Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8406

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
04/850164-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:2038, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Telastegelegd: gekwalificeerde doodslag, subsidiair moord en diefstallen, meer subsidiair: doodslag en diefstallen.

Bewezenverklaard: meer subsidiair.

De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dat sprake was van (consensuele) wurgseks. Toch voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Verdachte heeft verklaard dat hij bekend was met de aan wurgseks verbonden gevaren. Desondanks heeft hij zich in een situatie begeven, waarin het slachtoffer gedurende de seksuele handelingen niet alleen aan handen en voeten was vastgebonden, waardoor hij geen signaal kon geven op het moment dat hij in de problemen kwam, maar waarbij ook de zuurstoftoevoer van het slachtoffer werd bemoeilijkt door het afplakken van diens mond en het aantrekken van het om diens hals gebonden elektriciteitssnoer. Het slachtoffer verkeerde aldus in een zeer kwetsbare en potentieel levensgevaarlijke situatie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door onder deze omstandigheden de uit de bewijsmiddelen blijkende (gewelds-)handelingen met het slachtoffer te verrichten, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Het verweer dat sprake is van een ongeval wordt derhalve verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/850164-12

Datum uitspraak : 1 oktober 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 Roermond.

Raadsman is mr. R.W.P. Krijnen, advocaat te Heerlen.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 november 2013 en 17 september 2014.

De rechtbank heeft op 17 september 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat - na een vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging - terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Roermond opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- tegen het gezicht en/of de hals, althans, tegen het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt, althans, uitwendig inwerkend botsend mechanisch geweld toegepast op/tegen het gezicht en/of de hals, althans, tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- tape op/over de mond van die [slachtoffer] geplakt en/of

- een snoer om de hals van die [slachtoffer] gewikkeld en/of dat snoer (met kracht) aangetrokken en/of samendrukkend en/of omsnoerend en/of direct botsend geweld op hals en/of de mondbodem van die [slachtoffer] uitgeoefend,

Ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

althans indien ter zake het vorenstaande 1 geen veroordeling zou volgen:

A

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Roermond opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- tegen het gezicht en/of de hals, althans, tegen het lichaam van die [slachtoffer], geslagen en/of gestompt, althans, uitwendig inwerkend botsend mechanisch geweld toegepast op/tegen het gezicht en/of de hals, althans, tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- tape op/over de mond van die [slachtoffer] geplakt en/of

- een snoer om de hals van die [slachtoffer] gewikkeld en/of dat snoer (met kracht) aangetrokken en/of samendrukkend en/of omsnoerend en/of direct botsend geweld op hals en/of de mondbodem van die [slachtoffer] uitgeoefend,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

en/of

B)

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pinpas en/of een telefoon (merk: LG), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en/of

C)

hij in of omstreeks de periode van 25 mei 2012 tot en met 27 mei 2012 te Roermond en/of te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

althans indien ter zake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

A)

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Roermond opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet,

- tegen het gezicht en/of de hals, althans, tegen het lichaam van die [slachtoffer], geslagen en/of gestompt, althans, uitwendig inwerkend botsend mechanisch geweld toegepast op/tegen het gezicht en/of de hals, althans, tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- tape op/over de mond van die [slachtoffer] geplakt en/of

- een snoer om de hals van die [slachtoffer] gewikkeld en/of dat snoer (met kracht) aangetrokken en/of samendrukkend en/of omsnoerend en/of direct botsend geweld op hals en/of de mondbodem van die [slachtoffer] uitgeoefend,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

en/of

B)

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pinpas en/of een telefoon (merk: LG), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en/of

C)

