Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8536

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-09-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
C/03/186659 / FA RK 13-2810
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ondanks de constatering van de rechtbank dat het mogelijk zou moeten zijn dat partijen alsnog een (deel-)ouderschapsplan opstellen, wordt de echtscheiding toch op voorhand uitgesproken in deze bijzondere situatie dat de vrouw zwanger is van haar nieuwe partner en waarschijnlijk binnen korte tijd zal bevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0285
EB 2015/7

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 29 september 2014

Zaaknummer: C/03/186659 / FA RK 13-2810

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.J.E. Verschuren, gevestigd te Echt, gemeente Echt-Susteren,

en:

[verweerder],

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. R.R.J.W. Delsing, gevestigd te Kerkrade.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op 16 april 2014 uitgesproken tussenbeschikking.

1 Verder verloop van de procedure

De vrouw heeft op 18 april 2014 een akte uitlating genomen.

De raad voor de kinderbescherming, verder te noemen: de raad, heeft op 23 juni 2014 een rapport uitgebracht.

De vrouw heeft nog gereageerd bij brief van 7 juli 2014.

De man heeft nog gereageerd bij brief van 5 augustus 2014.

De vrouw heeft daarna nog gereageerd bij gedateerde faxberichten van 30 juli 2014 en

16 september 2014, welke faxberichten mede voor akkoord zijn ondertekend door (de advocaat van) de man.

2 Verdere beoordeling

2.1

De rechtbank stelt voorop dat de raad in het hiervoor genoemde rapport heeft geadviseerd om:

  • -

    het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen van partijen, [minderjarige] en [minderjarige], bij de vrouw te bepalen, en

  • -

    een verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij de kinderen in de even weekenden van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 bij de man verblijven, met inachtneming van het volgende:

 de man is dan gedurende de omgang zelf persoonlijk aanwezig;

 de vrouw brengt de kinderen naar de man en de man brengt ze terug naar de vrouw;

 overige omgangsmomenten worden door de gezinsvoogd bepaald en afwijkingen worden via de gezinsvoogd gecommuniceerd (ten aanzien van de kinderen is vanaf 28 februari 2014 een ondertoezichtstelling uitgesproken).

2.2

Partijen hebben in het hiervoor genoemde faxbericht van 30 juli 2014 verzocht om de echtscheiding tussen hen reeds uit te spreken en iedere beslissing betreffende de aangelegenheden rondom de minderjarige kinderen van partijen aan te houden. De reden die hiervoor wordt aangegeven is – kort gezegd – het feit dat de vrouw reeds ruim 20 weken zwanger is van haar huidige partner. Indien partijen de onderhavige procedure zouden afwachten, zou de man juridisch vader worden van dit kind, met alle gevolgen van dien.


2.3 De rechtbank heeft partijen vervolgens gewezen op overweging 2.3.5 van de tussenbeschikking van 16 april 2014, waarin partijen is verzocht om ná het raadsrapport de rechtbank schriftelijk te informeren over een viertal punten, waaronder de vraag of een ouderschapsplan alsnog tot stand kan komen en hoeveel tijd daarvoor nodig wordt geacht. Aan het verstrekken van deze schriftelijke informatie hebben partijen middels hun summiere (hiervoor genoemde) reacties van 7 juli 2014 respectievelijk 5 augustus 2014 immer niet voldaan, zodat de rechtbank op grond daarvan niet heeft kunnen vaststellen of partijen al dan niet in staat zijn om een (deel-)ouderschapsplan op te stellen en de echtscheiding bij gebreke van een dergelijk plan in beginsel niet op voorhand kan worden uitgesproken. Partijen hebben vervolgens gereageerd bij het hiervoor genoemde faxbericht van 16 september 2014.

2.4

Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient, voor zover hier van belang, een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

2.5

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overgelegd. Zoals hiervoor is overwogen verkeerde de rechtbank in eerste instantie in het ongewisse over de vraag of partijen al dan niet – ná dagtekening van het raadsrapport – in staat zouden zijn om gezamenlijk een

(deel-)ouderschapsplan op te stellen. Meer informatie om deze vraag te kunnen beantwoorden hebben partijen verschaft bij faxbericht van 16 september 2014. Hierin hebben partijen, voor zover in dit kader van belang, vermeld:

“(…)De vrouw heeft reeds aangegeven te kunnen instemmen met het door de Raad afgegeven advies. De man kan daarmee in grote lijnen instemmen, doch hij is het niet eens met de feitelijke gang van zaken in het kader van de omgang. Als gevolg daarvan staan partijen lijnrecht tegenover elkaar en slagen zij er niet in een ouderschapsplan tot stand te brengen. Gelet op het voorgaande acht de man een mondelinge behandeling gewenst. De verzoeken zoals deze door de vrouw zijn ingediend blijven gehandhaafd.

