Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8581

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De derde-partij heeft bij verweerder een verzoek ingediend op grond van artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur. Gevraagd is om openbaarmaking van – kort gezegd – de processtukken van de gerechtelijke procedures met betrekking tot de last onder bestuursdwang verband houdend met de verzakking van winkelcentrum “’t Loon” te Heerlen. Dit verzoek is bij het bestreden besluit ingewilligd. Naar voorlopig oordeel is niet te verwachten dat in de beslissing op bezwaar of in een uiteindelijke beroepszaak op basis van beoordeling van het wettelijke kader moet worden geconcludeerd dat er beletselen waren om tot openbaarmaking van de gevraagde stukken over te gaan. Het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar is daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/2387

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Q-park 't Loon B.V., te Maastricht, verzoekster

(gemachtigde: mr. H.B.G. Aarninkhof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Bartels-Grootjans).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: NautaDutilh N.V., te Rotterdam

(gemachtigden: mr. P.R. van der Vorst en mr. J. Lautenbach).

Procesverloop

Op 29 april 2014 heeft de derde-partij bij verweerder een verzoek ingediend op grond van artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bij besluit van 15 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten het verzoek van de derde-partij te honoreren.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft daarop bij brief van 8 augustus 2014 aangegeven eerst tot openbaarmaking over te gaan na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Verweerder heeft op 12 augustus 2014 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Voor zover het daarbij gaat om de stukken die verzoekster niet geopenbaard wil zien, heeft verweerder de stukken overgelegd onder toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 27 augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat beperkte kennisname van de ingezonden stukken, die het onderliggende geschil over de toepassing van de Wob vormen, gerechtvaardigd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2014. Namens verzoekster zijn verschenen [naam mevrouw X], gemachtigde mr. H.B.G. Aarninkhof en

mr. I. van Marsbergen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. De derde-partij heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.

De voorzieningenrechter concludeert dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en deze rechtbank bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

4.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond. Er kan niet reeds op voorhand gezegd worden dat verzoekster zonder enig nadeel de beslissing op het door haar ingediende bezwaar kan afwachten. De voorzieningenrechter ziet geen beletsel verzoekster te ontvangen in haar verzoek.

5.

Op 29 april 2014 heeft de derde-partij bij verweerder een verzoek ingediend op grond van artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Gevraagd is om openbaarmaking van – kort gezegd – de processtukken van de gerechtelijke procedures met betrekking tot de last onder bestuursdwang verband houdend met de verzakking van winkelcentrum “’t Loon” te Heerlen. Op 19 mei 2014 heeft verweerder meegedeeld voornemens te zijn de gevraagde documenten openbaar te maken. Tegen dit voornemen heeft verzoekster op 10 juni 2014 haar zienswijze kenbaar gemaakt. Bij besluit van 15 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten het verzoek van de derde-partij onverkort te honoreren. Verzoekster heeft op 4 augustus 2014 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hangende het bezwaar heeft verzoekster bij de voorzieningenrechter om schorsing van het primaire besluit gevraagd.

6.

Mede onder verwijzing naar haar zienswijze heeft verzoekster ter onderbouwing van haar verzoek het volgende naar voren gebracht. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Wob-verzoek betrekking heeft op processtukken van de bestuursrechtelijke procedures die zijn gevoerd bij de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van het eerder genoemde besluit tot oplegging van de last onder bestuursdwang wegens verzakking van een deel van het winkelcentrum “’t Loon” te Heerlen. Op processtukken is volgens verzoekster de Wob echter niet van toepassing. Voor zover de Wob wel geacht wordt van toepassing te zijn, kan de gevraagde informatie volgens verzoekster niet bekend worden gemaakt, omdat de derde-partij geen belang heeft bij kennisneming van de stukken en ook geen belanghebbende is geweest bij de procedures waarop de stukken betrekking hebben. Voorts is volgens verzoekster geen sprake van een bestuurlijke aangelegenheid waardoor ook om die reden een bevoegdheid noch een verplichting bestaat het Wob-verzoek te honoreren. Voor zover gezegd moet worden dat het Wob-verzoek wel betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid, staan volgens verzoekster de in de Wob opgenomen uitzonderingsgronden als neergelegd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, en artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wob, aan openbaarmaking in de weg.

7.

De voorzieningenrechter oordeelt allereerst over de gronden die in de kern worden aangevoerd als volgt.

8.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010BK9881) en 18 februari 2004, LJN: AO3890 overweegt de voorzieningenrechter dat vaste jurisprudentie is dat in artikel 365 van het Wetboek van Strafvordering, evenals in artikel 28 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WRv), een bijzondere en uitputtende openbaarmakingsregeling is vervat, die derogeert aan de Wob. Het bestuursrecht ken een dergelijke bepaling in een lex specialis evenwel niet. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verzoekster te volgen in haar betoog dat de bedoelde artikelen, met name artikel 28 van het WRv, analoge toepassing verdienen in het bestuursrecht, meer specifiek met betrekking tot andere tot het procesdossier behorende stukken dan de bestuursrechtelijke uitspraak. De voorzieningenrechter acht derhalve de Wob van toepassing op gevraagde stukken.

