Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8150

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
03/866161-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling van drie agenten. Gevangenisstraf van 7 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/866161-14

Datum uitspraak : 19 september 2014

Verstek

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

1 Het onderzoek van de zaak

Op 7 januari 2014 heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in een procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van verdachte bevolen ter zake van het onderhavige feitencomplex.

Het onderhavige vonnis is vervolgens gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2014.

De rechtbank heeft op 5 september 2014 gehoord: de officier van justitie.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2012 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], en/of

[slachtoffer 2], en/of [slachtoffer 3], van het leven te beroven, met dat opzet

met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden op voornoemde

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], althans met een (te) hoge snelheid in

de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is gereden, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 20 januari 2012 in de gemeente Maastricht ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) ambtena(a)r(en), te

weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], allen hoofdagent

van politie, gedurende en/of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn/hun

bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden op voornoemde

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], althans met een (te) hoge snelheid in

de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is gereden, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 20 januari 2012 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto

ingereden op voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], althans met

een (te) hoge snelheid in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] gereden.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om de politieagenten [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte op 20 januari 2012 de chauffeur was van de Franse personenauto waarmee op de drie politieagenten is ingereden. Het is onaannemelijk dat verdachte, vlak voor zijn aanhouding, in de personenauto van plaats heeft gewisseld met [medeverdachte]. In dit verband wijst de officier van justitie op de verklaring van verbalisant [slachtoffer 3], inhoudende dat hij heeft gezien dat de bestuurder een witte broek droeg ten tijde van het inrijden op de agenten. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat de inzittenden van de personenauto niet van plaats zijn gewisseld en dat hij continu zicht op de inzittenden heeft gehad. De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij na het incident van plaats is gewisseld met [medeverdachte] en pas toen op de chauffeursstoel is gaan zitten, is volgens de officier van justitie dan ook leugenachtig. Bovendien strookt de verklaring van verdachte op detailniveau niet met de verklaring van [medeverdachte].

Ter zake van de gedragingen van verdachte is de officier van justitie, op grond van de aangiften en bevindingen van de betrokken politieagenten, van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte eerst achteruit heeft gereden en vervolgens met vaart vooruit is gereden om de auto van de verbalisanten aan de kant de duwen en zich zo aan aanhouding te kunnen onttrekken. Bij het achteruit rijden reed verdachte pal op agent [slachtoffer 3] af. Vervolgens reed hij bij het vooruit rijden pal en met vol gas op agent [slachtoffer 1] af en ramde hij met zijn personenauto de auto waar [slachtoffer 2] op dat moment aan het uitstappen was en nog in de deuropening stond, ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] bijna ten val kwam.

Volgens de officier van justitie heeft verdachte het voorwaardelijk opzet gehad om de politieagenten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft de kans op de koop toe genomen dat hij de aanwezige politieagenten letsel zou toebrengen door op de beschreven wijze te manoeuvreren met zijn personenauto. Verdachte had zich dienen te realiseren dat politieagenten na een insluiting van een verdachte auto uit hun politievoertuigen gaan stappen en dat zij door het handelen van verdachte letsel hadden kunnen oplopen. Volgens de officier van justitie kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van de politieagenten heeft gehad, nu niet duidelijk is of de politieagenten ten gevolge van het handelen van verdachte hadden kunnen overlijden.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

Op vrijdag 20 januari 2012 was het Joint Hit Team bezig met de bestrijding van drugsoverlast in Maastricht en omgeving. Door de verbalisanten van het Joint Hit Team werd besloten om de twee inzittenden van een Renault Laguna, voorzien van het Franse kenteken [kenteken], aan te houden als verdachten van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Omstreeks 22:50 uur werd door de leden van het Joint Hit Team middels een autoprocedure getracht om de inzittenden van de Renault Laguna aan te houden op de Fort Willemweg te Maastricht. De politieagenten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [slachtoffer 3] reden direct achter de Renault Laguna en zetten de stoptransparant in hun voertuig aan. De Renault Laguna stopte vervolgens met draaiende motor aan de rechterzijde van de Fort Willemweg.2 Op dat moment sloten drie dienstwagens van het Joint Hit Team de Renault Laguna in. Een Volkswagen Golf stopte op een afstand van ongeveer 30 centimeter achter de Renault Laguna. Schuin links daarnaast parkeerde een Skoda. Tegelijkertijd stopte een Ford Focus op ongeveer 50 tot 60 centimeter afstand van de voorzijde van de Renault Laguna.3

