Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7911

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_2521u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit ‘milieu’, voor het oprichten van twee vleesvarkensstallen voor het houden van (1.536 + 1.440 =) 2.976 vleesvarkens met een huisvestingssysteem D 3.2.15.4.2 en biologische gecombineerde luchtwassers. In de beoogde situatie vervalt de eerdere vergunning voor 504 vleesvarkens, krijgt de ‘oude’ stal in de nieuwe opzet de functie als opslag en berging en worden de bestaande mestputten afgedekt. De rechtbank stelt vast dat de inrichting waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, de eerder vergunde gedeeltelijk, voor zover het betreft de oude stal, overlapt en dat er daarnaast sprake is van een uitbreiding. Dat is de door verweerder bij de beoordeling in aanmerking genomen situatie en daarmee is aan die vergunningaanvraag ook recht gedaan. Gelet op de ruimtelijke overlapping en het ongewijzigd blijven van de bedrijvigheid, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat de aanvraag een nieuwe inrichting betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 13/2521

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2014 in de zaak tussen

Maatschap [eiser],

[eiser],

[eiser],

[eiser],

[eiser],

[eiser],

allen wonende te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Maatschap [derde belanghebbende], te [plaats]

(gemachtigde: mr. P.M.E.P.J. Joosten).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de maatschap [derde belanghebbende] (verder: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het uitbreiden van een vleesvarkensbedrijf aan de[straatnaam] te [plaats].

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014. Van eisers zijn verschenen [eiser] (met haar zoon), [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.F.E. Kees en ing. E.P.M. Giebelen. Voor vergunninghoudster is [vergunninghoudster] verschenen.

Overwegingen

1.

Op 17 december 2003 is voor een vleesvarkensbedrijf aan de [straatnaam] te [plaats] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (Wm) verleend. De daarbij vergunde situatie omvatte de rechten voor een inrichting met 504 vleesvarkens in een huisvestingssysteem

D 3.100.2. Het bedrijf was gevestigd aan de [straatnaam] te [plaats] en kadastraal bekend gemeente Helden, [sectie], nummers [nummer], [nummer] en [nummer].

Op 26 april 2012 heeft verweerder een aanvraag van vergunninghoudster ontvangen voor het oprichten van twee vleesvarkensstallen voor het houden van (1.536 + 1.440 =) 2.976 vleesvarkens met een huisvestingssysteem D 3.2.15.4.2 en biologische gecombineerde luchtwassers. In de beoogde situatie vervalt de eerdere vergunning voor 504 vleesvarkens, krijgt de ‘oude’ stal in de nieuwe opzet de functie als opslag en berging en worden de bestaande mestputten afgedekt. Het bedrijf is gevestigd aan de [straatnaam] te [plaats], kadastraal bekend Helden, [sectie], nummers [nummer] en [nummer] gedeeltelijk.

2.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van de aanvraag van 26 april 2012 aan vergunninghoudster op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e (onder 2º), van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit ‘milieu’ verleend. De door eisers ingebrachte zienswijzen hebben op enkele punten geleid tot wijziging van de ontwerp-omgevingsvergunning en tot extra controlevoorschriften voor het aspect geluid.

3.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2º (en 3º), van de Wabo is het

verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.

In het kader van de voorbereiding van de door vergunninghoudster aangevraagde omgevingsvergunning voor een inrichting waarin 2.976 vleesvarkens worden gehouden, beoordeelt het bevoegd gezag of de voorgenomen activiteiten zodanig belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben dat het opstellen van een milieueffectrapport (MER) nodig is.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wm worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden opgesteld.

Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, van de Wm zoals dit luidde ten tijde van belang, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een MER moet worden gemaakt.

Ingevolge het derde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, houdt het bevoegd gezag bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden.

4.

De in geding zijnde omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.14 van de Wabo. Dit artikel bevat de toetsingsgronden voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’. Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Hieruit volgt dat andere belangen dan bescherming van het milieu geen grond kunnen vormen voor weigering van de door vergunninghoudster gevraagde omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens onder meer artikel 2.14 van de Wabo.

Bij de toepassing van de hierboven genoemde bepalingen van de Wabo komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

5.

Het beroep voor zover het is ingesteld door [eiser] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard nu hij op ruim 500 meter afstand woont van de geplande inrichting en het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is dat hij op die afstand milieugevolgen van deze inrichting ervaart. Voor zover hierna gesproken wordt van ‘eisers’ is bedoeld: de overige eisers.

6.

Ter zitting hebben eisers de beroepsgrond dat er aan de omgevingsvergunning nog controlevoorschriften moeten worden verbonden voor fijnstof en geur, ingetrokken.

7.

