Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7931

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
03/700752-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden terzake van het openlijk in vereniging geweld plegen jegens een niet in functie zijnde politieagent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700752-13

Datum uitspraak: 12 september 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te[geboortegegevens verdachte],

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Raadsman is mr. I. Beugelsdijk, advocaat te Oosterhout.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 29 augustus 2014.

De rechtbank heeft op 29 augustus 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam benadeelde partij 1] met kracht heeft/hebben geduwd en/of heeft/hebben bespoten met pepperspray, in elk geval met een bijtende en/of brandende (vloei)stof en/of heeft/hebben geslagen met een (zware) ketting, in elk geval (van korte afstand) met voornoemde ketting zwaaiende en/of slaande bewegingen heeft/hebben gemaakt naar die [naam benadeelde partij 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Moletteplein en/of Pergamijndonk en/of Speciedonk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit het (met kracht) duwen van die [naam benadeelde partij 1] en/of uit het spuiten met pepperspray, in elk geval met een bijtende/brandende (vloei)stof, naar die [naam benadeelde partij 1] en/of uit het slaan met een ketting op die [naam benadeelde partij 1], in elk geval (van korte afstand) met voornoemde ketting zwaaiende en/of slaande bewegingen maken naar die [naam benadeelde partij 1], en welk door hem en/of zijn mededader gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [naam benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam benadeelde partij 1]) met kracht heeft/hebben geduwd en/of heeft/hebben bespoten met pepperspray, in elk geval met een bijtende en/of brandende (vloei)stof en/of heeft/hebben geslagen met een (zware) ketting waardoor voornoemde [naam benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 30 november 2013 in de gemeente Heerlen opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [naam getuige 2], zodanig heeft geduwd dat die [naam getuige 2] (met een bril op) (zich) met haar hoofd/gezicht tegen een deur heeft/is gestoten/gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd terzake van het onder 1 primair tenlastegelegde, nu de in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen noch op zichzelf noch in samenhang bezien de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren. Wel acht de officier van justitie het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Voor het bewijs acht de officier van justitie redengevend de aangifte van [naam benadeelde partij 1], de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] alsmede de herkenning van verdachte door [naam benadeelde partij 1] aan de hand van een in een briefing getoonde foto.

Voorts acht de officier van justitie het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [naam getuige 2] en de verklaringen van de getuigen

[naam getuige 3] en [naam getuige 1].

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een groot aantal details uit het dossier genoemd, zonder daaraan een ondubbelzinnige conclusie te verbinden. De rechtbank zal zich bij het bespreken van de verweren beperken tot de verweren waaraan de raadsman wel een ondubbelzinnige conclusie heeft verbonden.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat:

- de herkenning van verdachte door [naam benadeelde partij 1] op 11 december 2013 van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu aangever mogelijk beïnvloed is doordat reeds op 1 november 2013 aan [naam benadeelde partij 1] 315 personen uit de fotodatabase Amazone zijn getoond. De foto van verdachte maakte deel uit van deze database;

- de verklaringen van de getuige [naam getuige 2] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. [naam getuige 2] koestert allereerst rancuneuze gevoelens jegens verdachte, reden waarom zij hem ten onrechte heeft belast. Voorts heeft [naam getuige 2], in strijd met de waarheid, bij de rechter-commissaris verklaard geen drugs te gebruiken en na het verbreken van de relatie met verdachte geen affectieve relatie meer te hebben gehad;

- bij bewijsuitsluiting van de verklaringen van [naam getuige 2] de bewezenverklaring, gelet op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak [V.] tegen Nederland (nr. 29353/06, 10 juli 2012), niet in belangrijke mate gestoeld kan worden op de verklaring van getuige [naam getuige 1], daar [naam getuige 1] zich bij de rechter-commissaris heeft beroepen op haar verschoningsrecht ten gevolge waarvan de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [naam getuige 1] te doen horen omtrent haar voor verdachte belastende verklaring;

- uit de telecomgegevens van 1 november 2013 volgt dat verdachte op 1 november 2013, omstreeks 13:25 uur, niet op de plaats delict aanwezig kon zijn;

