Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8774

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
21-10-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 3322u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW, Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen van 23 december 2010.

Afkoop van pensioenaanspraken van de partner leidt tot korting op partnertoeslag bij AOW.

Geen bewuste keuze voor afkoop, uitbetaling vóór de pensioengerechtigde leeftijd partner. Kennelijk onredelijk resultaat?

Reikwijdte van het begrip "kennelijk onredelijk resultaat" in het Inkomensbesluit.

Kennelijkheidsvereiste impliceert dat het niet op de weg van verweerder ligt uit eigen beweging onderzoek te doen, maar dat de uitkeringsgerechtigde feiten en omstandigheden moet aanvoeren die het resultaat onredelijk maken.

Kennelijkheidsvereiste impliceert bovendien dat geen twijfel mogelijk mag zijn over de onredelijkheid van het resultaat. Nu het resultaat deels aan de uitkeringsgerechtigde zelf is toe te rekenen, brengt dit met zich dat niet aan het kennelijkheidsvereiste is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 3322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2014 in de zaak tussen

[naam eiser], te Montfort, eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz).

Procesverloop

Bij besluiten van 4 oktober 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder de toeslag op het pensioen uit hoofde van de Algemene Ouderdomswet (AOW) van eiser over de maand mei 2013 verlaagd met een bedrag van € 649,99 en dit bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 23 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2014.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank op 26 maart 2014 het onderzoek heropend en het Pensioenfonds voor het Slagersbedrijf (hierna: Pensioenfonds) een aantal schriftelijke vragen ter beantwoording voorgelegd. Op 14 juli 2014 heeft de rechtbank een inhoudelijke reactie van het Pensioenfonds ontvangen. Gelet op de door beide partijen daartoe gegeven toestemming heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft zij op 21 augustus 2014 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Aan eiser is in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd per juni 2009 een AOW-pensioen toegekend van € 686,78 bruto per maand plus vakantiegeld van € 40,36 per maand. Tevens is aan eiser per juni 2009 een partnertoeslag toegekend van € 686,78 bruto plus € 40,36 bruto vakantiegeld per maand, omdat zijn partner jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd.

1.2.

De echtgenote van eiser is geboren op 8 mei 1948. Zij had per 8 mei 2013 aanspraak op een jaarlijkse uitkering door het Pensioenfonds van € 77,59 aan ouderdomspensioen en € 54,31 aan partnerpensioen (gezamenlijk te noemen: het slagerspensioen). Uit doelmatigheidsoverwegingen heeft het Pensioenfonds de opgebouwde ouderdomspensioen- en partnerpensioenaanspraken afgekocht door eenmalige uitkering aan de echtgenote van eiser van een bedrag van € 1.381,93 bruto.

2. Bij het primaire besluit (I) heeft verweerder bepaald dat eiser over de periode mei 2013 minder toeslag krijgt, omdat zijn echtgenote een inkomen van € 1.381,93 bruto heeft ontvangen van het Pensioenfonds, hetgeen verweerder na een telefonische mededeling van de partner van eiser op 19 september 2013 heeft vastgesteld. Bij het primaire besluit (II) heeft verweerder voorts bepaald dat eiser de te veel ontvangen toeslag, neerkomend op een bedrag van € 649,99 bruto, dient terug te betalen.

3. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat het afgekochte slagerspensioen van eisers echtgenote als inkomen aan de maand mei moet worden toegerekend en derhalve in mindering moet worden gebracht op de partnertoeslag van eiser. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat inkomen van de jongere partner van een AOW-gerechtigde in beginsel in mindering wordt gebracht op de toeslag op het AOW-pensioen in de maand waarin dit inkomen wordt uitbetaald. Slechts indien dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat wordt een dergelijke incidentele uitkering niet op de toeslag in mindering gebracht. Nu de door de echtgenote van eiser ontvangen afkoopsom niet gerelateerd kan worden aan een bepaalde periode van opbouw, is er volgens verweerder geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat.

4. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hij betoogt dat het in mindering brengen van de afkoopsom op de partnertoeslag leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat en voert daartoe het volgende aan.

De afkoopsom is een eenmalige uitkering, die door maandelijkse opbouw tot stand is gekomen en heeft plaatsgevonden vóór het moment waarop het recht van zijn echtgenote op AOW is ontstaan. Derhalve is er – volgens de door verweerder in zijn beleid geformuleerde criteria – sprake van een kennelijk onredelijk resultaat, op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het in mindering brengen van de afkoopsom op de partnertoeslag.

Daarnaast heeft het Pensioenfonds de afkoopsom volgens eiser ten onrechte uitgekeerd vóór het bereiken van de AOW-leeftijd van eisers echtgenote op 8 juni 2013. Indien de afkoopsom in juni 2013 was uitgekeerd, zou dit geen gevolgen hebben gehad voor eisers partnertoeslag, nu hij per juni 2013 geen recht meer had op partnertoeslag vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd door zijn echtgenote.

Tot slot voert eiser aan dat er sprake was van een gedwongen afkoop van pensioenrechten. Indien hij en zijn echtgenote de keuze hadden gehad, zouden zij hebben gekozen voor periodieke uitbetaling van het slagerspensioen en zou hoogstens slechts een evenredig gedeelte van het slagerspensioen op de partnertoeslag in mindering kunnen worden gebracht.

5. In geding is of verweerder op goede gronden de aan de echtgenote van eiser uitgekeerde afkoopsom heeft gekort op de toeslag van eiser op zijn AOW-pensioen over de maand mei 2013. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

6.1.

Artikel 8, eerste lid, van de AOW bepaalt dat de gehuwde pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige brutotoeslag.

6.2.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de AOW wordt de volledige brutotoeslag toegekend voor zolang, met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van de echtgenoot van de pensioengerechtigde nihil bedraagt. Het tweede lid bepaalt dat op de volledige brutotoeslag in mindering wordt gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven, vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 11.

6.3.

Ingevolge artikel 12a wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen uit arbeid en overig inkomen als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste en tweede lid, 11 en 12 wordt verstaan. Deze algemene maatregel van bestuur is het hier van toepassing zijnde Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen van 23 december 2010 (het Inkomensbesluit).

6.4.

In artikel 2:4, eerste lid, onder m, van het Inkomensbesluit, – voor zover hier relevant – is bepaald dat voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, artikel 11 en artikel 12 van de wet onder overig inkomen wordt verstaan:

‘m. een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of op grond van functioneel leeftijdsontslag;’

6.5.

Ingevolge artikel 4:1, vierde lid, van het Inkomensbesluit worden betalingen van het overig inkomen toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat. In het negende lid van dit artikel is bepaald dat indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat verweerder het inkomen op een andere wijze bepaalt.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afkoopsom terecht heeft beschouwd als een uitkering op grond van een pensioenregeling, als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onder m, van het Inkomensbesluit, en derhalve als een betaling van het overig inkomen, als bedoeld in artikel 4:1, vierde lid, van het Inkomensbesluit. Derhalve dient de afkoopsom te worden toegerekend aan de periode waarin hierop recht bestaat, tenzij dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.

8. Verweerder heeft in zijn beleidsregel SB 1049 (de beleidsregel) – voor zover in de onderhavige zaak van belang – bepaald dat een incidentele betaling (zoals overwerkvergoedingen, winstdelingsuitkeringen en eindejaarsuitkeringen) in mindering wordt gebracht in de maand waarin deze wordt uitbetaald. Een uitzondering is opgenomen voor het geval een incidentele uitkering door maandelijkse opbouw tot stand is gekomen en deze uitkering geheel of gedeeltelijk is opgebouwd vóór het moment waarop recht op nabestaandenuitkering of ouderdomspensioen is ontstaan. In een dergelijk geval is volgens de beleidsregel sprake van een kennelijk onredelijk resultaat en wordt het gedeelte van de incidentele uitkering dat is opgebouwd voordat het recht op AOW-pensioen is ontstaan, niet aangemerkt als in mindering te brengen inkomen.

9. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat de afkoopsom door maandelijkse opbouw tot stand is gekomen, zodat toerekening van de afkoopsom aan de maand mei 2013 leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Verweerder betoogt dat de afkoopsom wordt berekend aan de hand van de contante waarde van het opgebouwde pensioen, welke niet alleen afhankelijk is van de duur van de deelname aan het Pensioenfonds, maar ook van de hoogte van het destijds genoten loon en premieafdracht en van de levensverwachting. In tegenstelling tot een eindejaarsuitkering of een winstdelingsuitkering, die maandelijks of in een bepaald jaar moeten worden opgebouwd, is een afkoopsom naar de mening van verweerder derhalve niet door maandelijkse opbouw tot stand gekomen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat een afkoopsom wordt berekend aan de hand van de contante waarde van het opgebouwde pensioen en dat de contante waarde niet alleen afhankelijk is van de duur van de deelname aan het pensioenfonds, maar ook van de hoogte van destijds genoten loon en premieafdracht en van de levensverwachting. Anders dan bij een eindejaarsuitkering betreft een afkoopsom van een pensioen niet de totaalsom van in het verleden opgebouwd inkomen, waarvan de uitbetaling is uitgesteld. Een pensioen wordt opgebouwd door het afdragen van pensioenpremies, met als doel om een inkomensvoorziening te creëren vanaf de pensioendatum, hetgeen resulteert in een maandelijks inkomen vanaf de pensioendatum. Gelet op artikel 1 van de Pensioenwet komt de pensioenbestemming aan de pensioenaanspraken te ontvallen op het moment dat door de ontvangst van de afkoopsom hierover de vrije besteding wordt verkregen en kan deze niet langer worden gezien als een inkomensvoorziening voor de toekomst. De afkoopsom betreft al met al een op zichzelf staand bedrag dat noch uitsluitend door periodieke opbouw in het verleden tot stand is gekomen, noch kan worden beschouwd als een inkomensvoorziening voor de toekomst. Het bedrag dient te worden beschouwd als een incidentele uitkering in de maand waarin het is uitbetaald. Nu gelet op het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat de afkoopsom niet, althans niet uitsluitend, tot stand is gekomen door maandelijkse opbouw, leidt toerekening van de afkoopsom aan de maand mei 2013 op die grond niet tot een kennelijk onredelijk resultaat.

11. Eiser betoogt ten tweede dat toerekening van de afkoopsom aan mei 2013 leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, omdat verweerder de afkoopsom ten onrechte heeft uitgekeerd vóórdat eisers echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Indien de afkoopsom was uitgekeerd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd – die sinds 2013 is vastgesteld op 65 jaar en één maand –, zou de afkoopsom zijn uitbetaald in en toegerekend aan de maand juni 2013 en geen gevolgen hebben gehad voor zijn partnertoeslag, aangezien hij vanaf juni 2013 geen recht meer had op partnertoeslag vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door zijn echtgenote.

12. Ten derde voert eiser aan dat toerekening van de afkoopsom aan de maand mei 2013 eveneens leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, omdat zijn echtgenote niet de keuze had het slagerspensioen niet af te kopen. Indien zij hierin wel een keuze zou hebben gehad, had zij ervoor gekozen het slagerspensioen maandelijks te laten uitkeren. In dat geval zou hoogstens een bedrag van € 77,59 aan inkomen toegerekend zijn aan de maand mei en op de toeslag van eiser in mindering zijn gebracht.

13. Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde ter zitting aangegeven dat met betrekking tot incidentele uitkeringen ook buiten de gevallen als bedoeld in de beleidsregel sprake kan zijn van een kennelijk onredelijk resultaat. In het onderhavige geval is verweerder echter van mening dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat.