[slachtoffer 3] stapte aan de bijrijderskant uit de Skoda en rende naar het bestuurdersportier van de Renault Laguna, waarna hij probeerde om de bestuurder uit het voertuig te trekken. [slachtoffer 1] stapte uit de Ford Focus, waarna hij vóór het Franse voertuig ging staan.4 Aan de bestuurderszijde van de Ford Focus opende [slachtoffer 2] het portier. [slachtoffer 2] was doende om uit de auto te stappen om de inzittenden van de Renault Laguna aan te houden.5

Op het moment dat [slachtoffer 3] de bestuurder vastpakte, hoorde verbalisant [verbalisant 4] dat de bestuurder van de Renault Laguna opeens veel gas gaf. Plotseling reed de Renault Laguna achteruit richting de geparkeerde Volkswagen Golf. Verbalisant [verbalisant 4] zag dat [slachtoffer 3] op dat moment achteruit moest springen om te voorkomen dat hij door het portier van het Franse voertuig geschept zou worden. Door de klap tegen de Volkswagen Golf werd deze ongeveer twee meter naar achteren geduwd.6 [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij zag dat de bestuurder het gaspedaal intrapte en dat de auto opeens vanuit stilstand met hoge snelheid achteruit reed, waarop hij achteruit bewoog om niet in de deuropening van het Franse voertuig klem te raken.7 [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij net op tijd uit zijn benaderde positie heeft weten te ontsnappen.8

Vervolgens reed de Renault Laguna met hoge snelheid vooruit in de richting van de Ford Focus en ramde met de linkervoorkant tegen de rechtervoorkant van de Ford Focus, waardoor deze beschadigd raakte. Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hoorden dat de motor van de Renault Laguna een hoog toerental draaide.9 Verbalisant [verbalisant 2] zag dat zijn collega [slachtoffer 1], die aan de bijrijderskant van de Ford Focus was uitgestapt, aan de kant moest springen om niet te worden overreden door de Renault Laguna.10 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat er ongeveer drie meter afstand tussen hemzelf en de Renault Laguna was. Hij bevond zich midden voor de Renault Laguna. Volgens [slachtoffer 1] zou hij zeker overreden zijn, als hij niet was weggesprongen.11 [slachtoffer 2] zette haar linkerbeen net uit de Ford Focus toen zij een motorgeluid met hoge toeren hoorde en vervolgens een harde knal. Tegelijkertijd voelde zij dat de Ford Focus van de weg werd gedrukt, waarbij de dorpel hard tegen haar linkerkuit aankwam. [slachtoffer 2] kwam daardoor uit balans en kon ternauwernood het geopende portier en het dak van de Ford Focus vastpakken, om te voorkomen dat zij ten val zou komen.12 Verbalisant [verbalisant 2] heeft gezien hoe zijn collega bijna onder haar eigen dienstvoertuig terecht kwam.13 Hierna reed de Renault Laguna met hoge snelheid weg.14

Na een achtervolging van ongeveer 1,5 kilometer kwam de Renault Laguna tot stilstand in een doodlopende straat.15 Verdachte werd aangehouden als bestuurder van de Renault Laguna. Verdachte was gekleed in een witte trainingsbroek en een zwart trainingsjack van het merk Adidas. Op het trainingsjack was een goudkleurig Adidas-embleem aangebracht, evenals goudkleurige strepen op de mouwen. [medeverdachte] werd aangehouden aan de bijrijderskant van de Renault Laguna.16

[slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben aangifte gedaan van poging doodslag.17

De rechtbank dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of verdachte de bestuurder van de Renault Laguna was ten tijde van het inrijden op de hoofdagenten [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