hij in of omstreeks de periode van 25 mei 2012 tot en met 27 mei 2012 te Roermond en/of te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en dat het meer subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Daartoe heeft de officier van justitie – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van de ten laste gelegde doodslag is uit het onderzoek gebleken dat [slachtoffer] is verstikt en geslagen en/of gestompt en dientengevolge is overleden. Voorts zijn er dactyloscopische en DNA-sporen van verdachte aangetroffen op de voorwerpen die tot het intreden van de dood hebben geleid of daartoe hebben bijgedragen. Verdachte heeft een deels bekennende verklaring afgelegd die voor een deel in overeenstemming is met de resultaten van het technische onderzoek. Het technisch beeld wordt echter niet compleet verklaard binnen de feitenomschrijving van verdachte, met name met betrekking tot de mate van geweldsuitoefening en de kracht van het aantrekken van het snoer. Verdachtes verklaring dat de geweldshandelingen zijn verricht in het kader van een uit de hand gelopen seksspel is derhalve niet aannemelijk geworden. Echter, zelfs als wordt aangenomen dat het wel zo is gegaan als verdachte verklaart, dan heeft verdachte al deze handelingen verricht in die mate dat die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid. Het is die mate van geweld die tot de conclusie leidt dat als er geen sprake zou zijn geweest van zuivere opzet, er in ieder geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft ook zelf verklaard dat risico te hebben onderkend. Nu er daarnaast geen bewijs voorhanden is voor de voorbedachte raad, moet voor moord worden vrijgesproken en dient de doodslag te worden bewezenverklaard.

Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstallen, heeft verdachte de diefstal van de pinpas en de daarmee gepinde geldbedragen bekend. Voorts blijkt uit het dossier dat de mobiele LG telefoon toebehorende aan [slachtoffer] op 25 mei 2012 van eigenaar is verwisseld. De verklaring van verdachte dat dit met toestemming is gebeurd, is gelet op het belgedrag in combinatie met de oorspronkelijke simkaart, niet aannemelijk geworden, zodat ook deze diefstal kan worden bewezenverklaard.

Nu uit onderzoek niet is gebleken dat er een juridisch verband bestaat tussen de doodslag en de diefstallen, dient er ook vrijspraak te volgen van de primair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld - zoals vervat in de overgelegde pleitnota - dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde levensdelict, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs met betrekking tot de voorbedacht raad en van de opzet op het doden van het slachtoffer. De raadsman heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde diefstallen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het gezien de verklaringen van de ex-partners van verdachte met betrekking tot de aparte – en wellicht afwijkende – seksuele voorkeuren van verdachte, goed mogelijk is dat verdachte en het slachtoffer een seksspel hebben gespeeld, zoals verdachte heeft verklaard. Hetgeen verdachte vanaf 19 november 2013 heeft verklaard over de gebeurtenissen van 25 mei 2012, lijkt bovendien overeen te komen met de conclusies in de nadere rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut van 17 juli 2014 naar voren zijn gekomen. Het enkele feit dat slechts twee elementen uit de verklaring niet overeenkomen met het technisch bewijs doet niet af aan de geloofwaardigheid. Verdachte heeft ook verklaard dat het slachtoffer zelf wenste dat zij wurgseks zouden hebben en dus is er sprake van instemming van twee partijen, waarbij het slachtoffer zich ook bewust moet zijn geweest van de gevaren. Hoewel bij wurgseks misschien de grenzen wordt opgezocht, is het moeilijk voorstelbaar dat daarbij getracht wordt iemand bewust over de grens te krijgen. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt bovendien dat verdachte eerder in een soortgelijke situatie wel op tijd is gestopt. Tevens blijkt uit cijfers van het CBS dat er per jaar vijf tot twaalf gevallen bekend zijn waarbij iemand per ongeluk overlijdt tijdens wurgseks. De raadsman heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2013:2725), waarin een verdachte is vrijgesproken van de ten laste gelegde moord, doodslag en dood door schuld, aangezien zijn leugenachtige verklaringen en zijn handeling om sporen te wissen niet bewezen dat zijn opzet dus gericht moest zijn op de dood van het slachtoffer. De leugenachtige verklaringen zouden in die zaak namelijk ook kunnen passen bij het door verdachte tegen zijn moeder vertelde ongeluk-scenario. In onderhavige zaak is sprake van een vergelijkbaar scenario en dient ook geconcludeerd te worden tot vrijspraak, nu de opzet tot doodslag of voorbedachte rade al dan niet met het oogmerk om de diefstallen te voor te bereiden en/of makkelijk te maken en/of straffeloosheid en/of het bezit te verzekeren, niet kan worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen van de rechtbank

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen1, in onderlinge samenhang beschouwd.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Feitelijke gebeurtenissen

Op 25 mei 2012 omstreeks 21.58 komt er een 112-melding2 binnen bij de meldkamer van de politie van [getuige 2] inhoudende dat hij op de [adres 1] te Roermond zijn huisbaas vastgebonden had aangetroffen in de slaapkamer.

