Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8537

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
C/03/182985 / FA RK 13-1672
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning rechtsgeldigheid van in 1992 in buitenland (Tsjechië) verrichte erkenning van een ongeboren vrucht. Temporeel toepassingsgebied (“WCA”). Beoordeling aan de hand van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de WCA, zijnde de destijds geldende ongeschreven regels van Nederlands internationaal privaatrecht. De door de man gedane erkenning kan in Nederland als rechtsgeldig worden erkend, tenzij dat in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde. Omdat de man ten tijde van de erkenning reeds was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder dient onderzocht te worden of de bescherming van het gezin van de man dient te wijken voor het belang van het kind.

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht afstamming
Wet conflictenrecht afstamming 11
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2014/4712
JPF 2015/53 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
PFR-Updates.nl 2014-0297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 7 oktober 2014

Zaaknummer: C/03/182985 / FA RK 13-1672

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:


[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: [verzoeker],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L.S.Th.H. Ruijters, kantoorhoudende te Eindhoven.

In deze procedure zijn als belanghebbenden aangemerkt:

- [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de man,

- [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de moeder.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het op 1 augustus 2013 door [verzoeker] ingediende verzoekschrift;

  • -

    de op 11 september 2013 ingekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, waarin deze heeft aangegeven geen belanghebbende te zijn ten aanzien van het voorliggende verzoek ter zake de erkenning. Bovendien heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage daarin aangegeven dat bij de door [verzoeker] overgelegde stukken een verklaring is gevoegd welke gezien kan worden als erkenning ongeboren vrucht, opgemaakt voor het tijdstip van geboorte. Volgens dit stuk zou genoemde verklaring zijn aangetekend op de daarbij behorende geboorteakte. Deze akte is door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage niet als zodanig aangetroffen, maar volgens hem wel van belang. Uit de overgelegde stukken valt niet op te maken op welk moment de afstamming van [verzoeker] tot de man heeft plaatsgevonden;

  • -

    de op 24 september 2013 ingekomen brief, met bijlagen, van [verzoeker].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [verzoeker] en de man. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Nadat [verzoeker] en de man hun respectieve standpunten hadden uiteengezet, is de behandeling van de zaak aangehouden, in afwachting van een reactie van belanghebbenden op het standpunt van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage aangaande het ontbreken van een aantekening op de geboorteakte waaruit valt op te maken op welk moment de afstamming van [verzoeker] tot de man heeft plaatsgevonden.

Na de zitting heeft de rechtbank nog kennisgenomen van:

  • -

    de op 21 maart 2014 ingekomen brief, met bijlagen, van [verzoeker];

  • -

    de op 30 april 2014 ingekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, waarin deze heeft meegedeeld dat uit de door [verzoeker] in het geding gebrachte stukken van de ambtenaar van de burgerlijke stand te [geboorteplaats] blijkt dat [verzoeker] in overeenstemming met het Tsjechische recht als ongeboren vrucht door de man is erkend waardoor hij direct door de geboorte in familierechtelijke betrekking tot de man is komen te staan.

2 De feiten

Uit de moeder is op[1993] te [geboorteplaats], Tsjechië, [verzoeker] geboren. Op [1977] is de man gehuwd met [X]. [verzoeker] en de moeder hebben de Tsjechische nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt voor recht te verklaren dat:

I. aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat dan wel heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen en/of dat tussen hem en de man een nauwe persoonlijke betrekking bestaat;

II. de door de man op [1992] in Tsjechië gedane erkenning van [verzoeker] als zijn kind rechtsgeldig is geschied;

III. hij de Nederlandse nationaliteit heeft.


[verzoeker] heeft onder meer aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij is geboren uit de affectieve relatie tussen de moeder en de man. Ten tijde van de geboorte van [verzoeker] was de man gehuwd met [X]. [verzoeker] is als ongeboren vrucht op

[1992] in Tsjechië rechtsgeldig door de man als zijn kind erkend. Nu er een band tussen de man en de moeder bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen en/of dat tussen de man en [verzoeker] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, is de erkenning van [verzoeker] door de man op grond van artikel 1:204, lid 1 onder e, van het Burgerlijk Wetboek niet nietig.

3.2.

