Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8185

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
AWB-14_862u
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De afvoer van hemelwater is niet in strijd met artikel 6.15 en verder van het Bouwbesluit 2012. De omstandigheid dat de afwatering zou geschieden via het perceel van eiseressen is iets wat geen rol speelt in de beoordeling of aannemelijk is dat een goede hemelwaterafvoer is gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 862

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2014 in de zaak tussen

[naam eiser 1] en [naam eiser 2], te Mook, eiseressen

(gemachtigde: mr. M.J.H. Verburg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mook en Middelaar, verweerder (gemachtigde: mr. H.W.H.M. Gerrits).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder 1] en [naam vergunninghouder 2], te Mook

(gemachtigde: mr. H.A. Wieringa).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2013 (het primaire besluit), heeft verweerder aan [naam vergunninghouder 1] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning aan de [adres perceel vergunninghouder] te Mook.

Bij besluit van 28 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Eiseressen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is, zoals vooraf schriftelijk is aangekondigd, niet verschenen.

Overwegingen

1.

Eiseressen en vergunninghouder wonen naast elkaar. Eiseressen zijn het oneens met het feit dat aan vergunninghouder een omgevingsvergunning is verleend voor het uitbreiden van zijn woning. Het betreft blijkens de stukken een aanbouw bovenop de eerste verdieping tegen de woning van eiseressen aan. Zij vrezen kort gezegd dat de uitbreiding (die inmiddels is gerealiseerd) in de toekomst schade water- of vochtoverlast zal veroorzaken. In beroep hebben zij aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en het Bouwbesluit 2012. Verweerder had de omgevingsvergunning daarom moeten weigeren. Daar komt bij dat volgens eiseressen een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat om de gewenste uitbreiding van de woning te realiseren. Ook dat had tot weigering van de omgevingsvergunning moeten leiden. Tot slot vinden eiseressen dat verweerder in de bezwaarfase ten onrechte heeft afgezien van horen.

2.

Na het indienen van het beroep hebben partijen de rechtbank geïnformeerd over het feit dat eiseressen en de derde-partij een schikking hebben getroffen. Deze schikking houdt kort gezegd in dat het bouwplan op enkele onderdelen is aangepast. Eiseressen hebben aangegeven dat deze schikking niet leidt tot een intrekking van hun beroep, omdat verweerder heeft geweigerd de aanpassingen neer te leggen in een gewijzigde omgevingsvergunning. Voorts hebben eiseressen gesteld dat de derde-partij zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden.

3.

De rechtbank laat de stellingen en betogen van partijen over de getroffen schikking en op welke wijze dit in de omgevingsvergunning zou kunnen worden geïncorporeerd, onbesproken. Eiseressen hebben immers aangeven dat zij hun beroep handhaven en een gewijzigde beslissing op bezwaar is niet aan de orde. Ter beoordeling ligt dan ook uitsluitend voor of verweerder, gelet op de aangevoerde beroepsgronden, zijn besluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft gehandhaafd. Daarbij doet niet ter zake dat partijen inmiddels een schikking hebben getroffen en ook niet dat verweerder niet bereid is zijn besluit naar aanleiding van die schikking aan te passen.

4.

Verweerder heeft betoogd dat het in strijd is met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat eiseressen pas in beroep gronden hebben aangevoerd over strijd met het Bouwbesluit 2012 en het bestemmingsplan. Hij vindt dat het beroep in zoverre niet‑ontvankelijk is. De rechtbank passeert dit betoog. In beroep kan weliswaar niet voor het eerst worden geklaagd over een zelfstandig onderdeel van een aangevallen besluit dat ook al bezwaar naar voren had kunnen worden gebracht, maar artikel 6:13 van de Awb staat er niet aan in de weg dat tegen een besluitonderdeel nieuwe gronden naar voren worden gebracht. Er is, anders dan verweerder aanneemt, geen wettelijke bepaling (en overigens ook geen rechtsbeginsel) op grond waarvan gronden die niet expliciet in bezwaar zijn aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven. Gewezen zij bijvoorbeeld op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 december 2009, 200901496/1/H1; LJN: BK5857; JB 2010/29, m.nt. Bots. De verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen valt niet op te splitsen in verschillende besluitonderdelen. Nu eiseressen zowel in bezwaar als in beroep klagen over dit zelfde besluit, is van strijd met 6:13 van de Awb geen sprake.

5.

Over de strijd met het Bouwbesluit 2012 overweegt de rechtbank dat in de artikelen 6.15 en verder van het Bouwbesluit 2012 onder meer is bepaald dat een bouwwerk een zodanige voorziening heeft voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder (ingenomen in het verweerschrift) dat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat een beroep van eiseressen op de desbetreffende bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder omstandigheden dienen deze bepalingen, zoals artikel 6.15, niet slechts ter bescherming van de belangen van de gebruiker van een bouwwerk, maar ook ter bescherming van de belangen van de gebruikers van naastgelegen woningen. Voorstelbaar is dat het ontbreken van een deugdelijke afvoer van hemelwater bij vergunninghouder van invloed kan zijn op de gezondheid van eiseressen. Zij kunnen dus een beroep doen op de bepalingen in kwestie en het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb staat hieraan niet in de weg.