Verbalisanten [verbalisant 1]3 verklaart – zakelijk weergegeven – het volgende:

Op 25 mei 2012 ging ik omstreeks 21.58 naar de [adres 1] te Roermond. Ik betrad samen met enkele collega’s het pand. Ik liep naar boven en betrad de laatste kamer aan de linkerzijde van de gang. Ik zag een bed waar twee matrassen in lagen. Voor dit bed lag een man. Ik zag dat deze man op zijn linkerzijde tegen het voeteneinde van het bed op de grond lag. Hij lag met zijn hoofd op wit bed textiel. Ik zag dat de man geen kleren droeg. Ik zag dat rondom het hoofd van de man, bij de mond, tape zat. Deze tape zat volledig rondom het hoofd en over de bovenlip van de man. Ik zag dat onder de tape de onderlip van de man stak. In het rechteroor was een doorzichtige vloeistof zichtbaar en bij de mond zat een rode vloeistof. Ook zag ik dat op het witte textiel waar het hoofd lag, ter hoogte van de mond, een rode vloeistof zat. Rondom de nek van de man zat een oranje stroomkabel gewikkeld. Vervolgens zag ik dat de handen van de man op de rug gekneveld waren. Beide polsen waren omwikkeld met zwarte tape, waarover tie-wraps zaten. Hierdoor werden beide handen van de man op de rug bij elkaar gehouden. Vervolgens zag ik dat de beide benen van de man ook met zwarte tape gekneveld waren. Beide benen waren omwikkeld met zwarte tape en ter hoogte van de enkels zaten tie-wraps gewikkeld. Ik zag dat het lichaam van de man een bleke kleur had. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] tegen mij zei dat hij geen hartslag voelde bij de man. Gezien de uiterlijke kenmerken van de man concludeerde ik dat hij overleden was. Ik concludeerde dit, omdat ik geen ademhaling voelde, de man vermoedelijk lijkvlekken en lijkstijfheid vertoonde en collega [verbalisant 2] geen hartslag voelde.

Op 29 mei 2012 worden er foto’s van de aangetroffen man getoond aan getuige [getuige 3]4, waarbij [slachtoffer] wordt herkend.

Het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’5 wijst uit dat tijdens de op 28 mei 2012 verrichte uit- en inwendige schouwing op het lijk van [slachtoffer] het volgende is gebleken:

“Er waren als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend mechanisch botsend geweld onderhuidse bloeduitstortingen, onder andere in het gezicht. Ze kunnen zijn ontstaan door slaan/stompen. Er waren daarnaast als gevolg van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld en/of direct botsend geweld op de hals en de mondbodem bloeduitstortingen in de weke delen van de hals en de mondbodem. Het strottenhoofd toonde een breuk met begeleidende bloeduitstorting aan de voorzijde. Het overlijden kan worden verklaard als gevolg van verstikkingsverschijnselen door het geweld op de hals. Het is waarschijnlijk dat het bij leven opgelopen geweld op het gezicht tot slijmvlieszwellingen in de bovenste luchtwegen heeft geleid met daarbij verminderde doorgankelijkheid van de bovenste luchtwegen. Het geweld op het gezicht kan als gevolg van daardoor opgetreden bijkomende verstikkingsverschijnselen aan het overlijden hebben bijgedragen. Het overlijden van [slachtoffer] is te verklaren op grond van verstikkingsverschijnselen als gevolg van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend en/of direct botsend geweld op de hals.”

Uit onderzoek komt naar voren dat er op 25 mei 2012 omstreeks 18.14 uur van de rekening van het slachtoffer een bedrag van € 1250,- is gepind bij de pinautomaat in de hal van het Laurentiusziekenhuis te Roermond. Op de camerabeelden van deze pintransactie wordt verdachte herkend.6

Bij verder onderzoek naar de pintransacties van de rekening van het slachtoffer komt bovendien naar voren dat er in de periode van 25 mei 2012 tot en met 27 mei 2012 verschillende pintransacties hebben plaatsgevonden in Amsterdam tot de limiet van de rekening was bereikt.7

Voorts blijkt uit het telecommunicatieonderzoek8 dat [slachtoffer] vanaf 4 mei 2012 gebruik maakt van het telefoonnummer [XX-XXXXXXXX] in een toestel met het imeinummer [XXXXXXXXXXXXX]. Uit onderzoek blijkt dat hij tot 25 mei 2012 omstreeks 16.41 uur dagelijks herhaaldelijk telefonisch actief is. Daarna is er geen telefonische activiteit meer.