De man heeft ter zitting verklaard dat hij het verzoek van [verzoeker] ondersteunt.

4 De beoordeling

4.1.

Rechtsmacht

Aangezien deze zaak een internationaal karakter draagt ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag geplaatst of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ter zake de voorliggende verzoeken. Nu [verzoeker] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de

Nederlandse rechter, gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), rechtsmacht toe.

4.2.

De verzoeken betreffende de erkenning

4.2.1

De relatieve bevoegdheid

Ingevolge artikel 262 Rv is deze rechtbank relatief bevoegd van de verzoeken kennis te nemen.

4.2.2.

Het toepasselijke recht

Op 1 mei 2003 is de Wet Conflictenrecht Afstamming (hierna: WCA) in werking getreden. In artikel 11 van de WCA is bepaald dat de WCA van toepassing is op rechtsbetrekkingen die na haar inwerkingtreding worden vastgesteld of gewijzigd alsmede op de erkenning van na haar inwerkingtreding buitenslands vastgestelde of gewijzigde rechtsbetrekkingen. Gelet op het temporele toepassingsgebied van de WCA, dient het verzoek van [verzoeker], dat erop gericht is dat de in Tsjechië gedane erkenning door de man van [verzoeker] als zijn kind in Nederland van rechtswege wordt erkend, beoordeeld te worden aan de hand van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de WCA. Naar de destijds geldende ongeschreven regels van Nederlands internationaal privaatrecht dient de erkenning in Nederland van een in het buitenland vastgestelde afstammingsbetrekking beoordeeld te worden met toepassing van het nationale recht van de man. Nu de man de Nederlandse nationaliteit bezit, betekent dat dat het Nederlandse recht van toepassing is.

4.2.3.

De rechtbank dient in dat verband allereerst te beoordelen of de door de man op
[1992] in Tsjechië gedane erkenning van [verzoeker] als zijn kind naar Tsjechisch recht rechtsgeldig tot stand is gekomen. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Zij overweegt daartoe als volgt. [verzoeker] heeft zijn geboorteakte, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand te [geboorteplaats], in het geding gebracht en op die geboorteakte staat de man als de vader van [verzoeker] vermeld. Hiernaast heeft [verzoeker] een gewaarmerkte verklaring, eveneens opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand te [geboorteplaats], in het geding gebracht, waarin wordt bevestigd dat de geboorte van [verzoeker] in het register van geboorten van het Stadsdeel [geboorteplaats] is opgenomen en dat de man daarin als vader van [verzoeker] is vermeld en de moeder als moeder van [verzoeker]. Daarnaast is in die verklaring vermeld dat in de rubriek “aantekeningen en wijzigingen”, die naar de rechtbank aanneemt onderdeel is van het register van geboorten, is aangetekend: “Beide ouders erkennen hun ouderschap van het hierboven genoemde kind, ten overstaan van het Stadsdeel van [geboorteplaats] 7, op [1992]. De achternaam van het kind is “[achternaam].” Deze aantekening is ingeschreven op 1 februari 1993 door de ambtenaar mevr. Špálová.”. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat het vaderschap van de man door een overeenstemmende verklaring van de man en de moeder, zijnde de ouders, afgelegd op [1992] ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand te [geboorteplaats], is vastgesteld en na de geboorte van [verzoeker] is ingeschreven in het register van geboorten te [geboorteplaats]. Gelet hierop en gelet op de in Tsjechië in de Familiewet van 4 december 1963 neergelegde bepalingen ter zake de vaststelling van het vaderschap, komt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtshandeling waarbij de familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker] en de man is vastgesteld, is neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. Aldus stelt de rechtbank vast dat de erkenning door de man van [verzoeker] als zijn kind naar Tsjechisch recht rechtsgeldig is tot stand gekomen.

4.2.4.

