Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8151

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
C/03/194796 / KG ZA 14/432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/194796 / KG ZA 14/432

Vonnis in kort geding van 19 september 2014

in de zaak van

[eiser],

wonend [adres]

[adres],

eisende partij,

gemachtigde mr. T.E.J. Devens

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.M. Atema.

Partijen zullen hierna [eiser] en ING genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 12 september 2014.

1.2.

Ter zitting is [eiser] in persoon verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens ING zijn verschenen de heren [naam senior account manager], senior account manager en [naam teammanager], teammanager, bijgestaan door mr. Atema voornoemd.

De gemachtigden van partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota, waarvan een kopie aan het dossier is toegevoegd. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier schriftelijk aantekening gehouden

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is gehuwd met mevrouw [naam echtgenote], die op enig moment een reisbureau heeft opgericht met de naam Limburg Travel B.V.

2.2.

Omstreeks juni 2007 heeft Limburg Travel B.V. ING om een krediet verzocht van

€ 240.00,00. Een offerte daartoe is door ING op 6 juli 2007 aan Limburg Travel B.V. versterkt. Onderdeel van die offerte was dat ING volledige zekerheid verlangde voor de kredietverstrekking (lening) door middel van een te vestigen pandrecht op een bedrag van

€ 240.000,00 op een door [eiser] te openen ING Bank Depositorekening.

2.3.

[eiser] heeft daarop een ING Bank Depositorekening met nummer [rekeningnummer 1] geopend en daar een bedrag van € 240.000,00 gestort, waarna op 16 juli 2007 een pandakte is opgemaakt (productie 2 bij exploot). In die pandakte is - voor zover thans relevant - de volgende passage opgenomen:

“(…) verpandt de pandgever – voor zover nodig bij voorbaat – aan de bank, die deze verpanding aanvaardt, alle vorderingen die hij tegenover de bank nu of te eniger tijd kan doen gelden uit hoofde van: op ING Bank Depositorekening, rekening nummer [rekeningnummer 1] geplaatste/geboekte gelden tot een totaalbedrag van EUR 240.000,-

2.4.

Op enig moment daarna is het saldo van € 240.000,00 overgeboekt naar rekeningnummer [rekeningnummer 2], te weten een “Toprente spaarrekening”, en heeft ING [eiser] een nieuwe pandakte doen toekomen waarin slechts het rekeningnummer en rekeningtype werd aangepast aan de gewijzigde situatie (productie 3 bij exploot), welke akte door [eiser] eveneens is ondertekend.

2.5.

Vervolgens is het saldo van € 240.000,00 opnieuw overgeboekt, ditmaal naar rekeningnummer [rekeningnummer 3], op welke rekening het zich thans nog steeds begeeft. De pandakte die ING naar aanleiding van díe overboeking aan [eiser] heeft doen toekomen (productie 5 bij exploot), is door [eiser] niet ondertekend.

2.6.

Op 19 november 2013 is het faillissement van Limburg Travel B.V. uitgesproken.

2.7.

Bij brief van 6 december 2013 heeft ING [eiser] te kennen gegeven dat zij wegens het faillissement van Limburg Travel B.V. de verstrekte kredietfaciliteit beëindigt en dat zij derhalve genoodzaakt is verhaal te zoeken onder de door [eiser] verstrekte zekerheid van € 240.000,00.

2.8.

Genoemd saldo heeft altijd geblokkeerd gestaan en staat nog steeds geblokkeerd.

3 De vordering en het geschil

3.1.

Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert [eiser] - bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad - om:

  • -

    ING te verbieden om zich op het creditsaldo van [eiser] op de rekening met nummer [rekeningnummer 3] te verhalen

  • -

    ING te gebieden om het creditsaldo van [eiser] op de rekening met nummer [rekeningnummer 3] vrij te geven.

Daarnaast vordert [eiser] de veroordeling van ING tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering(en) voert [eiser] aan dat het saldo op de rekening met nummer [rekeningnummer 3] (tot een hoogte van € 240.000,00) niet verpand is aan ING omdat [eiser] de laatste akte (genoemde productie 5) niet heeft ondertekend. Het pandrecht rust slechts op die specifieke bankrekening die in de laatst ondertekende pandakte genoemd wordt. Door het niet ondertekenen van de pandakte waarin laatstgenoemd rekeningnummer staat vermeld, is het saldo op díe rekening - in de optiek van [eiser] - niet bezwaard met een pandrecht.

3.3.

ING heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gemotiveerd gestelde spoedeisende belang is op zichzelf onbetwist gelaten zodat daarvan wordt uitgegaan.

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met een redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze - of een vergelijkbare - vordering zal slagen. Bij deze beoordeling kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en die beoordeling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren gebracht is en aannemelijk is gemaakt.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voornoemde redelijke mate van zekerheid over een voor [eiser] positieve uitkomst in een bodemprocedure niet aanwezig, integendeel zelfs. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.4.

Vaststaat dat het stellen van een volledige zekerheid in de vorm van een pandrecht op een bedrag van € 240.000,00 voor ING een voorwaarde was voor het verstrekken van de lening ter hoogte van datzelfde bedrag aan Limburg Travel. Met zijn standpunt, inhoudende dat hij ‘vrijwillig’ is overgegaan tot het verlenen van het pandrecht op meergenoemd bedrag, lijkt [eiser] tegen beter weten in voorbij te gaan aan het feit dat ING zonder die zekerheidstelling de lening niet aan het bedrijf van zijn vrouw verstrekt zou hebben. Vast staat ook dat Limburg Travel de onderhavige lening niet aan ING heeft terugbetaald en dat het pandrecht derhalve niet langs die weg is teniet gegaan.

4.5.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan, gelet op de onder 4.4. vermelde omstandigheid, onder het aan het pandrecht onderworpen goed als bedoeld in artikel 3:227 BW niets anders worden begrepen dan de vordering op naam van [eiser] op ING ten bedrage van € 240.000,00.

Het nummer van de bankrekening waaronder deze vordering op naam is geadministreerd is, zoals ING terecht aanvoert, geen goed maar slechts een administratief hulpmiddel, en laat de vordering op zichzelf naar aard en omvang onverlet. Dat ING bij het wisselen van bankrekeningnummer toch tot tweemaal toe een aangepaste pandakte aan [eiser] ter ondertekening heeft voorgelegd doet aan dat oordeel niet af. [eiser] had uit die handelwijze niet mogen concluderen dat het gevestigde pandrecht teniet was gegaan.

4.6.

Uit het voorgaande volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat in een eventuele bodemprocedure geoordeeld worden dat het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] tot een bedrag van € 240.000,00 is bezwaard met een pandrecht tot zekerheid van de vordering van ING op Limburg Travel. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van ING begroot op € 1.424,00 (€ 816,00 aan salaris advocaat en € 608,00 aan griffierecht).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van ING tot aan de datum van dit vonnis begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en is in het openbaar uitgesproken.

type: RK