In de woning van het slachtoffer wordt een lege doos bestemd voor een LG-P970 Titanium Black met het bovengenoemde imeinummer [XXXXXXXXXXXXX] aangetroffen. Op 31 mei 2012 wordt bij de aanhouding van verdachte en getuige [getuige 1] in de woning gelegen aan de [adres 2] te Amsterdam een LG-P970 met hetzelfde imeinummer aangetroffen.9

Getuige [getuige 1] verklaart de betreffende LG telefoon op 25 mei 2012 van verdachte te hebben gekregen.10

Forensisch onderzoek

Er is technisch onderzoek uitgevoerd aan de bij het sporenonderzoek11 aan en rond het slachtoffer aangetroffen sporen. Uit deze onderzoeken komt – zakelijk weergegeven – onder andere het volgende naar voren:

Tape:

Met betrekking tot de stukken zwarte tape rondom het slachtoffer (AACC2657NL, AACC2661NL, AACC2674NL en AACC2688NL) en de aangetroffen rol zwarte tape aan het hoofd van het slachtoffer (AACC2677NL) is vergelijkend tape-onderzoek en soucheonderzoek uitgevoerd.

De verkregen resultaten bij het materiaal onderzoek van het vergelijkend tape-onderzoek zijn voor genoemde stukken waarschijnlijker wanneer de stukken tape rondom het slachtoffer afkomstig zijn van de genoemde rol tape aan het hoofd van het slachtoffer dan wanneer deze afkomstig zijn van één of meerdere willekeurige rollen zwarte tape.12

Voorts is er bij het soucheonderzoek een combinatie overeenkomsten waargenomen tussen de genoemde stukken tape rond het slachtoffer en de rol tape aan het hoofd van het slachtoffer, welke alleen verwacht worden wanneer de betreffende delen oorspronkelijk één geheel hebben gevormd. Bovendien wordt met betrekking tot de volgorde van het aanbrengen van de tape (schematisch) gerapporteerd dat er eerst tape is aangebracht om de enkels van het slachtoffer (AACC2661NL), toen aan de polsen (AACC2657NL), dan het

hoofd (AACC2674NL), vervolgens de mond (AACC2688NL) en tenslotte de rol tape om het hoofd is gedraaid en de rol is vast blijven zitten (AACC2677NL).13

Aan de kleefzijde van het stuk tape dat om de polsen van het slachtoffer (AACC2657NL) zat is een stukje latex handschoen aangetroffen. In de bemonstering van dit stukje latex (AACC2657NL#03) is celmateriaal aangetroffen waaruit een DNA mengprofiel is verkregen dat matcht met verdachte en waarbij het slachtoffer niet kan worden uitgesloten.14

Voorts is er op de rugzijde van de rol tape aan het hoofd van het slachtoffer een dactyloscopisch spoor (AACC2677NL#D01) aangetroffen15 dat overeenkomsten vertoont met de handpalm van verdachte16.

Snoer:

Op zowel het lange (AACC2675NL) als het korte (AACC2676NL) uiteinde van het elektrische snoer om de hals van het slachtoffer is celmateriaal aangetroffen waaruit DNA-mengprofielen zijn verkregen. Van het lange uitende is een DNA-mengproflel van twee personen verkregen dat matcht met slachtoffer en met verdachte. Van het korte uiteinde is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen dat matcht met het slachtoffer en waarbij verdachte niet kan worden uitgesloten.17

Tie-wraps:

Op de lange zijnde van de tie-wraps om de polsen van het slachtoffer is celmateriaal aangetroffen, waaruit een DNA-mengprofiel is verkregen dat matcht met het slachtoffer en waarbij verdachte niet kan worden uitgesloten.18

Verklaringen verdachte

Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ter terechtzitting van 19 november 2013 19 :

