Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7846

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
C/03/126597 / S RK 08-136
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is er in de zaak nog een taak voor de rechtbank om de voorliggende verzoeken verder te behandelen en te beslissen? Sprake van prorogatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 22 augustus 2014

Zaaknummer: C/03/126597 / S RK 08-136

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. E.R.T.A. Luijten, kantoorhoudende te Heerlen,

en:

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. S.L.G.M. Roebroek, kantoorhoudende te Heerlen.

Wederom gezien de stukken, waaronder de door de rechtbank Limburg gegeven op

29 oktober 2013 uitgesproken beschikking, alsmede het proces-verbaal van de zitting op

24 oktober 2013.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) heeft bij brief van 13 februari 2014 de begeleidingsplannen begeleide omgangsregeling tevens eindverslagen van de Mutsaertsstichting aan de rechtbank doen toekomen.

1.2.

De raad heeft bij brief van 18 april 2014 verzocht de behandeling uit te stellen, omdat hij ambtshalve een onderzoek naar de opvoedingssituatie van de kinderen van partijen is gestart. Dit omdat de onderzoeksbevindingen in de gezags- en omgangszaak en de opvoedingszaak sterk met elkaar verweven zijn.

1.3.

De raad heeft op 10 juni 2014 een rapport uitgebracht. Dit rapport is door de rechtbank op 13 juni 2014 ontvangen en door de raad ook aan partijen en de advocaten gestuurd.

1.4.

De rechtbank heeft bij het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch het proces-verbaal van de zitting op 27 maart 2014 van het hoger beroep van de vrouw tegen voornoemde beschikking van de rechtbank van 29 oktober 2013 opgevraagd en ontvangen. Het Hof heeft in die

procedure op 22 mei 2014 arrest gewezen en van dit arrest heeft de rechtbank kennis heeft genomen.

1.5.

Bij brief van 6 juni 2014 heeft de rechtbank aan de advocaten van partijen naar aanleiding van de beschikking van het Gerechtshof, waarin staat dat partijen zich erin kunnen vinden dat het Hof de verdere behandeling van de zaak aan zich houdt, een aantal vragen voorgelegd. Enerzijds óf de rechtbank de zaak verder nog wel kan behandelen en, zo ja, op welk(e) punt(en) en wanneer? Daarbij heeft de rechtbank aangegeven zich naar aanleiding van de reacties te zullen beraden en een definitief standpunt te zullen innemen.

1.6.

De advocaat van de vrouw heeft gereageerd op 16 juni 2014. De vrouw kan zich erin vinden dat het Hof de verdere behandeling op zich neemt. De vrouw acht het wenselijk dat het Hof alle kwesties in deze zaak zal behandelen. Zij ziet momenteel geen taak meer voor de rechtbank weggelegd.

1.7.

De advocaat van de man heeft gereageerd op 17 juni 2014. De man ziet wel degelijk nog een taak voor de rechtbank weggelegd; namelijk te beslissen op het verzoek tot ondertoezichtstelling en omtrent het gezag, mede in het licht van het rapport van de raad van 10 juni 2014. Die beslissing dient de rechtbank te nemen onafhankelijk van de stand van zaken en het standpunt van partijen in de procedure bij het Hof. In het kader van de lopende procedure omtrent het gezag is het volgens de man wenselijk dat een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsvindt.

1.8.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de beschikking van deze rechtbank van 11 juli 2014 (zaaknummers C/03/192599/ JE RK 14-1268 en C/03/192601/ JE RK

14-1269), waarbij de kinderen van partijen op verzoek van de raad onder toezicht zijn gesteld met benoeming van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (verder: de stichting) tot gezinsvoogd.

1.9.

De rechtbank heeft bij brief van 17 juli 2014 aan de advocaten van partijen laten weten dat de verschillende reacties van partijen de rechtbank hebben doen besluiten de zaak op een zitting te gaan behandelen, zodat het formele vraagstuk en het verschil van mening over dit vraagstuk met partijen kan worden besproken.

1.10.

De vrouw heeft op 17 en 20 juni 2014 alsmede op 1 en 4 juli 2014 producties ingediend.

1.11.

De behandeling is voortgezet ter zitting van 22 augustus 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. Luijten, de man, mr. Roebroek en de vertegenwoordiger van de raad, [vertegenwoordiger]. De gezinsvoogd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], de kinderen van partijen, [gezinsvoogd] van de stichting is opgeroepen, maar wegens vakantie niet ter zitting verschenen.

1.12.

Mr. Luijten, mr. Roebroek en de man hebben hun standpunt toegelicht omtrent het formele vraagstuk zoals dat eerder door de rechtbank bij brief onder de aandacht van partijen was gebracht.

1.13.