6.

Eiseressen hebben gesteld dat de hemelwaterafvoer van de nieuwe aanbouw/uitbreiding niet deugdelijk is, omdat de constructie met een hoek van 90 graden afgewerkt met een bitumen laag ondeugdelijk is en zal leiden tot beschadigingen en scheurvorming met lekkages tot gevolg. De vraag die ter beoordeling van de rechtbank voorligt, is of verweerder de aanvraag had moeten weigeren, omdat niet aannemelijk is dat het hemelwater kan worden afgevoerd zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid. De toets die verweerder in dit verband dient uit te voeren, strekt dus minder ver dan eiseressen hebben betoogd. Niet vereist is dat verweerder zekerheid verkrijgt of de hemelwaterafvoer nu of in de toekomst nooit gebreken zal vertonen en ook niet of de best denkbare oplossing voor hemelwaterafvoer is toegepast. De rechtbank ziet in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd geen aanleiding om te veronderstellen dat een goede hemelwaterafvoer niet aannemelijk is. De enkele stelling dat de toegepaste constructie met bitumen in een hoek van 90 graden zeer ongebruikelijk en per definitie ondeugdelijk zou zijn, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat de afwatering van het hemelwater zou geschieden via het perceel van eiseressen zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, is iets wat geen rol speelt in de beoordeling of aannemelijk is dat een goede hemelwaterafvoer is gewaarborgd. Van strijd met het Bouwbesluit 2012 is gelet op het voorgaande geen sprake, zodat dit voor verweerder geen reden was de vergunning te weigeren.

7.

Over de vermeende strijd met het bestemmingsplan Mook en Molenhoek overweegt de rechtbank het volgende. Voor het perceel van vergunninghouder geldt de bestemming “Wonen”. Blijkens de planregels (artikel 21) gelden voor hoofdgebouwen andere bouwregels dan voor bijbehorende bouwwerken. Punt van geschil is of het bouwplan ziet op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk dan wel op het groter maken van het hoofdgebouw. De rechtbank is van oordeel dat de uitbreiding van de woning van vergunninghouder valt aan te merken als een uitbreiding van het hoofdgebouw. Doorslaggevend daarvoor is dat wordt gebouwd binnen het bouwvlak en dat het feitelijk gaat om het uitbouwen/groter maken van de woning. Bovendien betreft het aaneengebouwde woningen (artikel 21.2.1 sub b), zodat het afstand houden tot de zijdelingse bouwperceelgrens niet aan de orde is en onbestreden is dat het maximaal toegestane bouwvolume (sub c) na de uitbreiding niet wordt overschreden. Dat volgens de begripsomschrijving in artikel 1 van de planregels een bijbehorend bouwwerk onder andere een uitbreiding van een hoofdgebouw kan zijn, maakt het vorenstaande niet anders. Dit laat immers onverlet dat de uitbreiding van een hoofdgebouw niet steeds een bijbehorend bouwwerk hoeft te zijn. Nu het hier dus gaat om het groter maken van het hoofdgebouw heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hiervoor de maximale goot- en bouwhoogte gelden die op de verbeelding zijn aangeduid. Niet in geschil is dat het bouwplan daaraan voldoet. Van strijd met het bestemmingsplan is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dit betekent voorts dat de gestelde “evidente privaatrechtelijke belemmering”, wat daar verder ook van zij, geen grond kon zijn voor verweerder om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. De wet (in dit geval de Wabo) schrijft immers limitatief voor in welke gevallen een omgevingsvergunning geweigerd dient te worden. Buiten die gevallen is voor weigering geen plaats. De aanwezigheid van evidentie privaatrechtelijke belemmeringen is geen weigeringsgrond. Ook op dit punt faalt het beroep van eiseressen.

8.

Tot slot overweegt de rechtbank over het schenden van de hoorplicht dat op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb het uitgangspunt is dat het bestuursorgaan in de bezwaarprocedure belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Nu eiseressen in de bezwaarfase slechts hebben aangevoerd dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering doet zich hier de situatie zoals bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb voor en heeft verweerder kunnen afzien van het horen van eiseressen. De rechtbank volgt eiseressen niet in hun standpunt dat verweerder hen had moeten horen voor het geval zij nog andere gronden van bezwaar zouden hebben gehad. Daar dient het horen niet voor. Indien eiseressen nog andere gronden van bezwaar kenbaar hadden willen maken, hadden zij dit in hun bezwaarschrift of eventueel in een aanvullende brief moeten doen. Er was geen reden voor verweerder om aan te nemen dat eiseressen wellicht nog andere bezwaren hadden dan het naar voren gebrachte punt van de evidente privaatrechtelijke belemmering. Nu dit bezwaar redelijkerwijs geen kans van slagen had, was het houden van een hoorzitting niet nodig.

9.

Op grond van het voorgaande is het beroep ongegrond.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2014.

w.g. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier

w.g. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 september 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.