- medeplegen niet bewezen kan worden, nu geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte;

- met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde: de genoemde geweldshandelingen niet kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel;

- met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde: verdachte geen significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de door medeverdachte gepleegde geweldshandelingen;

- met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde: niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen schoenzoolafdrukken in de voortuin van [naam benadeelde partij 1] zijn veroorzaakt door de schoenen van verdachte.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde eveneens vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de handelwijze van verdachte, namelijk het duwen van [naam getuige 2], geen (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van pijn en/of letsel oplevert. Voorts kan volgens de raadsman [naam getuige 2] niet worden aangemerkt als ‘levensgezel’ in de betekenis die de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad aan dit begrip toekent.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Het bewijs1

Op zaterdag 2 november 2013 deed [naam benadeelde partij 1] (hierna ook: aangever) aangifte terzake van (zware) mishandeling dan wel openlijke geweldpleging.2 [naam benadeelde partij 1], politieagent van beroep, was op 1 november 2013, omstreeks 13:30 uur, zijn hond aan het uitlaten op/aan het Moletteplein te Maastricht. Om de bal van de hond weg te kunnen gooien, had aangever een plastic werpstok bij zich. Terwijl aangever doende was met het uitlaten van zijn hond, hoorde hij dat een scooter met twee opzittenden hem van links naderde. Toen de scooter aangever passeerde hoorde hij dat één van de opzittenden zei: ‘Die wout neemt jouw kenteken’. Vervolgens zag hij dat de snelheid van de scooter verminderde, dat de bestuurder de scooter keerde en dat de scooter wederom in zijn richting kwam gereden.3 Nog voordat de scooter voor aangever tot stilstand was gekomen, sprong de passagier van de scooter. Al schreeuwend en zwaaiend met zijn armen liep de passagier naar aangever. Aangever zag dat de passagier hem met één van zijn handen met kracht achteruit duwde. De bestuurder van de scooter had de scooter inmiddels op de standaard gezet.4 Vervolgens zag aangever dat de passagier een voorwerp, qua kleur en afmeting gelijkend op een busje pepperspray, uit de linkerbinnenzak van zijn jas pakte. De passagier richtte de spuitbus op het gezicht van aangever, waarna aangever een spuitend geluid hoorde en een prikkelende lucht in zijn neus rook. Doordat aangever een ontwijkende beweging maakte, kwam de vloeistof alleen op zijn rechterarm/borstkas terecht. Teneinde zich te verdedigen sloeg aangever de passagier met de plastic werpstok vol in het gezicht, waardoor het gezicht van de passagier begon op te zwellen. Daarna zag aangever dat de passagier een ijzeren ketting van ongeveer een meter lang, afkomstig uit de buddyseat van de scooter, om zijn rechterhand/polsgewricht wikkelde.5 Met de ijzeren ketting maakte de passagier vervolgens zwaaibewegingen in de richting van aangever. De passagier slaagde er niet in om aangever te raken. Aangever deinsde achteruit en probeerde een veilige afstand te creëren tussen hem en de passagier door middel van de plastic werpstok. Toen aangever ter hoogte van de kruising Speciedonk/Pergamijndonk te Maastricht was, draaide hij zich om en rende hij in de richting van zijn woning, gelegen aan de Pergamijndonk 208 te Maastricht. Ondertussen zag hij dat de bestuurder van de scooter naar de scooter liep. De passagier zette te voet de achtervolging in op aangever en probeerde hem met de ijzeren ketting te raken. Op het moment dat aangever ter hoogte van perceel Pergamijndonk 202/204 was, zag hij dat hij door de bestuurder van de scooter werd ingehaald. De bestuurder parkeerde de scooter op het trottoir ter hoogte van de oprit van de woning van aangever.6

Aangever bleef doorrennen totdat hij op zijn eigen oprit stond. Inmiddels was ook de passagier aangekomen bij de oprit van aangever. De passagier trachtte aldaar opnieuw om aangever met de ijzeren ketting te raken. Uiteindelijk slaagde aangever erin om zijn woning in te vluchten.7