Zowel medeverdachte [medeverdachte] als verdachte heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte] de bestuurder van de Renault Laguna was ten tijde van het incident en dat zij – vlak voor hun aanhouding – in de auto van plaats hebben gewisseld. [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn benen bij zijn aanhouding misschien nog bij de bestuurdersplaats van de auto lagen. Volgens verdachte bevonden zijn eigen benen zich nog op de bijrijdersplaats ten tijde van de aanhouding en zat hij midden tussen de twee autostoelen in.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] onaannemelijk zijn, gelet op de bevindingen van de verschillende verbalisanten die betrokken waren bij de autoprocedure en de daarop volgende aanhouding van verdachte. Volgens verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] was de tijd tussen het stoppen (op de doodlopende weg) en de daadwerkelijke aanhouding van de inzittenden van de Renault slechts een paar seconden en te kort om van plaats te wisselen.18 Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de bestuurder was van de eerste achtervolgende dienstauto die achter de Renault Laguna aanreed ten tijde van de achtervolging. Tijdens de achtervolging had [verbalisant 1] continu zicht op de inzittenden van de Renault Laguna. Hij zag dat tijdens de gehele achtervolging en nadat de Renault Laguna tot stilstand was gekomen de inzittenden niet van zitplaats zijn gewisseld.19 Verbalisant [slachtoffer 3] heeft vóór het incident – toen hij probeerde de bestuurder uit de auto te trekken – gezien dat de bestuurder van de Renault Laguna een witte joggingbroek droeg en een zwart Adidas-vest met goudkleurige strepen op de mouw.20 Dit is de kleding die verdachte ten tijde van zijn aanhouding droeg. Ten slotte heeft geen der verbalisanten gerelateerd dat er sprake was van een soort van verstrengeling van verdachte en [medeverdachte] op het moment van aanhouding. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bestuurder van de Renault Laguna was.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beoordelen of de gedragingen van verdachte zijn aan te merken als poging doodslag en/of poging zware mishandeling en/of bedreiging van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2].

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] te doden. Uit het dossier is niet gebleken van het opzet van verdachte op de dood van de agenten. Evenmin acht de rechtbank voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen, nu niet duidelijk is of de politieagenten ten gevolge van de aanrijding hadden kunnen overlijden. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. Uit de gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelingen de omstanders, in casu [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], zwaar lichamelijk letsel handden kunnen oplopen. [slachtoffer 1] bevond zich immers vlak voor de auto van verdachte toen verdachte met hoog motortoerental op hem inreed. [slachtoffer 1] moest opzij springen om niet te worden aangereden. Hoewel verdachte [slachtoffer 2] mogelijk niet heeft kunnen waarnemen, doet dit niet af aan het voorwaardelijk opzet van verdachte om ook haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. [slachtoffer 2] had ten val kunnen komen en daarmee onder haar dienstwagen terecht kunnen komen. Ook [slachtoffer 3] had ten val kunnen komen, en wellicht onder de auto kunnen komen, toen hij zich in het autoportier van verdachte bevond en verdachte onverhoeds achteruit reed. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat verdachte had kunnen en moeten verwachten dat er zich in de directe omgeving van de auto politieagenten bevonden, al dan niet reeds buiten hun dienstwagens danwel nog bezig om uit te stappen. Verdachte was er echter kennelijk zo op gebrand om zich aan de automanoeuvre van het Joint Hit Team te onttrekken, dat hij is weggereden zonder zich te bekommeren om de (mogelijke) gevolgen voor de directe omstanders.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een door hem bestuurde personenauto in te rijden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en met een te hoge snelheid in de richting van [slachtoffer 3] te rijden.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting kenbaar heeft gemaakt dat de gewijzigde tenlastelegging, in de onderhavige cumulatieve vorm, louter tot doel strekt om de rechtbank de kans te bieden om ten aanzien van elke agent afzonderlijk te komen tot een bewezenverklaring van ofwel poging doodslag danwel poging zware mishandeling en in het uiterste geval bedreiging. Nu de rechtbank ter zake van alle drie de agenten heeft geoordeeld dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte heeft geprobeerd hen zwaar te mishandelen, zal de rechtbank verdachte vrij spreken van de aan hem tenlastegelegde bedreiging(en).

