Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8170

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
C/03/195187 / KG ZA 14-456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/195187 / KG ZA 14-456

Vonnis in kort geding van 22 september 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M. Houweling,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAASTRICHT DICHTBIJ B.V.,

gevestigd te Maastricht,

gedaagde,

advocaat mr. I. Bakker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 augustus 2014,

  • -

    de zijdens gedaagde ingezonden producties,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 15 juli 2014 heeft gedaagde een informatief artikel (verder: het artikel) gepubliceerd op de website www.dichtbij.nl waarin eiseres bij naam als bron is genoemd.

Het artikel heeft onder andere een goededoelenproject tot onderwerp, waarbij wordt gesuggereerd dat één van de initiatiefnemers ervan frauduleuze handelingen heeft gepleegd met ingezamelde gelden en dat zijn (toenmalige) partner daarvan wist. Een en ander zou door meerdere bronnen, waaronder eiseres en haar (verder niet bij naam genoemde) moeder, zijn bevestigd. In het artikel wordt ook ingegaan op de persoonlijke verhouding tussen eiseres en de beide hoofdpersonen van het verhaal. Eiseres heeft het gepubliceerde artikel overgelegd (productie 1 bij dagvaarding). Het artikel is opgesteld door een aan gedaagde verbonden redacteur (verder: de redacteur).

2.2.

Bij schrijven van 23 juli 2014 (productie 3 bij dagvaarding) heeft eiseres gedaagde gesommeerd een rectificatie op de genoemde website te plaatsen, alsmede heeft eiseres gedaagde op grond van onrechtmatige daad gesommeerd tot betaling van een immateriële schadevergoeding.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert, nu gedaagde niet aan de bovenstaande sommaties heeft voldaan, samengevat - veroordeling van gedaagde om alle verwijzingen naar de naam van eiseres op de website van gedaagde, te verwijderen en verwijderd te houden en ter zake van het artikel een rectificatie te plaatsen, alsmede gedaagde te gebieden zich te onthouden van uitlatingen waarbij de eer en goede naam van eiseres worden aangetast, met veroordeling van gedaagde tot betaling van een voorschot immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met rente en kosten.

3.1.1.

Eiseres stelt allereerst dat zij niet de bron is van het artikel, zodat gedaagde bij de publicatie van het artikel met de vermelding van eiseres als één van haar bronnen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens eiseres heeft de redacteur alleen (telefonisch) contact gehad met haar moeder. Haar moeder heeft daarop de redacteur de voor het artikel onderliggende informatie en foto’s verschaft. Eiseres ontkent dat zij bij het telefoongesprek tussen haar moeder en de redacteur aanwezig was. Eiseres is desalniet-temin vijf keer uitdrukkelijk in het - naar aanleiding van het gemelde telefoongesprek op

15 juli 2014 gepubliceerde - artikel als bron vermeld, aldus eiseres. Eiseres stelt dat zij tijdens het bewuste telefoongesprek bij haar zus was en verwijst daartoe naar een schriftelijke verklaring van haar zus van 2 augustus 2014 (productie 8 bij dagvaarding). Ook de moeder van een eiseres heeft een schriftelijke verklaring opgesteld, inhoudende dat eiseres in de gemelde kwestie niet aan het telefoongesprek met de redacteur op 14 juli 2014 heeft deelgenomen (productie 7 bij dagvaarding).

3.1.2.

Eiseres stelt vervolgens dat door de onterechte vermelding van haar als bron in het artikel van 15 juli 2014 haar naam en goede eer zijn aangetast. Zij stelt dat door de vermelding van haar als (tweede) bron van het artikel en hetgeen in het artikel is gesuggereerd er door haar (sociale) omgeving vraagtekens zijn geplaatst bij haar eerlijkheid, oprechtheid, integriteit en vertrouwelijkheid. Het artikel heeft gezorgd voor een fikse deuk in vriendschappen van eiseres, aldus eiseres. Eiseres stelt dat zij door het onrechtmatig handelen van gedaagde immateriële schade heeft geleden en vordert gelet hierop een voorschot op die schade van € 3.000,00.

3.2.

Gedaagde betwist dat zij onrechtmatig jegens eiseres zou hebben gehandeld.

3.2.1.

Gedaagde voert daartoe allereerst - samengevat - aan dat eiseres weldegelijk (mede) als bron van het artikel heeft gefungeerd, althans dat de redacteur daarvan mocht uitgaan. Tijdens het telefoongesprek op 14 juli 2014 heeft de redacteur eerst de moeder van eiseres gesproken, waarna het telefoongesprek verder is gevoerd met (iemand die zich uitgaf als) eiseres. Nu het door de redacteur gebelde telefoonnummer het telefoonnummer van de moeder van eiseres betrof en dit nummer door gedaagde is herleid tot het adres van de moeder van eiseres alwaar ook eiseres woont, kon de redacteur ervan uitgaan dat hij ook daadwerkelijk met eiseres sprak, aldus gedaagde. Zij wijst erop dat de redacteur na het gesprek zijn hoofdredacteur per sms heeft bericht dat hij met meerdere mensen had gesproken. Daarbij komt, aldus gedaagde, dat de moeder van eiseres, na het telefoongesprek op 14 juli 2014 op 16, 17 en 19 juli 2014 met dezelfde redacteur e-mailcontact heeft gehad, waarbij zij niets heeft opgemerkt over het feit dat mede haar dochter als bron van het artikel van 15 juli 2014 was genoemd. Ter onderbouwing van haar verweer heeft gedaagde onder meer de navolgende stukken overgelegd:

- een telefoonrekening waaruit volgens gedaagde blijkt dat de redacteur op 14 juli 2014 met de vaste telefoonlijn van de moeder van eiseres heeft gebeld,

- prints van de e-mailberichten tussen de moeder van eiseres en de redacteur,

- een print van het sms-contact tussen de redacteur en de hoofdredacteur op 14 juli 2014.