Mr. Luijten heeft namens de vrouw het verzoek gedaan de behandeling van de zaak met betrekking tot alle verzoeken van partijen aan te houden in afwachting van de verdere behandeling door het Hof eind oktober 2014 en de resultaten van de behandeling.

1.14.

Mr. Roebroek heeft namens de man het verzoek gedaan de behandeling van de zaak aan te houden voor wat betreft zijn verzoek om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.

2 De verdere beoordeling

Is er in de zaak nog een taak voor de rechtbank om de voorliggende verzoeken verder te behandelen en te beslissen ?

2.1.

De rechtbank ziet zich naar aanleiding van de behandeling door het Hof van het tussentijds appel ingesteld door de vrouw tegen met name de beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2013 (BOR-beschikking) en de naar aanleiding daarvan op 22 mei 2014 gegeven beschikking in de eerste plaats voor de vraag gesteld wat de betekenis is van de volgende overweging van het Hof in zijn beschikking:

“Desgevraagd hebben partijen, zij het met verschillende argumenten, verklaard, er zich in te kunnen vinden dat het hof de verdere behandeling van de zaak aan zich houdt”.

2.2.

Het hof kan met die overweging niet het oog hebben gehad op prorogatie van rechtspraak als bedoeld in artikel 329 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in die zin dat partijen bij het hof zouden zijn overeengekomen dat het verzoek van de man tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken exclusief door het hof dient te worden behandeld en beslist. Voorzover die prorogatie in deze familierechtelijke aangelegenheid al tot de mogelijkheden zou behoren, kan zij namelijk door partijen niet worden afgesproken op het moment dat een verzoek reeds in behandeling is bij de rechtbank. Die laatste situatie doet zich in deze zaak voor aangezien de rechtbank nog slechts tot een begeleide omgang voor een beperkte periode had beslist en in afwachting was van de resultaten van die begeleide omgang (BOR) waarover de raad de rechtbank diende te rapporteren zoals zij heeft gedaan met haar rapport van 10 juni 2014.

De rechtbank verwijst in dit verband naar een arrest van het hof te ’s-Gravenhage van 21 april 2010 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0755) waarin in een vergelijkbare situatie tot eenzelfde oordeel werd gekomen.

2.3.

Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank nog steeds heeft te beslissen over de voorliggende verzoeken van de vrouw om de man te ontzetten uit het gezag over de kinderen van partijen, althans haar met het eenhoofdig gezag te belasten, alsmede het verzoek van de man om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.

2.4.

Vervolgens heeft de rechtbank zich, gezien de op de zitting door beide partijen gedane aanhoudingsverzoeken, de vraag gesteld of de behandeling van één of alle verzoeken dient te worden aangehouden in afwachting van de verdere behandeling door het hof van de genoemde appelzaak.

2.5.

De rechtbank heeft ter zitting van beide partijen gehoord dat zij het door het hof bij de behandeling van het appel op 27 maart 2014 ingezette proces, om partijen tot elkaar te brengen in het belang van hun kinderen met het oog op de totstandbrenging van omgang tussen de man en zijn kinderen, een serieuze kans willen geven en dat daarvoor belangrijk zal zijn het verloop en de uitkomst van de door het hof geplande voortgezette behandeling eind oktober 2014. Dit delicate proces dient, zo begrijpt de rechtbank, thans niet door een behandeling van en beslissing op de voorliggende verzoeken door de rechtbank te worden doorkruist. Deze feiten en omstandigheden en het daarin besloten liggende zwaarwegende belang van de kinderen om tot herstel van het contact tussen hen en hun vader te komen, brengen de rechtbank tot de beslissing om thans de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van het door het hof ingezette proces.

2.6.

De zaak wordt pro forma aangehouden tot 14 november 2014. Partijen dienen de rechtbank uiterlijk 14 november 2014 schriftelijk te informeren over de uitkomst van de verdere behandeling door het hof welke voor eind oktober 2014 gepland staat. Daarbij dienen partijen gemotiveerd aan te geven of en zo ja, wanneer de verdere behandeling van de voorliggende verzoeken door de rechtbank dient te geschieden, en zo nee, waarom (nog) niet en tot hoelang die behandeling nog dient te worden uitgesteld.

2.7.

Naar aanleiding van die berichten van partijen zal de rechtbank de zaak nader instrueren en partijen, alsmede de raad en de gezinsvoogd van de kinderen, daarover informeren. In afwachting van een en ander wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank:

houdt de behandeling van de zaak aan tot uiterlijk 14 november 2014;

bepaalt dat partijen uiterlijk 14 november 2014 de rechtbank schriftelijk dienen te informeren omtrent hetgeen hiervoor onder 2.6. is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, voorzitter, mr. E.J.M. Driessen

en mr. A.M. Koster-van der Linden, kinderrechters en in het openbaar uitgesproken op

22 augustus 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.