14. De rechtbank is van oordeel dat de uitleg van het wettelijke begrip "kennelijk onredelijk resultaat" als opgenomen in het Inkomensbesluit een taak is die de rechter zonder terughoudendheid kan uitoefenen. De rechtbank overweegt dat in de Nota van toelichting bij het Inkomensbesluit weinig invulling wordt gegeven aan het begrip, zodat per geval bekeken dient te worden of er sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat voor de betrokkene. Dat het resultaat kennelijk onredelijk moet zijn, impliceert dat het niet op de weg van verweerder ligt om uit eigen beweging onderzoek naar de specifieke feiten en omstandigheden van het geval te doen, maar dat het veeleer op de weg van de uitkeringsgerechtigde ligt om aannemelijk te maken dat zich feiten en omstandigheden voordoen die het resultaat onredelijk maken. Het kennelijkheidsvereiste impliceert bovendien dat daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk mag zijn.

15. Uit hetgeen onder 12 en 13 is overwogen volgt dat verweerder door bij zijn besluitvorming uitsluitend te toetsten aan de beleidsregel een te beperkte maatstaf heeft gehanteerd. Het bestreden besluit komt dan ook wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering voor vernietiging in aanmerking. In de door partijen in beroep ingenomen standpunten en aangeleverde informatie, ziet de rechtbank echter aanleiding om te beoordelen of er reden is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

16. In het licht van het onder 13 omschreven toetsingskader oordeelt de rechtbank als volgt over het betoog van eiser dat door een niet aan hem toe te rekenen fout van het Pensioenfonds de afkoopsom al is uitbetaald voordat zijn echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De rechtbank overweegt dat de pensioengerechtigde leeftijd ingevolge artikel 1, eerste lid, onder h, j° artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 2013 is vastgesteld op 65 jaar en één maand. Deze bepaling heeft betrekking op de datum waarop het AOW-pensioen ingaat en regelt niet de ingangsdatum van een pensioenuitkering in het kader van deelname aan een bedrijfspensioenfonds, zoals het Pensioenfonds. De ingangsdatum van een pensioenuitkering in het kader van deelname aan een bedrijfspensioenfonds is afhankelijk van hetgeen met de betreffende deelnemer bij aanvang van de deelname is overeengekomen. Uit de "Toelichting afkoop ouderdomspensioen 2013", gevoegd bij de brief van het Pensioenfonds van 8 april 2013, blijkt dat de pensioendatum in het geval van eisers echtgenote is gesteld op de eerste kalenderdag van de maand waarin de (gewezen) deelnemer 65 jaar wordt. Naar eiser stelt is de afkoopsom op 29 april 2013 aan zijn echtgenote uitbetaald, derhalve rond de eerste dag van de maand waarin de echtgenote van eiser 65 jaar werd (mei 2013). Dit is in overeenstemming met wat eiser en zijn echtgenote op grond van de toelichting van het Pensioenfonds konden verwachten. Gesteld noch gebleken is dat eisers echtgenote bij aanvang van deelname aan het Pensioenfonds een andere pensioneringsdatum is overeengekomen dan de eerste kalenderdag van de maand waarin zij de 65-jarige leeftijd zou bereiken. Daarbij komt dat eiser naar het oordeel van de rechtbank had kunnen voorzien dat een incidentele uitkering vóór de pensioengerechtigde leeftijd van zijn echtgenote als inkomen zou worden aangemerkt en mogelijk gevolgen zou kunnen hebben voor zijn partnertoeslag. Eiser en zijn echtgenote hadden het Pensioenfonds tijdig kunnen verzoeken de afkoopsom pas uit te betalen op het moment dat eisers echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Nu zij dat – althans voorafgaand aan de uitbetaling op 29 april 2013 – hebben nagelaten, komen de gevolgen daarvan voor rekening en risico van eiser.