“Het begon op 25 mei 2012 met een massage die ik [voornaam slachtoffer] gaf. Hij vroeg mij vervolgens om ook andere dingen bij hem te doen in de zin van seksuele handelingen. [voornaam slachtoffer] vroeg mij hem vast te binden. Hij wilde dat zelf en hij had de tie-wraps ook al klaar gelegd. [voornaam slachtoffer] vroeg mij om hem vast te binden en ik heb dat vervolgens ook gedaan. [voornaam slachtoffer] vroeg mij ook om een stuk elektriciteitssnoer of touw om zijn nek te doen. [voornaam slachtoffer] vroeg mij vervolgens ook of ik het snoer licht wilde aantrekken zodat hij minder zuurstof zou krijgen. Het was een soort van wurgen. Ik heb dat ook gedaan. [voornaam slachtoffer] wilde ook dat ik hem zou vernederen, tenminste zo kwam het op mij over. Hij vroeg of ik hem licht wilde slaan op zijn rug en de zijkant van zijn hoofd. Op een gegeven moment bewoog hij niet meer. Hij was weggeglipt. Ik dacht dat hij buitenwesten was geraakt. Ik haalde de tape van zijn hoofd en ik zag dat er bloed uit zijn mond of neus liep. Ik was er heel erg van geschrokken en raakte in paniek. Ik moest weg en kon niet langer blijven. Ik wist het niet meer. Ik ben als een gek heel het huis afgegaan. Ik heb in ieder geval de kast opengebroken. In de kast lagen papieren en zijn portemonnee, die heb ik gepakt. Er zat onder andere zijn pinpas in. Er zat ook een briefje met de pincode in de portemonnee, zodoende wist ik ook de code. Ik was zo angstig en wilde zo snel mogelijk weg. Ik heb nog wel via internetbankieren gekeken hoeveel saldo [voornaam slachtoffer] nog op zijn rekening had. Vervolgens ben ik weggegaan.

Ik heb de tape en tie-wraps gebruikt om [voornaam slachtoffer] vast te binden. [voornaam slachtoffer] deed het snoer zelf om zijn nek. Ik heb daarna pas zijn handen vast gebonden. Ik heb eerst zijn voeten getaped, daarna deed hij het snoer om zijn nek en vervolgens heb ik zijn handen vastgemaakt met tape. De tie-wraps heb ik als laatste gedaan. [voornaam slachtoffer] deed het snoer om zijn nek en ik heb het daarna vastgepakt. [voornaam slachtoffer] wilde dat het snoer werd aangetrokken tijdens de penetratie. Bij het penetreren heb ik hem van achteren benaderd en het snoer ondertussen aangetrokken. Ik weet dat de normale reactie zou zijn geweest om alles meteen los te maken, maar ik was te erg geschrokken en ik was bang. Ik heb niet meer geprobeerd [voornaam slachtoffer] tot bewustzijn te brengen.

Ik begreep wel dat het gevaarlijk was waar wij mee bezig waren en dat het wellicht op enig moment niet goed zou kunnen gaan met hem.”

Ten overstaan van de rechter-commissaris op 31 januari 2014 20 :

“Wij hadden geen afspraken gemaakt over een teken om te stoppen. Ik weet dat wurgseks gevaarlijk is. Ik besefte dat wel een beetje. Toen deed ik de tape om het hoofd. Ik heb gepenetreerd en de snoer lag om zijn nek en daar trok ik aan. [voornaam slachtoffer] wilde dat ik de snoer aantrok en hem daarbij lichtjes sloeg. Dat heb ik ook gedaan. Ik merkte dat hij minder lucht kreeg. Hij werd wat roder. Zijn mond was dicht. Eigenlijk trok ik het snoer de hele tijd aan, gedurende de hele penetratie.”

Ter terechtzitting van 17 september 2014:

“Ik denk dat alle soorten verwurgingen op seksueel gebied gevaarlijk zijn. Het afplakken van de mond en het bemoeilijken van de ademhaling in het bijzonder. Het kan best zijn dat ik harder aan het snoer heb getrokken dan ik eerder heb verklaard. Ik heb [voornaam slachtoffer] op zijn verzoek geslagen en wellicht is ook dat harder is geweest dan licht slaan.

Ik raakte in paniek omdat [voornaam slachtoffer] niet meer bewoog en toen ben ik op zoek gegaan naar de portemonnee. Ik wilde zo snel mogelijk weg en daar had ik geld voor nodig.

Ik heb de LG telefoon van [voornaam slachtoffer] aan [getuige 1] gegeven.”

