).

Procesverloop

Bij besluiten van 15 februari 2012 (de primaire besluiten) heeft de korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord (hierna: de korpsbeheerder) de waardering van de functie van eisers, te weten “Rechercheur BFO”, gewaardeerd en ingedeeld in schaal 9.

Bij besluiten van 20 december 2012 (de bestreden besluiten) heeft de korpsbeheerder de bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers ieder afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 3 september 2012. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en C.M. Vervoort.

Overwegingen

1. De bestreden besluiten zijn genomen door de korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord. Op 1 januari 2013, met de inwerkingtreding van de Politiewet 2012, zijn diens bevoegdheden overgegaan op verweerder. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de korpsbeheerder.

2. Eisers zijn werkzaam bij de politieregio Limburg-Noord als “Rechercheur BFO” binnen het Bureau Financiële Ondersteuning onder de afdeling Tactiek binnen de divisie Regionale Recherche.

Bij brieven van 30 mei 2011 – ontvangen op 8 juni 2011 – hebben eisers hun nieuwe functiebeschrijving ontvangen. Vervolgens heeft verweerder op 23 augustus 2011 aan eisers zijn voornemen kenbaar gemaakt dat hun functie zal worden gewaardeerd op schaal 9. Hiertegen hebben eisers hun bedenkingen kenbaar gemaakt. Eisers zijn over hun bedenkingen gehoord door de Interregionale Heroverwegingscommissie Functiewaardering Politie. Voornoemde commissie heeft geadviseerd tot ongegrondverklaring van de bedenkingen.

Bij de primaire besluiten is de waardering van de functie “Rechercheur BFO” conform het advies van de Interregionale Heroverwegingscommissie Functiewaardering Politie vastgesteld op niveau schaal 9. Tegen dit waarderingsbesluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Eisers zijn over hun bezwaren gehoord door de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering Politie (de Commissie). De Commissie heeft geadviseerd tot ongegrondverklaring van eisers bezwaren. Volgens de Commissie is de indeling van de organieke functie van “Rechercheur BFO” in schaal 9 passend. De Commissie concludeert dat de functie van eisers van “Rechercheur BFO” minimaal gelijkwaardig moet worden geacht met de inhoud van de referentiefunctie van “Professional thematische recherche”, maar omdat niet alle aspecten van de functie van eisers aan de orde zijn geweest heeft de Commissie de inhoud van de functie tevens getoetst aan de inhoud van de referentiefunctie “Expert B”. In vergelijking tot de referentiefunctie van “Expert B” komt de Commissie in haar advies tot de conclusie dat deze referentiefunctie zwaarder wordt geacht dan de te waarderen functie van “Rechercheur BFO”, met name vanwege het vanuit wetenschappelijke ontwikkelingen opstellen van nieuwe methoden en technieken. De Commissie verwijst daarbij naar de kern van de referentiefunctie van “Expert B” waaruit blijkt dat die referentiefunctie vooral gericht is op het vanuit wetenschappelijke basis ontwikkelen van nieuwe instrumenten, methoden en technieken.

3. Verweerder heeft in navolging van het advies van de Commissie de bestreden besluiten genomen.

4. Eisers hebben beroep doen instellen bij de rechtbank. Eisers zijn van mening dat bij deze besluiten sprake is van een motiveringsgebrek, nu de besluiten niet zijn voorzien van een deugdelijk functiewaarderingsrapport. Volgens eisers gaat verweerder er vanuit dat de functie van “Expert A” gelijkenis vertoont met de functie van “Rechercheur BFO”, terwijl de kern van de functie van “Expert A” onvoldoende recht doet aan hun werkzaamheden. Eisers zijn van mening dat hun werkzaamheden verder gaan dan de werkzaamheden van “Expert A” en “Professional thematische recherche”. Zij geven aan dat in hun functie het accent ligt op het zelfstandig uitvoeren van opsporingsonderzoeken met bijbehorende inschattingen in connexiteit met bruikbare methoden, technieken en instrumenten, het opstellen van onderzoeksplannen, het zelfstandig uitvoeren van expertise werkzaamheden. Eisers werken in een team van drie en werken hierdoor oordeelsvormend op het gebied van expertise, inzet en aanpak, analyseren gegevens en vertalen deze naar concrete en werkbare informatie voor derden. Voorts kunnen eisers verweerder niet volgen in zijn standpunt dat zij niet zouden beschikken over een HBO niveau met ruime ervaring.