17. Over het betoog van eiser dat zijn echtgenote er niet voor heeft kunnen kiezen om het pensioen niet af te kopen, heeft verweerder naar voren gebracht dat eisers echtgenote bezwaar had kunnen maken tegen het afkopen van haar pensioenrechten door het Pensioenfonds. Indien zij dat gedaan had, zou het Pensioenfonds – gelet op het overgangsrecht bij de invoering van de nieuwe Pensioenwet in 2007 – haar bezwaar hebben moeten honoreren en zijn overgegaan tot periodieke uitbetaling. Nu de echtgenote van eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het afkopen van haar pensioenaanspraken, kan het in mindering brengen van de afkoopsom op de partnertoeslag van mei 2013 volgens verweerder niet tot een kennelijk onredelijk resultaat leiden.

18. De rechtbank stelt vast dat, voor zover in deze zaak van belang, de pensioenuitvoerder ingevolge artikel 66, eerste lid van de Pensioenwet het recht heeft om een zogenoemd "klein pensioen" af te kopen. Ingevolge het Inkomensbesluit van 18 december 2006 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van de Pensioenwet en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet is deze bepaling in werking getreden op 1 januari 2007. Een pensioen wordt als klein aangemerkt, als de uitkering op de pensioendatum minder is dan (in 2013) € 451,22 bruto per jaar. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet verliest de pensioenuitvoerder het recht een klein ouderdomspensioen af te kopen, indien de gewezen deelnemer of gepensioneerde daartegen bezwaar maakt. De pensioenaanspraken van de echtgenote van eiser bij het Pensioenfonds voldoen aan voornoemde bepalingen, nu zij recht had op een jaarlijkse uitkering van (€ 77,59 ouderdomspensioen op jaarbasis + € 54,31 partnerpensioen op jaarbasis =) € 131,90 bruto en eiser ter terechtzitting heeft verklaard dat deelneming door zijn echtgenote aan het Pensioenfonds was beëindigd vóór 1 januari 2007. Uit voornoemde bepalingen volgt dat eisers echtgenote bezwaar had kunnen maken tegen afkoop van haar pensioenaanspraken, waarna het Pensioenfonds had moeten afzien van afkoop en had moeten overgaan tot periodieke uitkering. Zij heeft dit echter nagelaten.

19. De rechtbank overweegt dat het Pensioenfonds in zijn brief van 8 april 2013 aan eisers echtgenote meedeelt dat haar pensioenaanspraken worden afgekocht en daarin geen melding maakt van de mogelijkheid van een keuze tussen afkoop en periodieke uitkering. In de brief van 8 april 2013 wordt gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de toekenning van het ouderdomspensioen, maar niet met zoveel woorden op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de afkoop van de pensioenaanspraken. Ook uit de bij de brief gevoegde toelichting blijkt niet dat er bezwaar gemaakt kan worden tegen de afkoop van de pensioenaanspraken. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank voorstelbaar dat eiser en zijn echtgenote meenden geen keuze te hebben en het hun niet duidelijk was dat eisers echtgenote bezwaar kon maken tegen afkoop van de pensioenaanspraken. Dat neemt echter niet weg dat zij om verduidelijking op dit punt hadden kunnen vragen, met name nu zij wel in algemene zin gewezen waren op de mogelijkheid bezwaar te maken en eiser had kunnen voorzien dat een afkoopsom in plaats van een periodieke uitkering gevolgen zou kunnen hebben voor de partnertoeslag. Dat eisers echtgenote geen bezwaar heeft gemaakt, is derhalve deels te verklaren door ontoereikende voorlichting van het Pensioenfonds, maar deels ook aan eiser zelf toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve twijfel mogelijk over de vraag of er sprake is van een onredelijke uitkomst en is dus geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat. In die conclusie is reden gelegen om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

20. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van R. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2014.

w.g. R. Timmers,

griffier

w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 oktober 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.