Nader forensisch onderzoek naar aanleiding van de verklaringen van verdachte

Naar aanleiding van de verklaringen van verdachte is nader onderzoek21 verricht, waaruit onder meer naar voren komt dat de bevindingen van het forensisch onderzoek strijdig zijn met twee elementen uit het scenario van verdachte. Dit betreft de volgende elementen:

‘Verdachte trok “zacht” of “licht” aan een elektriciteitssnoer dat om de hals/nek van het slachtoffer gewikkeld was.’

“Het slachtoffer had bij aantreffen een snoer om diens nek gewikkeld. Er was een bandvormige uitsparing in de huidverkleuringen en huidkneuzingen circulair om de hals doorlopend in de nek. De forensisch geneeskundige concludeert dat er, bij leven, heftig uitwendig (samendrukkend en/of omsnoerend en/of botsend) mechanisch geweld (veel kracht gedurende langere tijd) op de hals van het slachtoffer moet hebben plaatsgevonden. Dit past niet bij de verklaring van verdachte inzake “licht” of “zacht” aantrekken van het elektriciteitssnoer om de nek/hals van het slachtoffer.”

‘Verdachte sloeg het slachtoffer “licht” op diens rug en zijkant van het hoofd.’

“De forensisch arts concludeert dat vanwege de verspreiding van de letsels over het gelaat en aanwezigheid van meerdere locaties met letsel in de schedelhuid boven op het hoofd, moet sprake zijn geweest van meermalige geweldsinwerking op het gelaat en hoofd, zoals bij meermalig slaan, stoten, vallen enzovoorts. Dit past niet bij de verklaring van verdachte inzake “licht” slaan zijwaarts op het hoofd van het slachtoffer. Het geheel aan letsel aan gelaat en hoofd past vanwege voornoemde verspreiding niet bij een eenmalige val of glijbeweging met het hoofd vanaf de rand van het voeteneinde van het bed op of tegen het grondoppervlak.”

4.3.2

Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

Moord

De rechtbank zal verdachte, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsman is bepleit, vrijspreken van het met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven beroven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit kan volgen dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Er is geen bewijs dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat hij tussen het nemen van het besluit en de uitvoering daarvan de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder subsidiair is ten laste gelegd.

Doodslag

Op basis van vorenstaande bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien – stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] in het kader van een beoogd seksspel heeft vastgebonden, tape over zijn mond heeft geplakt en hem in het gezicht heeft geslagen, alsmede het om zijn hals gebonden elektriciteitssnoer heeft aangetrokken (verwurging). Het slachtoffer is als gevolg van verstikkingsverschijnselen door het toegepaste geweld op de hals overleden, waarbij ook het op het gezicht toegepaste geweld heeft bijgedragen aan de verstikkingsverschijnselen. Verdachte heeft – blijkens het forensisch onderzoek – op een zodanige manier geslagen en aan het elektriciteitssnoer getrokken, dat deze handelingen tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij regelmatig heeft gecontroleerd of het nog goed ging en zachtjes en voorzichtig heeft geslagen en aan het koord heeft getrokken, maar de rechtbank stelt vast dat dit niet past bij de mate van geweld die blijkt uit de forensische bevindingen.

De rechtbank acht – anders dan de raadsman – wel bewezen dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat indien een verwurging enige tijd wordt aangehouden en hierdoor bloedtoevoer naar de hersenen van het slachtoffer wordt belemmerd, het slachtoffer bewusteloos raakt en uiteindelijk kan komen te overlijden. Verdachte heeft ook verklaard dat hij bekend was met de aan wurgseks verbonden gevaren. Desondanks heeft hij zich in een situatie begeven, waarin het slachtoffer gedurende de seksuele handelingen niet alleen aan handen en voeten was vastgebonden, waardoor hij geen signaal kon geven op het moment dat hij in de problemen kwam, maar waarbij ook de zuurstoftoevoer van het slachtoffer werd bemoeilijkt door het afplakken van diens mond en het aantrekken van het om diens hals gebonden elektriciteitssnoer. Het slachtoffer verkeerde aldus in een zeer kwetsbare en potentieel levensgevaarlijke situatie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door onder deze omstandigheden de uit de bewijsmiddelen blijkende (gewelds-)handelingen met het slachtoffer te verrichten, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Naar oordeel van de rechtbank heeft verdachte aldus gehandeld met het voor doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet. Het verweer van de raadsman dat sprake is van een ongeval wordt derhalve verworpen.