De door de man gedane erkenning van [verzoeker] kan mitsdien in Nederland als rechtsgeldig worden erkend, tenzij dat kennelijk in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde. Op het moment van de erkenning van [verzoeker] in 1992 bestond een absoluut verbod op erkenning van een buiten het bestaande huwelijk van de Nederlandse man geboren kind. Het belang van het huwelijk van de man en zijn echtgenote bestond hierin dat het huwelijk, nadat al de schok van de buitenechtelijke geboorte is doorstaan, te zeer op de proef zou worden gesteld door een openlijke erkenning, waardoor het kind (volgens de toen geldende wet) de naam van de vader zou krijgen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1689 (NJ 1990, 450) geoordeeld dat het absoluut verbod op erkenning tijdens het huwelijk een inmenging betekende in het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op ‘family life’, waarbij de Hoge Raad verwees naar de uitspraak van het EHRM van 21 juni 1988, ECLI:NL:XX:1988:AD0368 (NJ 1988, 746) waarin is geoordeeld dat een dergelijke inmenging slechts nodig is indien zij beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte en, in het bijzonder, evenredig is aan het legitieme doel dat ermee wordt nagestreefd.

Omdat vaststaat dat de man ten tijde van de erkenning van [verzoeker] reeds was getrouwd met [X], dient de rechtbank te onderzoeken of in onderhavig geval de bescherming van het gezin van de man dient te wijken voor het belang van [verzoeker].

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en de verklaringen ter zitting voldoende concrete omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit blijkt dat tussen de man en de moeder een band bestond die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen. De rechtbank weegt daarbij mee dat:

- de man en de moeder, ten tijde van de erkenning en ook daarna, een affectieve relatie hadden;

- de man vanaf 1985 de helft van de tijd in Tsjechië verbleef;

- wanneer de man in Tsjechië was, hij in gezinsverband samenwoonde met de moeder.

Gelet daarop, en omdat de rechtbank niet is gebleken dat de erkenningen door de man van de ongeboren vrucht heeft plaatsgevonden om de regelgeving met betrekking tot de interlandelijke adoptie te omzeilen, is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat de erkenning in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Onder die omstandigheden dient het belang van de bescherming van het gezin van de man te wijken voor het belang van [verzoeker].

4.2.5.

De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht aangaande de door de man op

[1992] in Tsjechië gedane erkenning en de door hem verzochte verklaring voor recht dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestond die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen liggen daarmee voor toewijzing gereed.

4.2.6.

Over het verzoek van [verzoeker], om voor recht te verklaren dat tussen hem en de man een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, overweegt de rechtbank het volgende.

Voor het zich voordoen van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind is het tijdstip waarop de erkenning is gedaan beslissend (HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7114, NJ 2001/76), zodat [verzoeker] alleen al daarom geen belang heeft bij zijn verzoek om voor recht te verklaren een nauwe persoonlijke betrekking aanwezig is. Voor zover het verzoek van [verzoeker] aldus gelezen zou moeten worden dat ten tijde van de erkenning van de ongeboren vrucht sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om dit aannemelijk te maken. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

4.3.

Het verzoek betreffende de nationaliteit

Ten slotte dient het verzoek om voor recht te verklaren dat [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit heeft te worden beoordeeld. Op dat verzoek is het Nederlandse recht van toepassing. Onder aanvulling van de rechtsgronden stelt de rechtbank vast dat het verzoek is gestoeld op artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dat artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat een ieder die daarbij een onmiddellijk belang heeft, bij de rechtbank Den Haag een verzoek kan indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap. Gelet daarop is alleen de rechtbank Den Haag (relatief) bevoegd kennis te nemen van het verzoek. De rechtbank Limburg zal zich derhalve, gelet op artikel 270 Rv, onbevoegd verklaren en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de rechtbank Den Haag.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat:

a. aannemelijk is dat tussen [belanghebbende], geboren te [geboorteplaats] op [1952] en [belanghebbende], geboren op [1960] te [geboorteplaats], Tsjechië, een band heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen;

b. de erkenning op [1992] in Tsjechië door [belanghebbende], geboren te [geboorteplaats] op [1952], van [verzoeker], geboren te [geboorteplaats], Tsjechië, op[1993], als zijn kind, rechtsgeldig is geschied;

wijst af het verzoek om voor recht te verklaren dat tussen [verzoeker] en [belanghebbende] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat;

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voor recht te verklaren dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezit en verwijst de zaak te dien aanzien in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Geerits, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. J.A.J. Rings-Martens.

Tegen deze beschikking kan, voor zover daartegen hoger beroep openstaat, uitsluitend door tussenkomst van een advocaat, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof
's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.