Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7959

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-09-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
3368113 CV EXPL 14-9333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0120
AR 2015/309
AR 2015/312

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3368113 CV EXPL 14-9333

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 15 september 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende [adres 1]

,

eisende partij,

gemachtigde mr. D.J.B. Loo

tegen

[gedaagde], ten deze handelend onder de naam [naam],

gevestigd [adres 2]

,

gedaagde partij,

gemachtigde M.C. Lahaije.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de aanvullende producties ingezonden namens [eiseres]

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op

8 september 2014

- de pleitnota aan de zijde van [eiseres].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat vast dat [eiseres] sinds 1 juli 2008 krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst bij [gedaagde] in dienst is in de functie van pedagogisch medewerker.

2.2.

Op 31 juli 2014 hebben [eiseres] en [gedaagde] een beëindigingsovereenkomst gesloten, inhoudende dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2014 eindigt.

[eiseres] behoudt over de periode 1 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 aanspraak op loon, doch is vrijgesteld van haar werkzaamheden.

2.3.

Als uiterste betaaldatum van het loon over een maand heeft te gelden de eerste dag van de volgende maand.

2.4.

Het loon over de maand juli 2014 heeft [gedaagde] eerst bij betaling van

4 september 2014 voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

  1. primair om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiseres] een bedrag van € 1.985,00 bruto, te vermeerderen met het vakantiegeld over de maand juli 2014, de wettelijke verhoging ad 50%, de wettelijke rente over het totaal en incassokosten (15% over de hoofdsom), allen tot de dag der algehele voldoening;

  2. subsidiair om een ander door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag inclusief vakantiegeld te betalen aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente over het totaal en incassokosten (15% over de hoofdsom), allen tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. aan [eiseres] een deugdelijke en concrete bruto/netto specificatie over de maand
    juli 2014 ter hand te stellen binnen één week na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 75,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] nalaat hieraan te voldoen;

  4. indien en voor zover [gedaagde] niet binnen drie werkdagen nadat [eiseres] [gedaagde] bij aangetekend schrijven heeft gesommeerd en in gebreke heeft gesteld, het salaris betaalt en in gebreke mocht blijven de salarisbetalingen tot 1 oktober 2014 te betalen, [gedaagde] reeds nu en voor alsdan te veroordelen tot betaling, deze betaling te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente over het totaal;

  5. indien en voor zover [gedaagde] in gebreke mocht blijven om vóór 1 oktober 2014 een afschrift te verstrekken van de achttien meest recente en deugdelijke bruto/netto specificaties, [gedaagde] niet binnen drie werkdagen, nadat [eiseres] [gedaagde] bij aangetekend schrijven heeft gesommeerd en in gebreke heeft gesteld, tot afgifte van de specificaties in gebreke mocht blijven de specificaties af te geven, [gedaagde] reeds nu en voor alsdan te veroordelen tot afgifte binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 75,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] nalaat hieraan te voldoen alsmede tot betaling van de door [eiseres] te lijden schade met dien verstande dat de salarisspecificaties over augustus en september 2014 eens van het einde van die maand opeisbaar zijn;

  6. in de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover relevant – worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, gelet op de aard van de zaak, spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

4.2.

De kantonrechter stelt vervolgens vast dat ter zitting is gebleken dat [gedaagde] het nog verschuldigd zijnde loon over de maanden juli, augustus en september 2014 alsmede het opgebouwde vakantiegeld aan [eiseres] heeft voldaan. Door de gemachtigde van [gedaagde] is ter zitting desgevraagd toegelicht dat de betaling die op 1 september 2014 is verricht, ziet op het loon over de maand augustus 2014. Deze betaling was meegenomen in het reguliere betaalsysteem. Op 4 september 2014 zijn eveneens twee bedragen aan [eiseres] overgeboekt waarvan het bedrag ad € 1.463,82 ziet op het loon over de maand juli 2014 en het bedrag ad € 1880,44 op het loon over september 2014 alsmede de eindafrekening, inclusief vakantiegeld. Voorafgaande aan de zitting heeft [gedaagde] alle bruto/netto berekeningen over de maanden januari 2013 tot en met juni 2014 en augustus 2014 aan [eiseres] per e-mail laten toekomen. De bruto/netto berekening over de maand juli 2014 heeft de gemachtigde van [gedaagde] ter zitting aan [eiseres] overhandigd. Het vorenstaande heeft ertoe geleid dat [eiseres] haar vorderingen die op het vorenstaande betrekking hadden, heeft ingetrokken. Derhalve resteren thans nog de vorderingen van [eiseres] die zien op de vergoeding van de wettelijke verhoging van 50 % over het te laat betaalde loon, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten alsmede de proceskosten.