Getuige [naam getuige 4], die op 1 november 2013, omstreeks 13:30 uur met zijn personenauto over de Pergamijndonk te Maastricht reed, nam waar dat er een scooter op het trottoir voor de oprit van een woning stond.8 [naam getuige 4] wist dat in deze woning een politieman woonde. Hij zag dat een voor hem onbekende man bij de voordeur van de woning stond en dat een andere voor hem onbekende man op de scooter bleef zitten, althans vlakbij de scooter bleef staan. De man bij de scooter riep op enig moment naar de andere man: ‘Kom, kom, we gaan weg’.9 Vervolgens rende de man die bij de voordeur stond terug naar de scooter en reden beide mannen gezamenlijk weg in de richting van de Papyrussingel.10

Getuige [naam getuige 2], de ex-partner van verdachte, bevond zich op een vrijdag in de periode tussen 2 oktober 2013 en 5 november 2013 in de woning van de moeder van verdachte en zijn broer [broer verdachte], de medeverdachte in deze zaak. In de woning waren ook verdachte en medeverdachte aanwezig. Verdachte vertelde toen tegen [naam getuige 2] dat hij die dag ruzie had gehad met een man met een hond in Maastricht. Verder zei verdachte tegen [naam getuige 2] dat de man medeverdachte had geslagen met een stok waar je een balletje mee kon gooien. Vervolgens waren verdachte en medeverdachte op een scooter weggereden. [naam getuige 2] zag op de avond van het incident dat medeverdachte een blauw oog had.11

Getuige [naam getuige 1], de moeder van verdachte en medeverdachte, heeft verklaard dat verdachte en medeverdachte op 1 november 2013 haar woning binnenkwamen en dat medeverdachte direct begon te vertellen over een man met een hond. Medeverdachte vertelde tegen [naam getuige 1] dat hij en verdachte met een scooter bij een hondenlosloopgebied in Maastricht reden en dat een man met een hond constant naar het kenteken van de scooter keek. Medeverdachte dacht dat deze man een politieman was. Hij ging vervolgens verhaal halen bij de man en kreeg van de man direct een klap. Daarna rende de man weg en liet hij zijn hond achter bij het hondenlosloopgebied. [naam getuige 1] nam waar dat het oog van medeverdachte gezwollen was en ietwat blauw van kleur.12

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt dat de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] ieder afzonderlijk een gedetailleerde, daderkennis bevattende verklaring hebben afgelegd. Deze verklaringen stemmen onderling overeen en stroken bovendien met de verklaring van aangever, bijvoorbeeld ten aanzien van de aanleiding van het incident alsmede ten aanzien van het letsel dat medeverdachte aan de slag met de plastic werpstok heeft overgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de aangifte derhalve in voldoende mate steun in de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2]. De rechtbank concludeert dat verdachte en medeverdachte de personen zijn, in de hoedanigheid van bestuurder respectievelijk passagier van de scooter, die aangever op 1 november 2013 hebben belaagd.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling (primair tenlastegelegde) dan wel een openlijke geweldpleging (subsidiair tenlastegelegde) dan wel het medeplegen van een mishandeling (meer subsidiair tenlastegelegde).

De rechtbank is van oordeel dat de onder het primair tenlastegelegde genoemde geweldshandelingen in de gegeven omstandigheden noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van aangever kunnen opleveren. Dientengevolge zal de rechtbank verdachte van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Voor een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde, het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen aangever, is vereist dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. De rechtbank overweegt dat, hoewel medeverdachte degene is geweest die aangever heeft geduwd, hem met een bijtende/brandende vloeistof heeft bespoten en zwaaiende bewegingen met een ijzeren ketting in zijn richting heeft gemaakt, verdachte een essentiële en onmisbare rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van deze geweldshandelingen. Verdachte heeft namelijk als bestuurder de scooter gekeerd, is daarna in de richting van aangever gereden en heeft de snelheid van de scooter verminderd, opdat voor medeverdachte de gelegenheid bestond om van de scooter af te springen en aangever te attaqueren. Toen aangever op de kruising van de Pergamijndonk/Speciedonk dreigde te ontkomen, is verdachte op de scooter gestapt, heeft hij aangever met de scooter ingehaald en heeft hij de scooter, zo blijkt uit de verklaring van aangever en de verklaring van getuige [naam getuige 4], geparkeerd op het trottoir ter hoogte van de oprit van de woning van aangever. Door aldus te handelen heeft verdachte actief bijgedragen aan het insluiten van aangever op de oprit van zijn woning. Op de oprit kwam het vervolgens opnieuw tot een confrontatie tussen medeverdachte en aangever. Het vooroverwogene wettigt naar het oordeel van de rechtbank de gevolgtrekking dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage aan het door de medeverdachte gepleegde geweld heeft geleverd.