Volgens eisers gaan hun werkzaamheden, met name waar het gaat om oordeelsvorming op zijn expertisegebied binnen een team, verder dan de beschreven werkzaamheden in de functie van “Expert B”. Zij geven aan dat zij steeds zelfstandig expertisewerkzaamheden uitvoeren binnen een team, waarbij zij zelfstandig te werk gaan (waardoor zij te allen tijde deelprojectleider zijn) en zijn deze expertisewerkzaamheden veelal de grondslag voor verder onderzoek waardoor ook hierbij volgens eisers kan worden gesteld dat deze verder gaan dan de verantwoordelijkheden van “Expert B”. Eisers zijn dan ook de mening toegedaan dat hun functie dient te worden ingedeeld in salarisschaal 10.

Eisers hebben – in reactie op het verweerschrift van verweerder – nog aangevoerd dat de Commissie (en in navolging daarvan verweerder) als enige verschil tussen de organieke functie en de referentiefunctie “Expert B” heeft opgemerkt dat deze laatste functie zwaarder moet worden beoordeeld op het element “vanwege wetenschappelijke ontwikkelingen opstellen van nieuwe methoden en technieken”. Volgens eisers is voornoemd citaat in de letterlijke functiebeschrijving van “Expert B” en “Rechercheur BFO” niet terug te vinden. In de letterlijke tekst van de referentiefunctie “Expert B” staat volgens eisers iets anders, namelijk: “ zich op de hoogte stellen van de laatste ontwikkelingen in wetenschappelijk onderzoek ten aanzien van het expertisegebied en dit vertalen naar uitvoering”. In de organieke functie van “Rechercheur BFO” is opgenomen dat men moet “attenderen” op voor “opsporing relevante ontwikkelingen” en “nieuwe recherche methoden, technieken en tactieken dient te ontwikkelen voor het werkterrein”, aldus eisers. Volgens eisers spreekt het voor zich dat wil men kunnen “attenderen”, zij zich tenminste ook “op de hoogte dienen te stellen van …”. Volgens eisers zijn hun werkzaamheden op dit punt identiek aan de functie van “Expert B”. Eisers stellen zich voorts op het standpunt dat zij beschikken over een HBO-niveau met ruime ervaring, evenals de opleidingsindicatie voor de referentiefunctie “Expert B”. Eisers betogen voorts dat zij werkzaamheden verrichten als deelprojectleider. Het woord “deelprojectleider” is niet letterlijk vermeld in de functiebeschrijving van de functie “Rechercheur BFO”, maar alle kwalificaties van deze functie zijn in andere bewoordingen opgenomen in de functiebeschrijving.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Niet in geschil is dat als uitgangspunt voor de waardering van de onderhavige functie de functiebeschrijving van “Rechercheur BFO” dient te worden genomen.

6. Nu het om een functiewaardering gaat, dient de rechterlijke toetsing een terughoudende te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat pas tot vernietiging van de bestreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt.

De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 maart 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BC7406).

7. Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerder in redelijkheid, in navolging van de Commissie, voor de waardering van de door eisers vervulde organieke functie van “Rechercheur BFO” aansluiting heeft kunnen zoeken bij de – karakteristieken van – de referentiefuncties “Professional thematische recherche” (schaal 9).

8. Volgens de hier toepasselijke methode van functiewaardering, waarbij de functiebeschrijving de basis vormt, wordt voor de waardering van de betrokken functie eerst aan de hand van het referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie en het Vernieuwd Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie bepaald van welke functiereeks moet worden uitgegaan. Vervolgens wordt de te waarderen functie, binnen die reeks, van laag tot hoog met de (functiekarakteristieken van de) in deze functiereeks voorkomende referentiefuncties vergeleken. Die vergelijking gaat door totdat wordt vastgesteld, dat de organieke functie wat betreft zwaarte overeenkomt met een functie uit het referentiemateriaal, waarna de functie wordt gewaardeerd overeenkomstig de referentiefunctie. Moet worden vastgesteld dat de organieke functie qua zwaarte lichter is dan de opvolgende functie uit het referentiemateriaal, dan wordt de functie gewaardeerd overeenkomstig de voorgaande referentiefunctie.

