Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8238

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
C/03/194435 / KG ZA 14-415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/194435 / KG ZA 14-415

Vonnis in kort geding van 24 september 2014

in de zaak van

[eiser],

wonend te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. W.C.M. Coenen,

tegen

[gedaagde] WEDUWE VAN [naam],

wonend te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. A.L.M. van Uden

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door partijen ingediende producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is eigenaresse van het appartementsrecht op grond waarvan zij bevoegd is tot het uitsluitend gebruik van het appartement op de begane grond aan het adres [adres 1].

2.2.

[eiser] is eigenaar van de appartementsrechten van de daarboven liggende twee appartementen, plaatselijk bekend als [adres 2] (het appartement op de eerste verdieping) en [adres 3] (het appartement op de tweede verdieping). [eiser] verhuurt die twee appartementen als woonruimte.

2.3.

Op 6 juli 2012 heeft de gemeente Maastricht aan [eiser] een omgevingsvergunning verleend voor de aanpassing van de door hem verhuurde appartementen, in die zin dat per appartement twee afzonderlijke kamers mogen worden gerealiseerd met gezamenlijke keuken, toilet, berging en badkamer, om die kamers als onzelfstandige woonruimte te verhuren.

2.4.

[eiser] heeft vervolgens in het appartement [adres 2] twee kamers gerealiseerd en die kamers als onzelfstandige woonruimten verhuurd.

2.5.

Bij vonnis van 15 januari 2014 (zaaknr. C/03/174308 / HA ZA 12-351) heeft de kantonrechter van rechtbank Limburg, locatie Roermond, op vordering van [gedaagde] (voor zover hier van belang) overwogen dat de verhuur van het appartement als twee onzelfstandige woonruimten strijd opleverde met artikel 17 lid 4 van het splitsingsreglement in samenhang met artikel VII van de splitsingsakte, en vervolgens:

  • -

    [eiser] verboden de betreffende appartementen in gedeelten (als kamers) te verhuren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag bij overtreding van dit verbod, tot een maximum van € 50.000,00;

  • -

    [eiser] geboden, voor zover huur of ingebruikgeving van die appartementen in gedeelten (als kamers) reeds heeft plaatsgevonden deze verhuur of ingebruikgeving met ingang van uiterlijk twee maanden na betekening van dit vonnis ongedaan te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag bij niet nakoming van dit gebod, tot een maximum van € 50.000,00.

2.6.

[gedaagde] heeft voornoemd vonnis op 16 januari 2014 aan [eiser] laten betekenen.

2.7.

[eiser] heeft na dit vonnis de volgende werkzaamheden aan het appartement [adres 2] uitgevoerd:

  • -

    de buitenwand van de traphal is teruggeplaatst, waardoor de ingang van (voorheen) kamer 1 is komen te vervallen. De betreffende deur is daardoor (weer) de deur naar de badkamer;

  • -

    de tussenwand tussen kamer 1 en 2 is verwijderd, waardoor de woonkamer weer (zoals voorheen) een kamer-en-suite geworden is;

  • -

    de toegangsdeur naar de voormalige kamer 2 is komen te vervallen en is nu weer de ingang tot de woonkamer.

2.8.

[eiser] en [huurder 1], de huurder van kamer 2, hebben met wederzijds goedvinden de huurovereenkomst met betrekking tot die kamer beëindigd.

2.9.

[eiser] en [huurder 2], de huurder van kamer 1, hebben met wederzijds goedvinden de huurovereenkomst met betrekking tot die kamer beëindigd.

2.10.

Bij e-mail van 26 februari 2014 heeft [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] medegedeeld dat het appartement op de eerste verdieping weer in de oude staat is gebracht “zoals geëist in het vonnis” en dat er vanaf 1 maart één nieuw huurcontract is voor één huurder.

2.11.

[eiser] en [huurder 1] voornoemd hebben op 1 maart 2014 een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan [huurder 1] tegen betaling van een maandelijks bedrag van € 720,00 het appartement [adres 2] huurt met ingang van die datum.

2.12.

Bij e-mail van 13 maart 2014 heeft [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] (onder meer) medegedeeld dat aan de verplichtingen is voldaan en dat bij vragen of als er behoefte is om controle uit te voeren in het appartement hij contact met [eiser] kan opnemen.

2.13.

Op 13 mei 2014 heeft [gedaagde] een deurwaardersexploot laten betekenen aan [eiser] waarin hem bevel wordt gedaan tot betaling binnen twee dagen van de tot en met die datum verbeurde dwangsommen van in totaal € 14.250,00. Het exploot vermeldt dat [gedaagde] “tot op heden niet voldaan heeft aan voormeld vonnis aangezien de appartementen (…) nog steeds (gedeeltelijk) in gedeelten (als kamers) verhuurd worden en gerequireerde derhalve dwangsommen verbeurt.”

2.14.

Op 19 mei 2014 heeft [eiser] de gemachtigde van [gedaagde] de situatie in appartement [adres 2] laten zien.