Op grond van de verklaring van [naam benadeelde partij 1] en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 4], [naam getuige 2] en [naam getuige 1], in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam benadeelde partij 1].

De rechtbank acht, bij gebrek aan wettig bewijs, niet wettig en overtuigend bewezen dat het gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor aangever ten gevolge heeft gehad, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreekt.

Overige feiten en omstandigheden

Het dossier bevat een aantal feiten en omstandigheden die niet voor het bewijs gebezigd worden, maar de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wel ondersteunen.

Allereerst wijst de rechtbank op de omstandigheid dat aangever verdachte op 11 december 2013 heeft herkend als bestuurder van de scooter aan de hand van een tijdens een briefing getoonde foto. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het onderzoek naar de tijdens het voorval gebruikte scooter. Aangever en de getuige [naam getuige 4] hebben het merk (Peugeot), type (Vivacity, de kleur (paars/blauw/beige) en enkele letters en cijfers van het kenteken (FK en 8) van deze scooter beschreven. Uit nader onderzoek is gebleken dat een scooter van het merk Peugeot, type Vivacity met kenteken [naam kenteken] op naam stond van getuige [naam getuige 2]. Een scooter van voornoemd merk en type en paars/blauw/wit van kleur werd vervolgens op 5 november 2013 aangetroffen in het perceel alwaar getuige [naam getuige 2] woonachtig was. Verdachte, die op dat moment in de woning van [naam getuige 2] verbleef, bleek over de contactsleutel van de scooter te beschikken en verklaarde desgevraagd dat hij wel eens van de scooter gebruik had gemaakt. Ook werd in de buddyseat van de scooter een stalen gevlochten ketting van 104 centimeter aangetroffen.

Bespreking van de verweren van de raadsman

Hoewel uit de hiervoor weergegeven bespreking van het bewijs al blijkt dat de rechtbank de verweren van de raadsman verwerpt, zal zij hierna aangeven om welke redenen zij dat doet.

Betrouwbaarheid verklaringen getuige [naam getuige 2] en de uitspraak van het EHRM in de zaak [V.] tegen Nederland

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de getuige [naam getuige 2] als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt en derhalve van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het eerste argument dat deze conclusie zou moeten schragen, namelijk dat [naam getuige 2] uit rancune verdachte ten onrechte heeft belast, ontbeert naar het oordeel van de rechtbank elke feitelijke grondslag in het dossier en berust derhalve louter op speculatie. Voorts overweegt de rechtbank dat het feit dat de getuige [naam getuige 2], klaarblijkelijk in strijd met de waarheid, bij de rechter-commissaris heeft verklaard geen drugs te gebruiken en na het verbreken van de relatie met verdachte geen affectieve relatie meer te hebben gehad, nog niet maakt dat haar verklaringen ten aanzien van het tenlastegelegde als onbetrouwbaar dienen te worden bestempeld. De verklaring van getuige [naam getuige 2], afgelegd bij de politie, kan voor het bewijs worden gebezigd.