3.2.2.

Gedaagde heeft verder een brief van haar hoofdredacteur van 7 augustus 2014 overgelegd. De hoofdredacteur deelt in die brief aan (de advocaat van) eiseres mee dat, ter zake van het artikel, te goeder trouw is gehandeld. Hij schrijft onder meer: “In het geval van de ‘moeder’ en ‘dochter’ die ons vorige maand zelf telefonisch benaderden met het verzoek om aandacht te besteden aan wat zij zelf bestempelden als een oplichtingszaak, hebben wij, zoals ik u eerder probeerde duidelijk te maken, geheel te goeder trouw gehandeld. De feiten die door beiden werden aangedragen, alsmede de persoonsgegevens die in de telefonische vervolggesprekken werden verstrekt, hebben we, zoals uit mijn eerdere feitenrelaas moge blijken, uitvoerig gecheckt. Nergens in het hele traject hebben we enige aanleiding gehad om te veronderstellen dat degenen die we aan de telefoon hadden niet degenen zouden zijn die zij beweerden te zijn.

3.2.3.

Gedaagde is dan ook van mening dat zij geen enkele aanleiding had om aan de identiteit van eiseres te twijfelen en dat de redacteur, mede vanuit journalistiek oogpunt gezien, voldoende heeft gedaan ter verificatie van de identiteit van zijn bron. De publicatie van het artikel is dan ook niet onrechtmatig jegens eiseres, zodat de gevorderde voorzieningen dienen te worden afgewezen, aldus gedaagde.

4 De beoordeling

4.1.

Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij - in ieder geval - een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevorderde rectificatie.

4.2.

In het kader van het kort geding, welke procedure zich niet leent voor een nadere bewijsvoering door partijen, door onder meer het horen van getuigen, dient met voldoende mate van zekerheid te kunnen worden vastgesteld dat de vorderingen van eiseres ook in een bodemprocedure zullen worden toegewezen.

4.3.

Eiseres stelt dat zij niet de door de redacteur in het artikel genoemde (tweede) bron is en dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar niettemin als zodanig op te voeren. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv rust bij eiseres de bewijslast haar stelling dat zij niet mede de bron van het artikel was. Voorshands is niet gebleken dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval een andere verdeling van die bewijslast met zich mee zouden brengen.

4.4.

Overwogen wordt dat gedaagde met stukken heeft onderbouwd, en ook niet in geschil is, dat de redacteur van het artikel op 14 juli 2014 met de moeder van eiseres heeft gebeld. Partijen zijn het er ook over eens dat hij in ieder geval met de moeder van eiseres heeft gesproken en dat hij daarvan getrouw verslag heeft gedaan in het artikel van 15 juli 2014. De redacteur belde met de vaste telefoonlijn van de moeder van eiseres die is gekoppeld aan het adres waar eiseres en haar moeder wonen. Na het gesprek heeft de redacteur per sms aan zijn hoofdredacteur bericht dat hij: “de mensen uitgebreid [had] gesproken”. De redacteur en de moeder van eiseres hebben na het plaatsen van het artikel over en weer nog e-mailcontact gehad over de verdere afhandeling van hetgeen zij eerder telefonisch hadden besproken, waarbij door de moeder van eiseres geen opmerking is gemaakt over het feit dat eiseres als bron is vermeld. Daarnaast acht de voorzieningenrechter relevant dat de eiseres de juistheid van de aan haar toegeschreven uitlatingen over haar persoonlijke verhouding tot de personen die hoofdonderwerp zijn van het artikel en hetgeen zich tussen hen heeft afgespeeld, niet weerspreekt.

4.5.

Voormelde feiten en omstandigheden, maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het verweer van gedaagde, voor zover inhoudende dat eiseres weldegelijk de bron van het artikel was, dermate sterk is dat daaraan (thans) niet aan voorbij kan worden gegaan.

4.6.

Eiseres stelt weliswaar dat zij tijdens gemeld telefoongesprek niet thuis was, waartoe zij verwijst naar de door haar overgelegde verklaringen van haar moeder en zus, doch gelet op het gemotiveerde verweer van gedaagde acht de voorzieningenrechter die verklaringen, mede nu deze door familieleden van eiseres in haar voordeel zijn afgelegd, onvoldoende om af te doen van voormeld oordeel. Daarbij speelt een rol dat indien zou worden afgegaan op deze verklaringen, de conclusie moet zijn dat de redacteur heeft verzonnen dat hij ook met een ander dan de moeder van eiseres heeft gesproken. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding daarvan uit te gaan.

4.7.

Gelet op al het vorenoverwogene kan de voorzieningenrechter in dit kort geding niet met voldoende mate van zekerheid waarschijnlijk oordelen dat eiseres niet als één van de bronnen heeft gefungeerd van het artikel van 15 juli 2014, zodat vooralsnog niet voldoende aannemelijk is dat de door eiseres onder punt III van de dagvaarding gevorderde rectificatie in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De gevorderde rectificatie wordt derhalve afgewezen. De overige vorderingen van eiseres, die hiermee onlosmakelijk samenhangen, komen gelet hierop evenmin voor toewijzing in dit kort geding in aanmerking.

4.8.

De vorderingen van eiseres worden derhalve afgewezen.

4.9.

Eiseres wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, welke aan de zijde van gedaagde worden begroot op:

- griffierecht € 608,00,

- salaris advocaat € 816,00,

totaal € 1.424,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.424,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2014.

CM