4.3.

[gedaagde] heeft niet betwist dat zij over juli 2014 loon is verschuldigd aan [eiseres] en dat zij dit niet tijdig – dat wil zeggen uiterlijk op 1 augustus 2014 – heeft betaald. [eiseres] maakt om die reden aanspraak op de wettelijke verhoging van 50%. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 7:625, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) de werknemer bij niet tijdige betaling van het loon recht heeft op een wettelijke verhoging die als volgt is opgebouwd: over de eerste drie dagen is geen wettelijke verhoging verschuldigd, vanaf de vierde tot en met de achtste werkdag bedraagt de wettelijke verhoging 5% per dag en voor elke volgende werkdag 1%, met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde bedrag te boven gaat. Het maximum van 50% is bijgevolg pas na 33 werkdagen na de dag waarop het loon verschuldigd werd, bereikt. Nu vast staat dat op 4 september 2014 het verschuldigde loon over juli 2014 is betaald, zijnde 25 werkdagen nadat betaald had moeten zijn, is voormeld maximum van 50% niet bereikt. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging dan ook tot 4 september 2014 toewijzen over het brutoloon ad € 1.958,00 met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:625, eerste lid, BW. In hetgeen namens [gedaagde] ter zitting naar voren is gebracht aangaande de omstandigheid waaronder niet tijdig is betaald, begrijpt de kantonrechter dat daarmee een beroep wordt gedaan op matiging van de wettelijke verhoging. Als reden voor de niet tijdige betaling is naar voren gebracht dat de accountant, die in het kader van de afwikkeling van de beëindigingsovereenkomst opdracht had gekregen alle financiële zaken met [eiseres] af te handelen voor 31 augustus 2014, dit vanwege persoonlijke omstandigheden niet heeft gered. Daarbij was de heer [naam accountant], waarmee [eiseres] per e-mail contact heeft gezocht vanwege de niet tijdige betaling van het loon, op dat moment met vakantie. Deze omstandigheden dienen naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening en risico van [gedaagde] te blijven en kunnen niet op [eiseres] worden afgeschoven. Daarbij ziet de kantonrechter niet in waarom het salaris van [eiseres] niet is meegenomen in de reguliere salarisbetaling zoals dit bij de mand augustus 2014 – zo is ter comparitie gebleken – wel het geval was. Voor matiging van de wettelijke verhoging wordt geen aanleiding gezien.

4.4.

Ten aanzien van de wettelijke rente over het niet tijdig betaalde loon, overweegt de kantonrechter dat vast staat dat [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2014 in verzuim is met de tijdige betaling daarvan. Derhalve is zij met ingang van die datum tot aan

4 september 2014 wettelijke rente over het loon verschuldigd. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, omdat gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van dit bedrag op een eerder tijdstip het verzuim is ingetreden.

4.5.

[eiseres] vordert een bedrag ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Deze vergoeding zal echter worden afgewezen, omdat [eiseres] heeft nagelaten onderbouwd te stellen waaruit de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden hebben bestaan.

4.6.

[gedaagde] zal, ondanks dat inmiddels grotendeels aan de oorspronkelijk ingestelde vorderingen is voldaan, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Een en ander heeft immers eerst na sommatie en dagvaarding plaatsgevonden. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 104,80

- griffierecht € 77,00

- gemachtigde salaris € 600,00

totaal € 781,80.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente over het niet tijdig betaalde bruto loon ad € 1.958,00 vanaf 1 augustus 2014 tot 4 september 2014;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de tot 4 september 2014 conform artikel 7:625, eerste lid, van het BW opgelopen wettelijke verhoging over het bruto loon ad € 1.958,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 781,80;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken.

Type: SM