Bij deze stand van zaken kan de verklaring van getuige [naam getuige 1], hoewel de verdediging haar bij de rechter-commissaris niet heeft kunnen ondervragen, eveneens voor het bewijs worden gebruikt, nu de betrokkenheid van verdachte in voldoende mate steun vindt in de verklaring van getuige [naam getuige 2] en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen uit haar verklaring die door verdachte zijn betwist. Het door de raadsman gedane beroep op de uitspraak van het EHRM in de zaak van [V.] tegen Nederland slaagt derhalve niet.

Telecomgegevens

Uit de telecomgegevens van 1 november 2013 blijkt dat de telefoon van verdachte op

1 november 2013 omstreeks 12:47:22 een zendmast aan de Geerstraat te Heerlen heeft aangestraald. Volgens de rechtbank rechtvaardigt deze omstandigheid niet de conclusie dat verdachte op 1 november 2013 niet op de plaats delict kon zijn. De door de raadsman aan de rechtbank overgelegde uitdraai van ‘Google Maps’ gaat immers uit van vervoer per fiets en sluit aldus niet uit dat verdachte in de tijdsspanne tussen 12:47:22 uur en 13:30 uur met een brommer/scooter of met de auto naar Maastricht is gereden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verdachte, zo blijkt uit zijn verklaring bij de politie, zijn telefoon regelmatig uitleent, zodat het geenszins ondenkbaar is dat een ander dan verdachte op 1 november 2013 beschikte over de telefoon van verdachte.

Daderschap van [naam ex partner van getuige 2] en/of [B.C.]

De raadsman heeft betoogd dat (onder meer) op basis van de verklaring van de getuige [naam getuige 4] en de verklaring van een anonieme getuige moet worden aangenomen dat

[naam ex partner van getuige 2], een ex-partner van getuige [naam getuige 2], en/of [B.C.], iemand die kennelijk rond de tijd van het incident een verwonding in zijn gezicht had, het tenlastegelegde heeft/hebben begaan. Dit verweer van de raadsman wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en de daarop gegronde bewijsoverwegingen.

Feit 2

Uit het dossier blijkt niet wie van de verdachten de ruit heeft ingegooid. Dit hoeft geen beletsel voor een bewezenverklaring te zijn, maar noodzakelijk is dan wel dat blijkt van een gezamenlijk opzet om de ruit in te gooien. De rechtbank heeft een dergelijke opzet voor wat betreft het onder 1 subsidiair tenlastegelegde aanwezig geacht omdat de bestuurder van de bromfiets [naam benadeelde partij 1] mede heeft ingesloten. Hieruit blijkt volgens de rechtbank dat er een gezamenlijk opzet bestond om [naam benadeelde partij 1] iets te willen aandoen. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen of beide verdachten de ruit wilden ingooien. Medeplegen van vernieling kan derhalve niet worden bewezen. Nu bovendien op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld wie van de verdachten een steen door de ruit heeft gegooid, valt evenmin te bewijzen dat één van de verdachten zich alleen aan het plegen van dit strafbare feit heeft schuldig gemaakt. Bijgevolg spreekt de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Feit 3

De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, nu het bewijs dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van het pijn en/of letsel aan [naam getuige 2] had, ontbreekt. Daarbij overweegt de rechtbank dat [naam getuige 2] in haar aangifte niets heeft verklaard omtrent de kracht waarmee verdachte haar van achteren tegen de rug duwde, zodat geen uitspraak kan worden gedaan over de grootte van de kans dat [naam getuige 2] als gevolg daarvan tegen de deurpost zou vallen. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het tenlastegelegde.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

subsidiair

op 1 november 2013 in de gemeente Maastricht met een ander, op of aan de openbare weg, het Moletteplein en Pergamijndonk en Speciedonk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit het met kracht duwen van die [naam benadeelde partij 1] en uit het spuiten met een bijtende/brandende vloeistof, naar die [naam benadeelde partij 1] en uit het van korte afstand met een ketting zwaaiende en/of slaande bewegingen maken naar die [naam benadeelde partij 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de op te leggen straf rekening te houden met de omstandigheid dat aangever een bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Voorts heeft de raadsman gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Arnhem, waarin iemand werd veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren terzake van mishandeling van een politieagent in functie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich op 1 november 2013 te Maastricht schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen jegens [naam benadeelde partij 1]. [naam benadeelde partij 1], die in het dagelijks leven het beroep van politieman uitoefent, was op 1 november 2013 in zijn vrije tijd zijn hond aan het uitlaten, toen hij door verdachte en zijn broer werd ingesloten en op een uiterst agressieve manier fysiek belaagd, omdat zij dachten dat [naam benadeelde partij 1] het kenteken van hun scooter zou opnemen. Zelfs toen [naam benadeelde partij 1] naar zijn woning probeerde te ontkomen, zijn verdachte en de medeverdachte hem gevolgd en hebben ze hem daar opnieuw belaagd.

