Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7823

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
C/03/191992 / FA RK 14-1597
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het ouderlijk gezag waarbij de onmacht van de ouders tot het uitoefenen van het gezag niet in hun rol als ouders ligt, maar in dit kind met deze (hechtings)problematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 28 augustus 2014

Zaaknummer: C/03/191992 / FA RK 14-1597

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven.

inzake:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zuidoost Nederland,

locatie Maastricht.

verzoeker, verder te noemen: de raad,

en:

[verweerster]

en

[verweerder],

beiden wonende te [woonplaats 1],

wederpartijen, verder te noemen: de ouders.

voorheen advocaat mr. E. Meuwissen, kantoorhoudende te Maastricht,

thans advocaat mr. A.S.J.H. van den Bronk, kantoorhoudende te Maastricht,

Belanghebbenden:

De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond,

verder te noemen: de stichting,

wonende te Roermond;

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2],

beiden wonende te [woonplaats 2],

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het verloop van de procedure

De raad heeft op 27 mei 2014 een verzoekschrift tot ontheffing van het ouderlijk gezag ingediend en daarbij gevoegd een op 20 mei 2014 uitgebracht rapport.

De ouders hebben op 10 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 juli 2014.

2 De feiten

[minderjarige] (roepnaam: [minderjarige]) is geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] is geboren uit de relatie van de moeder en de vader.

De moeder en de vader hebben samen het gezag over [minderjarige].

[minderjarige] staat sinds 7 juli 2012 onafgebroken onder toezicht van de stichting. [minderjarige] verblijft sinds 21 mei 2011 bij pleegouders, eerst op vrijwillige basis en sinds 12 februari 2013 is de plaatsing geformaliseerd.

Beide maatregelen zijn laatstelijk verlengd met ingang van 7 juli 2014 voor de duur van één jaar.

3 Het verzoek

De raad verzoekt op de daartoe in het verzoekschrift met bijlagen aangevoerde gronden de moeder en de vader te ontheffen van het gezag over [minderjarige].

De raad stelt zich hierbij op het standpunt dat de moeder en de vader ongeschikt of onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen. Het belang van [minderjarige] verzet zich niet tegen de ontheffing van de moeder en de vader.

Voor nadere onderbouwing van zijn verzoek verwijst de raad naar het bij het verzoekschrift gevoegde raadsrapport.

4 De standpunten ter zitting

De raad heeft aangevoerd dat het huidige pleeggezin perspectiefbiedend is en [minderjarige] die aanpak geeft die hij nodig heeft. Er is een slechte samenwerking geweest tussen de ouders en de hulpverlening. Dat had te maken met het feit dat de ouders de problematiek van [minderjarige] niet onderkenden. Inmiddels zien de ouders de problematiek van [minderjarige] wel onder ogen. [minderjarige] ervaart echter nog steeds onrust en is onzeker of hij in het pleeggezin kan blijven of niet. Als hij die onrust ervaart, raakt hij emotioneel uit balans en dat kan lange tijd duren. Een ontheffing van het ouderlijk gezag zal duidelijkheid geven en de onrust wegnemen. Thans is gebleken dat de William Schrikker Stichting Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming (WSJJ) beter kan aansluiten bij de ouders en waarschijnlijk tot een goede samenwerking met de ouders kan komen.