Diefstallen

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de pinpas, waarmee hij tevens verschillende malen bedragen van de rekening heeft opgenomen, en LG telefoon van [slachtoffer] heeft gestolen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van verdachte dat hij de LG telefoon van het slachtoffer heeft gekregen omdat deze er niet mee overweg kon, niet aannemelijk. Niet alleen betreft het een dure telefoon, welke het slachtoffer pas recent had aangeschaft, maar ook levert het geconstateerde belgedrag van het slachtoffer in de periode van 4 mei 2012 tot en met 25 mei 2012, geen aanwijzing op dat hij niet met de betreffende telefoon overweg kon, zoals verdachte verklaart.

Gekwalificeerde doodslag

Hoewel, zoals hierboven overwogen, doodslag en diefstallen bewezen worden verklaard is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag. De rechtbank acht geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de doodslag is gepleegd met het oogmerk om de diefstallen te vergemakkelijken of te begunstigen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

A)

hij op 25 mei 2012 te Roermond opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet,

- tegen het gezicht en de hals, geslagen tegen het gezicht, en

- tape op/over de mond van die [slachtoffer] geplakt en

- een snoer om de hals van die [slachtoffer] gewikkeld en dat snoer (met kracht) aangetrokken en/of samendrukkend en/of omsnoerend en/of direct botsend geweld op hals en de mondbodem van die [slachtoffer] uitgeoefend,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

en

B)

hij op 25 mei 2012 te Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pinpas en een telefoon (merk: LG) toebehorende aan [slachtoffer];

en

C)

hij in de periode van 25 mei 2012 tot en met 27 mei 2012 te Roermond en te Amsterdam, meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) een hoeveelheid geld toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

sub A)

doodslag

en

sub B)

diefstal

en

sub C)

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het misdrijf onder sub a is strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder sub b is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder sub c is strafbaar gesteld bij artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Door de psycholoog B.Y. van Toorn is omtrent de geestvermogens van verdachte op 8 mei 2014 een rapportage uitgebracht. De deskundige geeft aan dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Mogelijk is er ook sprake van psychopathie en van een zwakbegaafd niveau van intellectueel functioneren. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een aanpassingsstoornis of een depressieve stoornis. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. Het is aannemelijk dat – indien bewezen – de persoonlijkheidsstoornis een rol heeft gespeeld bij het ten laste gelegde. Verdachte heeft zich gedurende het onderzoek echter weinig mededeelzaam opgesteld, heeft weerstand gehad om inzage te verschaffen en heeft zijn emoties of gedachten niet kunnen of willen benoemen, waardoor de relatie tussen denken, voelen en handelen in de aanloop naar en ten tijde van het ten laste gelegde onduidelijk is gebleven. Om deze reden kan de deskundige niet komen tot een goed onderbouwde forensische psychologische beschouwing en zijn de factoren die uiteindelijk hebben geleid tot het ten laste gelegde onduidelijk gebleven.

Indien bewezen is het echter aannemelijk dat factoren als gebrekkige gewetensfunctie, het gebrek aan empathie, het onvermogen om zich te verplaatsen in anderen en de neiging om rechten van anderen te schenden waarschijnlijk een rol hebben gespeeld. Indien bewezen dat verdachte het ten laste gelegde op voorhand heeft gepland dan moet hij op rationeel niveau doordrongen zijn geweest van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. In dat geval kan niet gekomen worden tot het advies over een verminderde mate van toerekenings-vatbaarheid, ondanks de factoren die vanuit de stoornis in enige mate doorgewerkt hebben in het delict.