Verdachte en medeverdachte hebben door hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam benadeelde partij 1] en hem tevens, zo blijkt uit de door hem opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring, ernstig geestelijk leed berokkend. [naam benadeelde partij 1] kampt met heftige gevoelens van angst en onbehagen. Ook heeft het voorval de ernstig zieke vrouw van [naam benadeelde partij 1] niet onberoerd gelaten. Daarnaast heeft het handelen van verdachte en medeverdachte, zeker nu verschillende getuigen het voorval hebben gadeslagen, bijgedragen aan algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit alles rekent de rechtbank verdachte ernstig aan.

Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) terzake van het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen, welk oriëntatiepunt, indien geen sprake is van enig letsel bij het slachtoffer, een taakstraf voor de duur van 150 uren inhoudt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit oriëntatiepunt geen recht doet aan de omstandigheden in de onderhavige zaak.

Immers, het bewezenverklaarde feit is begaan tegen een politieagent, die op dat moment niet in functie was, vanwege het feit dat hij politieagent was. De rechtbank wenst door de op te leggen straf tot uitdrukking te brengen dat zij het van bijzonder belang acht dat een overheidsfunctionaris in zijn vrije tijd niet bevreesd hoeft te zijn voor personen die hem vanwege zijn beroep menen te moeten belagen. Voorts neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in aanmerking dat verdachte blijkens zijn strafblad in de afgelopen vijf jaren eenmaal eerder is veroordeeld tot een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren terzake van geweldsdelicten.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en voornoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met oplegging van een taakstraf, zodat zij zal overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf.

Bij de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat medeverdachte degene is geweest die de daadwerkelijke geweldshandelingen jegens het slachtoffer heeft verricht. Verdachte heeft weliswaar aan de totstandkoming van deze geweldshandelingen bijgedragen, maar is verder - op het insluiten na - passief gebleven. De visie van de raadsman, inhoudende dat [naam benadeelde partij 1] door het slaan van medeverdachte met een plastic werpstok heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het geweld, hetgeen strafmitigerend dient te werken, deelt de rechtbank niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat het handelen van [naam benadeelde partij 1] weliswaar niet de-escalerend heeft gewerkt, maar dat zijn reactie, bezien in het licht van de onverhoedse aanval van medeverdachte, alleszins begrijpelijk en gerechtvaardigd is.

Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend. Zij zal die straf dan ook aan verdachte oplegging met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam getuige 2] vordert een schadevergoeding van € 857,31 terzake van feit 3. Voornoemd bedrag heeft betrekking op de geleden materiële schade.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [naam getuige 2] niet-ontvankelijk in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering betrekking heeft.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

  • -

    heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam getuige 2], p/a [adres], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam getuige 2] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.A. Crompvoets, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster, en

mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Bouts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 september 2014.

Buiten staat

Mr. L.J.A. Crompvoets is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700752-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 12 september 2014 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te[geboortegegevens verdachte],

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. I. Beugelsdijk, advocaat te Oosterhout.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd pagina 1 t/m 465 d.d. 10 februari 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 84

3 Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 85/86

4 Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 86

5 Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 87/89

6 Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 88

7 Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 89

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 4] d.d. 3 november 2013, p. 119

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 4] d.d. 3 november 2013, p. 119/120

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 4] d.d. 3 november 2013, p. 121

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 2] d.d. 15 december 2013, p. 154/155

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 1] d.d. 24 december 2013