Door en namens de ouders is gemotiveerd verweer gevoerd. Het verzoek van de raad is onderbouwd met de stelling dat de ouders niet willen inzien dat de plek van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. Zij betwisten dat dit het geval is. Door de stichting is tot februari 2013 ingezet op een thuisplaatsing van [minderjarige]. De stichting heeft nadien een nieuw onderzoek uitgevoerd. In het rapport van het onderzoek staat dat terugkeer van [minderjarige] bij zijn ouders niet mogelijk is. Naar aanleiding daarvan is de stichting van koers gewijzigd. Dit én de gevolgtrekking die de stichting naar aanleiding daarvan heeft gemaakt is niet op een adequate wijze uitgelegd aan de ouders. Dat heeft geleid tot allerlei incidenten waardoor het eerste contact tussen de ouders en [minderjarige] pas in februari 2014 heeft kunnen plaatsvinden. Afgesproken was dat de bezoeken één keer per drie weken zouden plaatsvinden. De pleegzorg echter heeft in het belang van [minderjarige] geadviseerd om de contacten één keer per zes weken te laten plaatsvinden. Tegen dit advies hebben de ouders zich niet verzet. De ouders hebben vervolgens de stichting verzocht om [minderjarige] een paar extra dagen bij zich te mogen hebben vanwege hun huwelijk en de communie van het broertje van [minderjarige]. Op die verzoeken heeft de stichting wisselend gereageerd waardoor de ouders niet wisten waar zij aan toe waren. Er is dan ook sprake van een slechte samenwerking tussen de ouders en de hulpverlening. De communicatie tussen de ouders en de stichting had veel beter afgestemd moeten worden. De ouders zijn verrast door het verzoek dat thans voorligt. Ook hierin heeft de stichting gefaald nu dit verzoek niet met de ouders is besproken.

De ouders zien in dat de toekomst van [minderjarige] op dit moment in het pleeggezin ligt. Zij willen het beste voor [minderjarige], maar zij zijn het niet eens met een ontheffing van het gezag. De bezoeken tussen de ouders en [minderjarige] verlopen goed en zij willen die bezoeken ook houden. [minderjarige] bezoekt de ouders thuis en de ouders houden hem ook voor dat hij na afloop van het bezoek terug naar het pleeggezin gaat. In het kader van de behandeling van de verlengingen van de kinderbeschermingsmaatregelen is aan de orde gekomen dat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (WSJJ) beter aansluit bij de ouders. De WSJJ zal vanaf september 2014 betrokken zijn bij [minderjarige] zodat er één aanspreekpunt komt die alle afspraken coördineert. De begeleiding van de bezoeken van [minderjarige] aan de ouders blijft in handen van Xonar. De ouders verzetten zich niet tegen de jaarlijkse verlengingen van de kinderbeschermingsmaatregelen.

Zij verzetten zich wel tegen een ontheffing van het gezag en verzoeken dan ook tot afwijzing van het verzoek.

De stichting heeft verklaard dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. Dat de ouders deze plek ondersteunen, is positief. Voor [minderjarige] is het heel belangrijk dat hij de ouders regelmatig ziet. De stichting heeft onderzoek gedaan om het perspectief van [minderjarige] duidelijk te krijgen. Uit dat onderzoek is gebleken dat het toekomstperspectief van [minderjarige] niet thuis ligt. Met de ouders waren afspraken gemaakt over de contacten tussen hen en [minderjarige]. De afgesproken regeling van één keer per drie weken bleek echter te belastend voor [minderjarige]. Daarom is voorgesteld om de contacten terug te brengen tot één keer per zes weken. De contacten blijven bij [minderjarige] zorgen voor onduidelijkheid en spanning. Hoewel de ouders nu instemmen met een verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders zijn zij in het verleden vaker teruggekomen op hun standpunt. Voor [minderjarige] en de pleegouders zorgen de verlengingszittingen jaarlijks voor veel spanning. Nu [minderjarige] al lange tijd in dit pleeggezin woont en zijn toekomstperspectief in dit pleeggezin ligt, past een verderstrekkende maatregel in de lijn van de ontwikkeling van [minderjarige].

De pleegouders hebben aangevoerd dat [minderjarige] zich thans leeftijdsadequaat ontwikkelt, maar dat hij een enorme rugzak met zich meeneemt. Bij [minderjarige] voelen zij spanning als er zittingen of gesprekken zijn geweest. Hij is daar heel gevoelig voor en dat uit zich in agressief gedrag. De pleegouders hebben er moeite mee dat er weer een nieuwe hulpverlener komt, ditmaal van de WSJJ, waar [minderjarige] aan moet wennen. Voor hem is het belangrijk dat er duidelijkheid komt.