Met inachtneming van het voorgaande verzoeken partijen uw rechtbank nogmaals de echtscheiding tussen partijen reeds uit te spreken en iedere beslissing betreffende aangelegenheden rondom de minderjarige kinderen van partijen aan te houden. Het lukt partijen immers niet overeenstemming te bereiken rondom alle aangelegenheden betreffende de minderjarige kinderen.(…)”

2.6

De rechtbank stelt op grond van deze informatie vast dat tussen partijen kennelijk niet (meer) in geschil is dat de kinderen na echtscheiding hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw. Over de voortduring van het gezamenlijk gezag na echtscheiding bestaat tussen partijen klaarblijkelijk ook overeenstemming, want geen der partijen heeft verzocht om dit gezag voortaan aan hem of haar alleen toe te kennen. Daarnaast kunnen beide partijen zich blijkbaar vinden in het advies van de raad betreffende de zorgregeling, maar is de man het niet eens ‘met de feitelijke gang van zaken in het kader van de omgang’. Enige onderbouwing van deze stelling is echter niet door de man gegeven. Verder is onduidelijk of partijen overeenstemming hebben over een (door de man) te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen (geen der partijen heeft hierom als nevenvoorziening verzocht) en is niet helder of partijen het erover eens zijn op welke manier zij elkaar voortaan zullen informeren en consulteren over aangelegenheden betreffende de kinderen.

2.7

Op grond van het voorgaande constateert de rechtbank dat partijen het over meerdere zaken, die dienen te worden afgesproken in een ouderschapsplan, met elkaar eens zijn. Het gezamenlijk opstellen van een deel-ouderschapsplan, waarin deze zaken in het belang van partijen én de kinderen worden geregeld, zou dan ook mogelijk moeten zijn. Partijen hebben echter niet toegelicht waarom zij daartoe niet zouden kunnen overgaan. In ieder geval strookt het voorgaande niet met de informatie van partijen dat het ‘niet lukt overeenstemming te bereiken rondom alle aangelegenheden betreffende de minderjarige kinderen’. Deze stelling is ook niet nader door partijen onderbouwd. Daarmee kan de rechtbank thans niet concluderen dat het voor de vrouw redelijkerwijs niet mogelijk is (geweest) een door beide partijen akkoord bevonden (deel-)ouderschapsplan over te leggen.

2.8

De rechtbank zal evenwel tóch, ondanks voorgaande overwegingen, reeds de echtscheiding tussen partijen uitspreken. In deze bijzondere situatie waarin de vrouw zwanger is van haar nieuwe partner en (blijkens het faxbericht van 16 september 2014) in november 2014 is uitgerekend (maar de mogelijkheid bestaat dat zij eerder zal bevallen), en een eventuele mondelinge behandeling met de insteek om van gedachten te wisselen over het ontbrekende ouderschapsplan niet spoedig kan worden gepland, komt de rechtbank met het reeds uitspreken van de echtscheiding toe aan de belangen van partijen. Door deze beslissing (en spoedige inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand) zal de man immers geen juridisch vader worden van het thans nog ongeboren kind en blijven partijen eventuele andere procedures in dit verband bespaard.

2.9

Het voorgaande laat onverlet dat partijen de rechtbank nog dienen te informeren over de vraag (1) of zij alsnog – in het belang van hun kinderen – een deel-ouderschapsplan kunnen opstellen en zo nee, gemotiveerd aan te geven waarom niet, en (2) dienen partijen gemotiveerd aan te geven op welke manier zij de procedure wensen voort te zetten. In dit verband dient in ieder geval nog de man te reageren op het gewijzigde verzoek van de vrouw inzake de verdeling, zoals gedaan bij akte uitlating van 18 april 2014, en dienen partijen (met name de man) te onderbouwen waarom zij nog een mondelinge behandeling op prijs stellen. De rechtbank overweegt op voorhand dat ‘de feitelijke gang van zaken in het kader van de omgang’ niet als een afdoende onderbouwing voor het laten plaatsvinden van een zitting kan worden beschouwd. Reeds nu merkt de rechtbank op dat zij niet gaat over de feitelijke invulling van de zorgregeling, maar dat dit aan partijen (met eventuele ondersteuning van de gezinsvoogd) is. Indien de rechtbank verstoken blijft van de hiervoor genoemde steekhoudende motivering van partijen, zal de zaak op de stukken worden afgedaan.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [2010] te [huwelijksplaats];

3.2.

houdt iedere verdere beslissing voor de duur van maximaal vier weken aan in afwachting van bericht van partijen over hetgeen hiervoor onder 2.9 is overwogen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2014 in tegenwoordigheid van mr. J.P.H. Welie, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.