Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:8040

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
C/03/191030 / FA RK 14-1295
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verzoek tot verlaging van de te betalen partneralimentatie wordt afgewezen omdat de verzoeker onvoldoende informatie verschaft over zijn inkomsten en zijn lasten. Deze gebrekkige informatievoorziening wordt verzoeker extra zwaar aangerekend nu verzoeker in een eerdere beschikking al op de vingers was getikt over het bewust onjuist informeren van de rechtbank ten aanzien van zijn huurinkomsten waarbij de rechtbank verzoeker er, in het licht van artikel 21 Rv, uitdrukkelijk op wijst dat hij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid dient aan te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/191030 / FA RK 14-1295

Beschikking van 1 september 2014 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats 1]

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. H.J. de Kloe te Montfoort;

tegen:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. J.L.M. Martens te Heerlen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 2 mei 2014;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 5 juni 2014;

- door de man zijn op 30 juni 2014 aanvullende stukken in het geding gebracht alsmede heeft hij zijn verzoekschrift aangevuld;

- door de vrouw zijn op 3 juli 2014 aanvullende stukken in het geding gebracht;

- door de man zijn op 7 juli 2014 nog aanvullende stukken in het geding gebracht;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 14 juli 2014 en waarbij zijn verschenen:

- mr. De Kloe en de vrouw, bijgestaan door mr. Martens.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

2.2.

De rechtbank Maastricht heeft op 5 december 2007 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op 28 mei 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij voornoemde uitspraak heeft de rechtbank aan de man een uitkering tot levensonderhoud, verder te noemen partnerbijdrage, opgelegd van € 250,-- per maand.

Bij beschikking van het Hof Den Bosch van 1 oktober 2008 is de partnerbijdrage bepaald op € 400,-- per maand, ingaande 28 mei 2008.

De rechtbank Maastricht heeft bij beschikking van 9 oktober 2012 de partnerbijdrage gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2010 een bedrag van € 836,11 per maand dient te voldoen en met ingang van 1 mei 2012 een bedrag van € 742,51 per maand.

3 Het verzoek

3.1.

De man heeft op de gronden en de wijze als in het verzoekschrift omschreven verzocht dat de rechtbank de partnerbijdrage zal wijzigen en wel als volgt:

  • -

    met ingang van 1 juli 2014 tot en met 31 juli 2014, althans ingaande een door de rechtbank te bepalen datum, de partnerbijdrage nader te bepalen op nihil danwel op € 100,-- per maand;

  • -

    vanaf 1 augustus 2014 op nihil.

De man heeft bij aanvullend verzoek verzocht om de vrouw te veroordelen tot betaling van een partnerbijdrage ten behoeve van de man ten bedrage van € 379,-- over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 augustus 2014 en € 334,-- per maand vanaf 1 september 2014. Voorts heeft de man verzocht dat de vrouw de teveel ontvangen partneralimentatie over de maand juli 2014 aan de man dient terug te betalen, kosten rechtens.

De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de eerdere rechterlijke uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Hij stelt dat hij op 13 juli 2014 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij door de daaraan gerelateerde inkomensachteruitgang geen draagkracht meer heeft om enig bedrag aan partneralimentatie te voldoen.

4 Het verweer

4.1.

De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man. Zij betwist dat er sprake is van een inkomensachteruitgang en dat de man daardoor geen draagkracht meer heeft voor betaling van een onderhoudsbijdrage. Volgens de vrouw heeft de man nog inkomsten uit de verhuur van een pand, heeft de man geen actuele gegevens overgelegd en heeft de man zijn stellingen onvoldoende onderbouwd.

Partijen hebben ter mondelinge behandeling over en weer hun standpunten nader toegelicht en de rechtbank zal daar, voor zover relevant, hierna nader op in gaan.

De man heeft ter mondelinge behandeling zijn verzoeken betreffende de door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage ingetrokken, nu de man gehuwd is en op grond van artikel 1:160 BW de onderhoudsverplichting van de gewezen echtgenoot eindigt.

5 De beoordeling

5.1.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De man heeft de Nederlandse nationaliteit en is woonachtig in Spanje. De vrouw heeft de Duitse nationaliteit en is woonachtig in Nederland.

Op grond van artikel 3 sub a Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008, hierna Ali-vo) is de Nederlandse rechter bevoegd nu verweerster haar woonplaats in Nederland heeft.

Voor het toepasselijk recht verwijst artikel 15 Ali-vo naar het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Krachtens het bepaalde in artikel 3 van dit Protocol is het toepasselijk recht het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, in casu de vrouw. Derhalve is Nederlands recht van toepassing op het verzoek van de man.

5.2.

Ingekomen stukken

Door de vrouw is gesteld dat de door de man in het geding gebrachte aanvullende stukken van 7 juli 2014 buiten beschouwing gelaten dienen te worden, nu deze binnen de 10-dagentermijn zijn ingediend. De man heeft verzocht deze stukken mee te nemen nu de inhoud van die stukken bij de vrouw al bekend was.