Eisers voeren aan dat er geen sprake is van een verandering van de inrichting maar van het oprichten van een nieuwe, zodat ten onrechte rekening is gehouden met bestaande rechten. Daartoe verwijzen zij naar de adressen van de oude en de nieuwe vergunning en de daarbij betrokken perceelsnummers. De rechtbank stelt vast dat de inrichting waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, de eerder vergunde inrichting gedeeltelijk, voor zover het betreft de oude stal, overlapt en dat er daarnaast sprake is van een uitbreiding. Dat is de door verweerder bij de beoordeling in aanmerking genomen situatie en daarmee is aan die vergunningaanvraag ook recht gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat aspecten niet of onvoldoende bij de beoordeling van de aanvraag voor de gehele geplande inrichting zijn betrokken. Gelet op de ruimtelijke overlapping en het ongewijzigd blijven van de bedrijvigheid, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat de aanvraag het oprichten van een nieuwe inrichting en niet het veranderen van een inrichting betreft. De grond slaagt niet.

8.

Eisers hebben betoogd dat de grens van de inrichting onduidelijk is, dat daardoor sprake is van rechtsonduidelijkheid en dat de aanvraag niet voldoet aan de Regeling omgevingsrecht. De rechtbank stelt aan de hand van de gegevens van de aanvraag en het verhandelde ter zitting vast dat op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening de grens van de inrichting eenduidig is aangegeven. Uit de van de omgevingsvergunning deel uit makende rapporten blijkt bovendien dat de milieugevolgen volledig en duidelijk in kaart konden worden gebracht, waarbij geen sprake is geweest van onduidelijkheden voor uitgangsposities, meting en bepaling van milieugevolgen. Deze gronden slagen evenmin. Voor zover eisers betogen dat er planologische belemmeringen zijn voor de geplande activiteit en dat er onduidelijkheid is over bouwblok(ken) en -grenzen en de situering hiervan ten opzichte van de inrichtingsgrens, ziet dit betoog niet op het in deze procedure bestreden besluit en kan dit reeds daarom in dit geding niet slagen.

9.

Over het betoog van eisers dat een MER opgesteld had moeten worden vanwege de nabijheid van meerdere geurgevoelige objecten (woningen en bedrijfsgebouwen) en de korte afstand tot Natura 2000 gebieden, overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beoordeling waarbij is geconcludeerd dat het opstellen van een MER niet nodig is, heeft verweerder in aanmerking genomen dat voor het milieuaspect geur de gevolgen van de geplande activiteit op zichzelf ruim blijven onder de normstelling van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh); en dat bij cumulatie van de geplande activiteit met de reeds aanwezige gevolgen van andere activiteiten sprake is van een afname van de achtergrondbelasting. Verweerder concludeert ten aanzien van het aspect geur dat deels sprake is van afname, deels van een geringe toename en overall van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zodat er op die grond geen reden is een MER op te stellen. Van de zijde van eisers is geen deskundig tegenrapport ingediend en ook overigens onvoldoende onderbouwd gesteld dat verweerder in zijn beslissing niet gevolgd kan worden. Het feit dat er discussie wordt gevoerd over het gebruik van berekeningen V-Stacks leidt niet tot een andere conclusie, aangezien dit model (nog) is voorgeschreven in de Regeling geurhinder en veehouderij.

Voor zover eisers betogen dat geen aandacht is geschonken aan de ligging van en de effecten op Natura 2000 gebieden, stelt de rechtbank vast dat verweerder dienaangaande in aanmerking heeft genomen dat de ammoniakdepositie 10% afneemt en dat hierdoor ook sprake zal zijn van een afname op de in aanmerking komende Natura 2000 gebieden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat de aard en omvang van de beoogde activiteit, de ligging en samenhang met andere activiteiten, alsmede de te verwachten emissies niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die tot het opstellen van een MER noopten. Deze gronden slagen niet.

10.

Eisers betogen voorts dat in de kas aan de [straatnaam] directe ammoniakschade kan optreden en dat verweerder dienaangaande geen maatregelen heeft getroffen om dit uit te sluiten. Eisers beroepen zich daarbij op het rapport ‘Stallucht en Planten’ en de daarin opgenomen minimale afstanden tussen stallen en tuinbouwgewassen.

Indien en voor zover de in het rapport ‘Stallucht en planten’ genoemde afstanden niet in acht zijn genomen, komt de rechtbank onder verwijzing naar de relativiteitseis van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot de conclusie dat in zoverre geen sprake is van een regel die kennelijk strekt tot bescherming van de belangen van eisers nu geen van hen de eigenaar, gebruiker of anderszins rechtstreeks belanghebbende van die kas is. Die beroepsgrond slaagt dan ook niet.

11.