5 De beoordeling

Artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een ouder kan worden ontheven van het gezag over zijn kind op grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

De rechtbank stelt voorop dat een ontheffing van het gezag blijkens artikel 1:268 BW niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Dit leidt uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van het kind af te wenden. Nu de ouders niet instemmen met de ontheffing van het gezag, zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een uitzondering als voormeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

[minderjarige] heeft in het verleden op verschillende leef- en woonplekken verbleven waardoor zijn hechtingsontwikkeling is verstoord. Hij is een heel gevoelig en alert kind dat door de vele gebeurtenissen in zijn leven voelsprieten heeft ontwikkeld voor mogelijke veranderingen en of onduidelijkheden en onzekerheden, waardoor er gedragsproblemen zijn ontstaan.

Op dit moment is de hechting van [minderjarige] in het pleeggezin gestart en in ontwikkeling. Dit moet voortgang vinden. De ontwikkeling staat echter onder druk door een toenemend loyaliteitsprobleem van [minderjarige] dat is gerelateerd aan de contacten met zijn ouders. Hoewel de ouders nu verklaren dat zij instemmen met de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, is dit lange tijd niet zo geweest. [minderjarige] heeft dit gevoeld met als gevolg dat hij in twijfel trekt of hij kan blijven wonen bij zijn pleegouders. [minderjarige] heeft het gezien zijn hechtingsproblematiek nodig dat er duidelijkheid komt over zijn toekomstperspectief. Een ontheffing van het ouderlijk gezag zal hem de duidelijkheid geven dat zijn toekomstperspectief blijvend bij de pleegouders ligt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een ontheffing in het belang van [minderjarige] en - meer dan dat - noodzakelijk is om hem rust te geven. Die rust is noodzakelijk zodat hij kan werken aan zijn ontwikkeling(staken) als net

7-jarig kind. Daarvoor dient hij alle ruimte te krijgen gezien zijn voorgeschiedenis waartoe hij lang niet voldoende aan zijn eigen ontwikkeling is toe kunnen komen. Daarbij ligt de onmacht van de ouders tot het uitoefenen van het gezag niet in hun rol als ouders, maar in dit kind met deze problematiek.

De rechtbank is voorts, zoals ook door de raad aangegeven, van oordeel dat de hulpverlenende instanties onderling en met de ouders nauwer moeten samen werken, de zaken rondom [minderjarige] beter moeten kortsluiten en zorgvuldiger moeten zijn in de uitvoering, zodat de ouders zich serieus genomen kunnen voelen en waardering ervaren voor hetgeen zij betekenen voor [minderjarige]. De ouders blijven de ouders van [minderjarige] en het is belangrijk dat er een gestructureerde omgang is die in het belang van [minderjarige] is.

Nu ter zitting onvoldoende is besproken of de WSJJ met de voogdij over [minderjarige] dient te worden belast indien de ouders ontheven worden van het gezag, zal de rechtbank de beslissing aanhouden om de raad in de gelegenheid te stellen zich te beraden of het verzoek aangepast dient te worden en, indien nodig, een bereidverklaring van de WSJJ over te leggen.

Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid gesteld worden zich uit te laten over het aangepaste verzoek.

6 De beslissing

De rechtbank:

stelt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht, in de gelegenheid om zich te beraden en het verzoek, indien nodig, aan te passen binnen vier weken;

stelt vervolgens de belanghebbenden in de gelegenheid binnen twee weken na het aanpaste verzoek, te reageren;

houdt de beslissing aan voor de duur van zes weken.

Deze beschikking is gegeven door P.H.J. Frénay, voorzitter, mr. E.J.M. Driessen en mr. A.M. Koster-van der Linden, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. P.H.J. Frénay voornoemd, in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters, griffier op 28 augustus 2014.