2.15.

Bij e-mailbericht van 29 mei 2014 heeft [eiser] de gemachtigde van [gedaagde] verzocht “de dwangsomvordering te doen stopzetten”.

2.16.

Bij e-mailbericht van 20 juni 2014 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan [eiser] het volgende medegedeeld: “In de door de rechtbank verboden situatie is geen enkele verandering gekomen. Er zijn slechts “bordjes verhangen”. Ik geef de deurwaarder opdracht om de dwangsommen te gaan incasseren. En aan de overlast moet een einde komen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – [gedaagde] te verbieden het vonnis van 15 januari 2014 (verder) te executeren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 in geval van overtreding van dit verbod en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang staat gelet op de aard van de vordering vast.

4.2.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het feit dat [eiser] diverse producties te laat overgelegd heeft. Ingevolge artikel 6.2 van het procesreglement worden stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de terechtzitting worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing gelaten. Op grond van deze bepaling is productie 20 te laat door [eiser] ingediend. Hetzelfde heeft te gelden voor de aan de pleitnota gehechte productie. In zoverre heeft [gedaagde] terecht bezwaar gemaakt en zullen die twee producties buiten beschouwing gelaten worden.

4.3.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of [eiser] het in het vonnis van 15 januari 2014 aan hem opgelegde verbod overtreden heeft en of [eiser] heeft gehandeld conform het in dat vonnis geformuleerde gebod.

4.4.

[gedaagde] voert aan dat er na ommekomst van de in het vonnis van 15 januari 2014 gestelde termijn door [eiser] geen einde is gemaakt aan de door dat vonnis verboden situatie. Zij stelt daartoe dat ook na het verstrijken van die termijn [huurder 1] en [huurder 2] op het adres [adres 2] zijn blijven wonen; [huurder 1] als hoofdhuurder en [huurder 2] als onderhuurder. Volgens [gedaagde] was [eiser] ervan op de hoogte dat [huurder 2] onderhuurder was en heeft [eiser] daar, hoewel onderhuur in strijd is met de huurovereenkomst, niet tegen opgetreden. [gedaagde] voert voorts aan dat het niet aannemelijk is dat de student [huurder 1] (student) een maandelijks huurbedrag van € 720,00 kon betalen.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt dat, wat er ook zij van het onder 4.4. samengevatte betoog van [gedaagde], voorshands is komen vast te staan dat [eiser] met ingang van 1 maart 2014 de eerste verdieping ([adres 2]) uitsluitend en geheel heeft verhuurd aan [huurder 1]. [gedaagde] heeft dat immers niet betwist. Voorts staat tussen partijen vast dat deze verdieping aansluitend met ingang van 1 juli 2014 uitsluitend en geheel verhuurd is aan [huurder 3]. Van verhuur in gedeelten (als kamers) is derhalve met ingang van 1 maart 2014 geen sprake (meer) geweest.

4.6.

Op grond van het vonnis is verhuur in gedeelten (kamers) niet toegestaan en vaststaat dat daarvan op en na 1 maart 2014 geen sprake meer is (geweest). In het vonnis van 15 januari 2014 is géén verbod (of gebod) opgenomen met de strekking dat [eiser] een einde moest maken aan de bewoning van het appartement [adres 2] door de personen [huurder 1] en [huurder 2]. Evenmin houdt dit vonnis een gebod in dat [eiser] dient op te treden tegen onderverhuur, of een verbod van bewoning van het appartement door meer dan één persoon. Dat er in de feitelijke situatie in de beleving van [gedaagde] weinig tot niets is veranderd (het appartement is van 1 maart 2014 tot 1 juli 2014 bewoond door [huurder 1] en [huurder 2], die daar voorheen ook woonden) leidt niet tot het oordeel dat [eiser] zich niet aan het vonnis van de kantonrechter heeft gehouden. Uit dit vonnis volgt immers niet dat deze feitelijke situatie (bewoning door twee studenten) in strijd was met de splitsingsakte, maar alleen dat de juridische constructie (de verhuur van twee onzelfstandige woonruimten) daarmee strijd opleverde. Door verandering van de juridische constructie is er thans geen strijd meer met de splitsingsakte en dus ook niet met de veroordeling in voornoemd vonnis en is er dus geen sprake van dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd.

4.7.

Onderhavig geschil is kennelijk (mede) ingegeven door het feit dat [gedaagde] (geluids)overlast ervaart van de huurders in het appartement [adres 2]. Dit is echter een omstandigheid – hoe vervelend ook – die voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van belang is.

4.8.

Omdat op grond van voorgaande overwegingen [eiser] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft voldaan aan het vonnis van 15 januari 2014, zal het [gedaagde] worden verboden over te gaan tot verdere executie van dat vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00.

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 95,43

- griffierecht 282,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.193,43

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] het vonnis van 15 januari 2014 (C/03/174308/ HAZA 12-351) (verder) te executeren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 in geval van overtreding van dit verbod,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.193,43,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op

24 september 2014.