9. Gebleken is dat verweerder van de inhoud van de door eisers uitgeoefende organieke functie de functiereeks “Opsporing”, subreeks “Thematische Recherche” tot uitgangspunt heeft genomen. Daarvan uitgaande is door verweerder vervolgens de conclusie getrokken dat de referentiefunctie “Professional thematische recherche” minimaal gelijkwaardig moet worden geacht met de inhoud van de organieke functie. Verweerder heeft in navolging van de Commissie vervolgens getoetst aan de inhoud van referentiefunctie van “Expert B”, uit de functiereeks “Opsporing”, subreeks “Expertise”, omdat niet alle aspecten van de organieke functie waren gedekt door de referentefunctie “Professional thematische recherche”. Verweerder komt tot de conclusie dat de referentiefunctie “Expert B” zwaarder is dan de door eisers uitgeoefende organieke functie, zodat voor het waarderen van die functie toch weer is teruggevallen op de andere functie- en subreeks behorende, volgens het referentiemateriaal, minder zware referentiefunctie “Professional thematische recherche”.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zowel in de organieke functie als in de referentiefunctie “Expert B” sprake is van ontwikkelende taken. In de organieke functie van “Rechercheur BFO” is er sprake van het ontwikkelen van nieuwe methode, technieken en tactieken op het betreffende werkterrein en het attenderen op voor opsporing relevante ontwikkelingen, terwijl het in de referentiefunctie van “Expert B” gaat om het zich op de hoogte stellen van de laatste ontwikkelingen in wetenschappelijk onderzoek en het vertalen daarvan naar de uitvoering en het ontwikkelen van nieuwe instrumenten, methoden en technieken en het introduceren hiervan. Verweerder is de opvatting toegedaan dat de ontwikkelende taken van eisers opgedragen functie als lichter zijn aan te merken, met name vanwege het feit dat in de referentiefunctie vanuit wetenschappelijk onderzoek uitvoering wordt gegeven aan deze taken.

Verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat bij de functies in de expertise-reeks een wetenschappelijk element wordt ingebracht bij het politieonderzoek. Een “Expert A” of “Expert B” is volgens verweerder opgeleid op HBO-niveau en komt van buiten de politie organisatie. Voornoemde experts vertalen hun theoretische achtergrond naar opsporingswerk. Eisers daarentegen zijn volgens verweerder uitvoerend bezig. Zij zijn binnen de politie organisatie opgeleid tot opsporingsambtenaren.

11. Gezien de hierboven weergegeven onderbouwing van verweerders standpunt, overweegt de rechtbank dat verweerders standpunt in deze niet als onhoudbaar is te beschouwen. Nu de functie van eisers een uitvoerende functie is en qua niveau niet overeenkomt met de naast hogere referentiefunctie “Expert B” welke functie meer theoretisch van aard is, brengt het hiervoor omschreven systeem van functiewaardering mee dat toch moet worden teruggegaan naar het niveau van de voorlaatste referentiefunctie, te weten “Professional thematische recherche”.

12. Voor zover eisers in beroep hebben betoogd dat zij functioneren op HBO-niveau, merkt de rechtbank op dat, wat hier verder ook van zij, de opleidingseis van de organieke functie in dit geval leidend is. Het gaat in het onderhavige geval om het waarderen van de organieke functie van eisers. Voor de organieke functie is geen HBO-niveau vereist. Dat eisers op HBO-niveau functioneren, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet relevant.

13. De vergelijking die eisers hebben gemaakt met referentiefunctie “Expert B” op het gebied van het verrichten van werkzaamheden als deelprojectleider, kan hen evenmin baten. Gelet op de inhoud van referentiefunctie “Expert B” stelt de rechtbank vast dat de “Expert B” doorgaans optreedt als medewerker bij projecten. Slechts in voorkomende gevallen treedt de “Expert B” op als (deel)projectleider. In de functiebeschrijving van de organieke functie van eisers stelt de rechtbank vast dat eisers eveneens werkzaam zijn als medewerker in projecten, waarin zij zelfstandig hun werk kunnen doen en daarvoor verantwoordelijk zijn. Het daadwerkelijk zijn van deelprojectleider staat niet letterlijk in hun functiebeschrijving genoemd. Eisers hebben hun standpunt dat zij optreden als deelprojectleider ook niet van een deugdelijk en toereikende onderbouwing voorzien.

14. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de rechtbank in hetgeen van de kant van eisers naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat de waardering van de door eisers uitgeoefende organieke functie “Rechercheur BFO” met salarisschaal 9 onjuist is.

15 De beroepen van eisers zijn ongegrond.

16 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (voorzitter), en mr. P.J.M. Bruijnzeels en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

w.g. D. Laeven,

griffier

w.g. A.W.P. Letschert,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 oktober 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.