Eisers hebben aangevoerd dat bij het geuronderzoek de situatie van de kas en het adres [adres] (eiser [eiser]) niet goed is meegenomen. De rechtbank stelt vast dat bij het geuronderzoek de kas aan de [adres] als geurgevoelig object is meegenomen, dat uit de berekeningen blijkt dat de geurbelasting onder de aanvaardbare waarde van 28,3 OU/m³ blijft en dat wordt voldaan aan de afstandseisen van artikel 5, eerste lid, van de Wgh. Van de kant van eisers is niet gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat verweerder deze resultaten niet aan de vergunningverlening ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het geuronderzoek te twijfelen.

Met betrekking tot het adres[adres] heeft verweerder erkend dat deze woning niet in het geuronderzoek is betrokken omdat deze planologisch niet is afgesplitst. Wat daarvan ook zij, de rechtbank houdt het ervoor dat de geurbelasting bij deze woning niet substantieel zal afwijken van de woningen 41 en 41a, die wel in het onderzoek zijn betrokken en ten aanzien waarvan is vastgesteld dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is en de geurbelasting niet aan vergunningverlening in de weg staat.

Deze gronden slagen dan ook niet.

12.

Eisers hebben verder betoogd dat onvoldoende is gemotiveerd dat er een noodzaak is om ontheffing te verlenen voor het incidenteel afvoeren van mest en varkens gedurende de nacht, welke incidentele bedrijfssituatie leidt tot een belasting van 64 dB(A) op[adres]. Eisers hebben een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB0342), waaruit naar de mening van eisers volgt dat sprake moet zijn van een noodzakelijke en onvermijdelijke activiteit.

13.

Verweerder heeft bij de beoordeling van het geluidaspect de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

Paragraaf 5.3 van de Handreiking biedt de mogelijkheid om voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie met een beperkte frequentie met een bestuurlijke afweging een grotere geluidbelasting toe te staan dan de geluidbelasting die optreedt in de representatieve bedrijfssituatie. In paragraaf 5.3 worden als omstandigheden die van belang zijn voor de door het bevoegd gezag te verrichten bestuurlijke afweging genoemd het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, de hoogte van het geluidniveau (absoluut en relatief), de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de betreffende activiteit, de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het al dan niet vóórkomen van incidentele bedrijfssituaties.

14.

De rechtbank stelt vast dat het gaat om incidentele uitzonderingen waarbij wordt geladen vanaf 6 uur in de ochtend en dat in de voorschriften is voorzien in een melding vooraf en in het bijhouden van een logboek voor deze incidentele bedrijfssituaties. Verweerder heeft de bestuurlijke afweging gemaakt om de gevraagde ontheffing te verlenen en daarbij is de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid één van de af te wegen belangen geweest. Hetgeen eisers stellen, zonder deskundig tegenrapport, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat verweerder dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, gelet op de ontheffingsregeling in paragraaf 5.3 van de Handreiking, verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontheffing in de voorschriften 6.3.1 tot en met 6.3.5 toereikend is ter voorkoming, dan wel ter voldoende beperking van geluidhinder als gevolg van het verladen van dieren en het afvoeren van mest in de nachtperiode. Deze grond slaagt niet.

15.

Eisers vrezen tot slot voor gezondheidsrisico’s voor omwonenden en verwijzen daarbij naar het kabinetsstandpunt inzake de omvang van intensieve veehouderij en schaalgrootte, voor zover daarvan blijkt uit een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 14 juni 2013, waaruit volgt dat intensieve veehouderij schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid, terwijl de GGD adviseert geen intensieve veehouderij binnen een straal van 250 meter van gevoelige bestemmingen toe te laten en de VNG daarvoor een afstand van 200 meter adviseert.

Verweerder heeft in dit specifieke geval de gezondheidsrisico’s van het in werking zijn van deze inrichting niet zodanig groot geacht dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden dan wel dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. In dit verband heeft verweerder er op gewezen dat aan de vergunning voorschriften zijn verbonden om de hygiëne te waarborgen en dat niet is gebleken van gezondheidsrisico’s die verder gaande voorschriften noodzakelijk maken.

16.

Indien door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wm als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de stand van de wetenschap tekortschoot om duidelijke uitspraken over de gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van een veehouderij als de onderhavige te kunnen doen. Ook overigens is door eisers niet gewezen op algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten waaruit ten tijde van het bestreden besluit had moeten worden geconcludeerd dat de beoordeling van verweerder over de gezondheidsrisico’s geen stand kan houden. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

17.

Het beroep van eisers is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van [eiser] niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van de overige eisers ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout (voorzitter), mr. R.J.G.H. Seerden en R.M.M. Kleijkers (leden), in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2014.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier

w.g. Th.M. Schelfhout,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 september 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.