9.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar artikel 3, derde lid, van de Wob dat de derde-partij bij zijn verzoek geen belang heeft hoeven stellen. Het recht om een Wob-verzoek in te dienen is derhalve niet beperkt tot belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Dat de derde-partij geen belanghebbende partij is geweest in de betreffende bestuursrechtelijke procedures, kan naar dezerzijds oordeel dan ook geen reden vormen om het Wob-verzoek af te wijzen.

10.

Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoekster in haar betoog dat geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering daarvan.

Uit de parlementaire geschiedenis en vaste jurisprudentie blijkt dat de term bestuurlijke aangelegenheid ruim moet worden opgevat. De term heeft betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Zo ook het optreden van verweerder in een beroepsprocedure bij de rechtbank en een hoger beroepscollege waar het gaat om de vraag of een last onder bestuursdwang terecht is opgelegd.

11.

Namens verzoekster is voorts naar voren gebracht dat de vrees bestaat voor imagoschade en financiële schade. Ter zitting heeft verzoekster dienaangaande naar voren gebracht dat zij nog is verwikkeld in een civiele (verzekerings)procedure die zij in eerste aanleg heeft verloren. Daarom wil zij niet dat hetgeen in de crisistijd ten tijde van de verzakking van het winkelcentrum en parkeergarage ‘in het heetst van de strijd’ is besproken thans in de openbaarheid komt. De stukken hebben verder een overwegend formeel juridisch karakter en zijn niet voor iedereen te begrijpen. Verzoekster is bang dat op basis van die stukken verkeerde conclusies worden getrokken en dat verzoekster daardoor in een negatief daglicht zal komen te staan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit standpunt onvoldoende is geconcretiseerd om te kunnen oordelen dat om die reden (een deel van) de door verzoekster beoogde stukken niet in de openbaarheid mogen worden gebracht. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter tevens dat het veeleer op de weg van verzoekster had gelegen om reeds in de betreffende beroepsprocedures bij de rechtbank Limburg en de hoger beroepsprocedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om geheimhouding op de voet van artikel 8:29 Awb te doen. Het argument van verzoekster dat destijds geen beroep op geheimhouding is gedaan omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de Wob niet van toepassing was, snijdt hierbij geen hout. Het argument dat verzoekster advocaatkosten heeft gemaakt in de betreffende procedures en dat zij niet wil dat anderen kosteloos meeliften in eventuele toekomstige procedures acht de voorzieningenrechter, voor zover dit al een rechtens te beschermen belang betreft, niet onderbouwd en kan derhalve ook geen doel treffen.

12.

Naast en in aanvulling op wat hierboven reeds is geoordeeld, zal de voorzieningenrechter meer specifiek per door verweerder aan de rechtbank toegezonden ordner een oordeel over geven of zich een uitzonderingsgrond als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Wob voordoet.

13.

In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob is bepaald dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

14.

Artikel 11, eerste lid, van de Wob luidt als volgt:

In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern

beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke

beleidsopvattingen.

15.

Artikel 11, tweede lid, van de Wob luidt als volgt:

Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische

bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien

degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft

ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

16.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het ‘Logboek calamiteit parkeergarage ‘t Loon’ en het rapport van TNO van 1 november 2012 (incl. bijlagen) reeds in de openbaarheid zijn gebracht, zodat de publieke toegankelijkheid van de hierin neergelegde informatie reeds (een) gegeven is. Omtrent de overige aanwezige stukken oordeelt de voorzieningenrechter als volgt:

  • -

    Ordner (bestand) 1 t/m 3: het betreft hier processtukken (incl. bijlagen) aangaande de rechtbankprocedures (12/1481, 12/1482, 12/1483, 12/1484 en 12/1485) en de procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201309945/1/A1 en 201309933/1/A1). De voorzieningenrechter ziet in het licht van de genoemde artikelen 10 en 11 van de Wob geen beletselen om deze stukken openbaar te maken. Daarbij laat de voorzieningenrechter mede wegen dat de zaken in de hiervoor genoemde procedures, waarover inmiddels onherroepelijk is geoordeeld, destijds een openbare behandeling ter zitting hebben gehad waarin niet om geheimhouding op de voet van artikel 8:29 Awb is verzocht.

  • -

    Ordner (bestand) 4: hiervoor geldt hetzelfde als onder (bestand) 1 t/m 3 is vermeld. Er zijn geen beletselen om deze processtukken (incl. bijlagen) openbaar te maken. Het zich in deze order bevindende TNO-rapport is reeds eerder openbaar gemaakt.

  • -

    Ordner (bestand) 5: De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar wat onder de eerste 2 aandachtsstreepjes is opgemerkt. Ook voor wat betreft de stukken in deze ordner is er geen beletsel om de stukken openbaar te maken.

  • -

    Ordner (bestand) 6: hierin zijn hoofdzakelijk een aantal technische rapporten neergelegd omtrent (de toestand/staat van) winkelcentrum ‘t Loon. Het totaal van de stukken in deze ordner leidt eveneens tot het oordeel dat er geen beletselen bestaan om deze stukken openbaar te maken.

17.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat naar voorlopig oordeel niet is te verwachten dat in de beslissing op bezwaar of in een uiteindelijke beroepszaak op basis van beoordeling van het wettelijke kader moet worden geconcludeerd dat er beletselen waren om tot openbaarmaking van de gevraagde stukken over te gaan. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

18.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 oktober 2014.

w.g. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. E.J. Govaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 oktober 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.