De rechtbank zal genoemde stukken, zijnde twee betalingsbewijzen van januari 2013 en februari 2013, meenemen in de beoordeling, nu het eenvoudige stukken betreft die bij de vrouw al bekend waren. Door deze stukken mee te nemen in de beoordeling wordt de vrouw niet in haar procesvoering geschaad.

5.3.

De grondslag van het verzoek

Krachtens het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven zijn in dit opzicht rechtens relevant.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door de man in dit verband is aangevoerd, te weten het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en de dientengevolge forse inkomensdaling, een relevante wijziging in de omstandigheden is op grond waarvan de man wijziging van de beschikking kan verzoeken.

Door de man is gesteld dat hij na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op 13 juli 2014 een bedrag van € 528,78 bruto per maand ontvangt terzake Ouderdomspensioen, een bedrag van € 25,59 bruto per maand aan Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB) en € 36,08 bruto per maand aan vakantiegeld. Verder ontvangt hij vanaf 12 augustus 2014 een ouderdomspensioen uit Duitsland van € 132,33 bruto per maand.

Door de vrouw is dit gemotiveerd betwist. Volgens de vrouw ontvangt de man naast de opgevoerde inkomsten nog inkomen uit huuropbrengsten. Zij heeft verder gesteld dat de man geen recente verificatoire en financiële bescheiden heeft overgelegd op grond waarvan zijn draagkracht kan worden berekend.

De rechtbank overweegt dat door de man is nagelaten recente informatie in het geding te brengen en hij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de door hem te ontvangen inkomsten. Ook heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen huurinkomsten meer ontvangt, nu door hem enerzijds enkel is gesteld dat de betreffende woning is overgedragen aan zijn huidige echtgenote terwijl door hem anderzijds is aangegeven dat hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. De man heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij de woning heeft verkocht aan zijn echtgenote waardoor hij thans huurinkomsten misloopt. De rechtbank zal derhalve bij het vaststellen van de draagkracht wel rekening moeten houden met de huurinkomsten die de man had kunnen hebben. Deze huurinkomsten zijn thans echter niet vast te stellen nu de man, ondanks het gevoerde verweer, daarover geen recente stukken in het geding heeft gebracht.

Door de man is voorts – ondanks het door de vrouw gevoerde verweer - geen recente informatie overgelegd met betrekking tot de pensioen-inkomsten die hij ontvangt uit Duitsland. Hij heeft slechts een schrijven van de Deutsche Rentenversicherungs Bund uit 2010 in het geding gebracht. Niet kan worden vastgesteld wat de huidige pensioeninkomsten zijn.

De stelling van de man dat er nimmer een polis bij Nationale Nederlanden is geweest, hetgeen door de vrouw uitdrukkelijk wordt betwist, wordt eveneens niet door stukken onderbouwd. Mede in het licht van hetgeen de man heeft gesteld in eerdere procedures en de overwegingen dienaangaande in voornoemde beschikkingen had het op de weg van de man gelegen om hierin duidelijkheid te verschaffen. De rechtbank slaat daarbij in het bijzonder acht op de overweging 4.8.2 van het Hof Den Bosch d.d. 1 oktober 2008 waar vermeld staat dat de man ter zitting heeft betoogd dat hij een levensverzekering heeft afgesloten bij Nationale Nederlanden, alsmede de overweging van de rechtbank Maastricht (3.2.1) d.d. 9 oktober 2012 waar de man heeft erkend dat hij de polis bij Nationale Nederlanden na enige tijd heeft stopgezet. Dit impliceert dat er een polis moet zijn bij Nationale Nederlanden waaruit – enige – inkomsten moeten vloeien en de man had in elk geval – in het licht van zijn eerdere uitlatingen aan de hand van stukken aannemelijk moeten maken dat en waarom er toch geen polis is bij Nationale Nederlanden.

Daarnaast heeft de man geen helderheid kunnen geven over zijn feitelijke huurlasten. Op het verweer van de vrouw dat de overgelegde huurovereenkomst ziet op de huur van een tijdelijke vakantiewoning en dus geen permanente bewoning heeft de man niet gereageerd. Ook het verweer van de vrouw dat dit huuradres niet overeenkomt met het adres van de belastingdienst, dat er slechts twee kwitanties zijn van maart en april en dat de handtekening op die kwitanties wel erg lijkt op de handtekening van mevrouw [naam echtgenote], de echtgenote van de man, is onvoldoende weerlegd.

Voornoemde informatie voorziening rekent de rechtbank de man extra zwaar aan in het licht van de beschikking van 9 oktober 2012 waarin de rechtbank de man heeft voorgehouden dat de man bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn huurinkomsten. De rechtbank wijst hierin op het bepaalde in artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

De rechtbank is gezien het vorenstaande dan ook van oordeel dat, nu de stellingen van de man door de vrouw uitdrukkelijk worden betwist en de rechtbank voorts, bij gebreke aan recente onderliggende stukken ter onderbouwing van het door de man gestelde, de omvang van het door de man daadwerkelijk genoten inkomen en zijn lasten niet kan vaststellen, het verzoek van de man dient te worden afgewezen.

5.4.

De proceskosten

5.4.1.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst het verzoek af;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. van Blaricum, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 1 september 2014 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

be

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.