De rechtbank leest het advies aldus dat indien de rechtbank het handelen met voorbedachten rade bewezen acht, verdachte volgens de deskundige op rationeel niveau bewust is geweest van de wederrechtelijkheid van zijn handelen en verdachte in dat geval volledig toerekeningsvatbaar is te beschouwen. Mocht de conclusie evenwel zijn dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad, dan is de deskundige van mening dat de factoren die vanuit verdachtes persoonlijkheidsstoornis voortvloeien wel in enige mate hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde. De rechtbank onderschrijft deze zienswijze en acht zij verdachte, nu zij hem vrijspreekt van het handelen met voorbedachte raad, licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek ex artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in het kader van de strafmaat verzocht rekening te houden met het beeld dat uit de psychologische rapportage d.d. 8 mei 2014 betreffende verdachte naar voren komt. Uit deze rapportage blijkt dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, welke mogelijk heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde. Voorts is verdachte bezig om zijn leven weer op te pakken en beter uit de detentie te komen. De raadsman acht, gelet op deze omstandigheden, de door de officier van justitie gevorderde straf te fors.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer], 45 jaar oud. Doodslag is een van de zwaarste misdrijven dat het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft het slachtoffer tijdens een uit de hand gelopen seksspel gewurgd, terwijl deze in machteloze toestand verkeerde. Verdachte heeft het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde en waardoor hij zich volledig aan verdachte overgaf, in zodanige mate geschaad dat het het slachtoffer noodlottig is geworden. Dit duidt op een ernstig gebrek aan respect voor het slachtoffer. Dit gebrek aan respect krijgt een vervolg als verdachte nalaat om de hulpdiensten in te schakelen. Verdachte laat vervolgens niet alleen het slachtoffer dood achter, maar breekt alvorens zijn vertrek nog een kast open om daaruit een diefstal te plegen, onderzoekt koelbloedig het banksaldo en verlaat de woning met de pinpas en de gsm van het slachtoffer. Vervolgens heeft hij de rekening van het slachtoffer geplunderd en het geld in een paar dagen gespendeerd. Verdachte heeft anderhalf jaar lang ontkend iets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben.

Een feit als door verdachte gepleegd rechtvaardigt enkel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de inhoud van een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 augustus 2014 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens oplichtingsdelicten.

De rechtbank komt tot een aanmerkelijk kortere gevangenisstraf dan de officier van justitie vordert. De zestien jaar als gevorderd passen wellicht bij een ander scenario, uitgaande van boos opzet, maar niet bij het scenario dat de rechtbank, zoals hierboven overwogen, uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid. Met inachtneming van de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid en de straffen die in vergelijkbare strafzaken worden opgelegd, komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 287, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en

mr. M.B.T.G. Steeghs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting 1 oktober 2014.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopend genummerde pagina’s van de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord Recherche eenheid Midden-Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2300-2012050322 d.d. 29 november 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering. Alle processen-verbaal zijn ambtsedig opgemaakt tenzij anders is vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2012, pagina 118-119.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2013, pagina 20-22.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 mei 2012, pagina 487-488.

5 Aanvullend deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 31 juli 2012 door A. Maes, die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige forensische pathologie.

6 Ambtsedig proces-verbaal d.d. 31 mei 2012 met bijbehorend transactieoverzicht, pagina 909-910 en 919.

7 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2012, pagina 1057-1059.

8 Ambtsedig proces-verbaal onderzoek telecommunicatie d.d. 10 juli 2012, pagina 1259-1261.

9 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2012, pagina 972-973.

10 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1]

11 Ambtsedig proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 14 december 2012, pagina 1993-2008.

12 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 18 september 2012, opgemaakt door ing. J.A.C. van Velzen en dr. Ir. A.J.J. van Es, pagina 2256-2262.

13 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 21 december 2012, opgemaakt door ing. R.P. Visser, pagina 2429-2438.

14 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 15 november 2012, opgemaakt door ing. P.E. de Vreede en dr. J.H.A. Nagel, pagina 2413-2427.

15 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 12 september 2012, opgemaakt door ing. L.H.J. Koomen, pagina 2236-2243.

16 Ambtsedig proces-verbaal dactyloscopische herkenning d.d. 3 oktober 2012, pagina 2385-2386.

17 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 28 september 2012, opgemaakt dr. J.H.A. Nagel, die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige DNA analyse en interpretatie, pagina 2265-2289.

18 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 28 september 2012, opgemaakt dr. J.H.A. Nagel, die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige DNA analyse en interpretatie, pagina 2265-2289.

19 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 19 november 2013.

20 Aanvullend ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 januari 2014.

21 Aanvullend deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2012.05.25.146 d.d. 17 juli 2014, opgemaakt drs. J.A. de Koeijer, die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-zaakverantwoordelijke Interdisciplinair Forensisch Onderzoek (IDFO).