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 20 januari 2012 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], allen hoofdagent van politie, gedurende en terzake de rechtmatige uitoefening van hun bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en met een te hoge snelheid in de richting van die [slachtoffer 3] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

poging tot zware mishandeling terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van zijn bediening, meermalen gepleegd

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de strafeis rekening gehouden met de procesopstelling van verdachte. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat de politierechter, bij de beoordeling van de met dit feit samenhangende Opiumwetdelicten, in haar vonnis van 14 maart 2012 reeds de duur van het voorarrest in de strafoplegging heeft verdisconteerd.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft geprobeerd om drie politieagenten zwaar te mishandelen door met een personenauto op hen in te rijden. De rechtbank acht dit een ernstig feit. Door het handelen van verdachte hadden de politieagenten [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. Dat de politieagenten geen letsel hebben opgelopen, is niet aan het handelen van verdachte te danken. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij dergelijke feiten heeft gepleegd tegen agenten tijdens de uitoefening van hun dienst, nu het beroep van deze agenten er juist op gericht is om de (verkeers)veiligheid in de maatschappij te waarborgen.

Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank kennis genomen van de oriëntatiepunten van het LOVS ter zake van zware mishandeling, meer in het bijzonder van de categorie ‘opzettelijk toebrengen van middelzwaar letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)’. De oriëntatiepunten geven in een dergelijk geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden aan. In geval van een poging zou deze straf met 1/3 kunnen worden verminderd. Daar staat tegenover dat het hier gaat om een poging ten aanzien van drie politieagenten gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van de bediening van deze agenten. Dit dient tot strafverzwaring te leiden. De rechtbank zal ten gunste van verdachte evenwel rekening houden met een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Verdachte werd pas twee jaar na het moment van zijn aanhouding, in januari 2012, voor onderhavig feit gedagvaard. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat verdachte in 2012 is veroordeeld ter zake van de Opiumwetfeiten van 20 januari 2012 en derhalve artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden passend. De rechtbank zal geen aftrek van het voorarrest van verdachte toepassen, nu de politierechter dit in haar vonnis d.d. 14 maart 2012 ter zake van een aantal Opiumwetdelicten reeds heeft verdisconteerd.

8 De benadeelde partij

8.1

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

8.1.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 475,00 ter zake van immateriële schade met betrekking tot het ten laste gelegde feit.

8.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij volledig toewijzen en vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal ter zake van deze vordering ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8.2

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

8.2.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 600,00 ter zake van immateriële schade met betrekking tot het ten laste gelegde feit.

8.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot matiging van de vordering van de benadeelde partij tot € 475,00, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ex aequo et bono vaststellen op een bedrag van € 475,00, nu de rechtbank van oordeel is dat de immateriële schade van benadeelde partij niet wezenlijk verschilt van de benadeelde partij [slachtoffer 1]. De rechtbank zal het meer gevorderde afwijzen. De rechtbank zal het bedrag van € 475,00 vermeerderen met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.3 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], p/a [adres 2] van een bedrag van € 475,00 (vierhonderdvijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente van 20 januari 2012 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], p/a [adres 3], te betalen een bedrag van

€ 475,00 (vierhonderdvijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    wijst het meer gevorderde af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. J.H. Klifman en

mr. C.M.J. van den Acker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Coenegracht-Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 september 2014.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2012007990 d.d. 27 februari 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 P-v van bevindingen d.d. 21 januari 2012, p. 138, 140.

3 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 146.

4 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 146.

5 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 150.

6 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 147.

7 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 153.

8 P-v van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 23 januari 2012, p. 125 en 126.

9 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 147.

10 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 147.

11 P-v van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 21 januari 2012, p. 115 en 116.

12 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 151 en p-v van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 22 januari 2012, p. 121.

13 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 153.

14 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 151 en p-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 153.

15 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 147 en 148 en p-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 154.

16 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 157 en 158.

17 P-v van aangifte door [slachtoffer 1] d.d.21 januari 2012, p. 114 – 117, p-v van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 22 januari 2012, p. 118 – 122 en p-v van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 23 januari 2012, p. 124 – 127.

18 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 152.

19 P-v van bevindingen d.d. 26 januari 2012, p. 159.

20 P-v van bevindingen d.d. 22 januari 2012, p. 152.