Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7791

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-08-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
03/195225 / HA RK 14-175
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing onderzoekswensen; procesbeslissing; niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum uitspraak: 25 augustus 2014

Zaaknummer: 03 / 195225 / HA RK 14 - 175

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van

[verzoeker], (hierna: verzoeker), gedetineerd te Roermond,

gemachtigde: mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht (hierna ook: raadsman),

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mrs. J. Iding, H.H. Dethmers en A.K. Kleine, rechters in deze rechtbank (hierna ook: de rechters).

Procesverloop

1.

Ter zitting op 13 augustus 2014 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van de meervoudige kamer die de tegen verzoeker bij deze rechtbank aanhangige strafzaak, bekend onder parketnummer [...], behandelt.

2.

De rechters van de meervoudige kamer hebben de wrakingskamer laten weten niet in het wrakingsverzoek te berusten en de behandeling van het verzoek niet bij te zullen wonen. De meervoudige kamer heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. Afschrift daarvan is aan mr. Van de Bergh en aan de officier van justitie, mr. R.E.H.M. van Heck, gestuurd. Mr. Van Heck heeft eveneens schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. Het proces-verbaal van de zitting van 13 augustus 2014, de tenlastelegging en de nadere omschrijving tenlastelegging en de reactie van de officier van justitie zijn eveneens aan mr. Van de Bergh gestuurd.

3.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 20 augustus 2014 ter openbare zitting behandeld. Bij deze behandeling is verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. De rechters van de meervoudige kamer en de officier van justitie zijn, als tevoren aangekondigd, niet verschenen.

De gronden van het wrakingsverzoek

4.

Voorafgaand aan de behandeling van de strafzaak op 13 augustus 2014 heeft de raadsman van verzoeker bij brief van 1 augustus 2014 vijf onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Ter zitting is daar een zesde onderzoekswens aan toegevoegd. De raadsman heeft de onderzoekswensen nader gemotiveerd en de officier van justitie heeft haar visie daarop gegeven. Na beraad in raadkamer heeft de rechtbank alle verzoeken afgewezen en de behandeling van de strafzaak voortgezet. Daarbij is door de rechtbank de wenselijkheid van een onderzoek naar verzoekers geestvermogens bij het Pieter Baan Centrum aan de orde gesteld. Na een schorsing om verzoeker en de raadsman de gelegenheid te geven om te overleggen omtrent opname in het Pieter Baan Centrum heeft verzoeker de rechters gewraakt.

5.

Verzoeker heeft ter zitting op 13 augustus 2014 aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de meervoudige kamer alle onderzoekswensen, die cruciaal zijn om aan te kunnen tonen dat hij niet de dader is, heeft afgewezen.

Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek is door de raadsman betoogd dat de vrees voor partijdigheid gerechtvaardigd was op de grond dat de onderzoekswensen die verzoekers onschuld zouden kunnen aantonen ten onrechte waren afgewezen en die afwijzing onvoldoende was gemotiveerd. Daar kwam nog bij dat de zaak wellicht moest worden aangehouden omdat verzuimd was het slachtoffer over de inhoudelijke behandeling te informeren zodat er ook tijd was voor nadere onderzoeken. Bovendien werd ter zitting, anders dan ten tijde van de pro forma behandeling in maart 2014, alsnog het uitbrengen van een psychiatrische rapportage en eventuele opname in het Pieter Baan Centrum aan de orde gebracht, waardoor nog meer vertraging dreigde. De in dat kader door de oudste rechter gemaakte opmerking over de mogelijkheid van het opleggen van tbs bij een weigerende verdachte is volgens de raadsman juridisch dan wellicht juist, maar komt op een leek zoals verzoeker, zeker met de geschetste voorgeschiedenis, vreemd over. Deze zaken tezamen hebben gemaakt dat er een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid is ontstaan bij verzoeker.

Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker uitgebreid gemotiveerd zijn visie gegeven op de noodzaak dat zijn onderzoekswensen gehonoreerd worden.

Het standpunt van de rechters

6.

De rechters hebben zich op het standpunt gesteld dat, nu verzoeker de rechtbank heeft gewraakt omdat zijn onderzoekswensen zijn afgewezen, de aangevoerde grond het verzoek tot wraking niet kan dragen.

Het standpunt van de officier van justitie

7.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker de rechtbank niet heeft gewraakt na het afwijzen van de onderzoekswensen, maar nadat de voorzitter had aangegeven dat de rechtbank de mogelijkheid had om verzoeker te laten observeren in het Pieter Baan Centrum en dat verzoeker als reden voor de wraking aangaf dat hem alle mogelijkheden om zijn onschuld te bewijzen had ontnomen.

De beoordeling van het verzoek

8.

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de – ook objectief gerechtvaardigde – conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

9.

Het onderhavige wrakingsverzoek ziet op de afwijzing van door de raadsman naar voren gebrachte onderzoekswensen. De wrakingskamer stelt voorop dat het niet aan de wrakingskamer is om die beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen (onwelgevallige) procesbeslissingen; daarvoor zijn de normale rechtsmiddelen aangewezen.

Nu het gaat om een door de rechters gegeven procesbeslissing kan de vrees voor vooringenomenheid slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechters een beslissing hebben genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechters is ingegeven.

Het afwijzen van de onderzoekswensen is naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet zodanig onbegrijpelijk dat hierdoor blijkt van een vooringenomenheid die het wrakingsverzoek kan doen slagen. De door verzoeker geschetste voorgeschiedenis en zijn beleving van de gang van zaken, leiden niet tot een ander oordeel, nu daarmee niet de onbegrijpelijkheid van de beslissing van de rechters is aangetoond.

10.

Voor zover de opmerking van een van de rechters omtrent het opleggen van tbs bij een weigerende verdachte mede aan het wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd, is dit eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 20 augustus 2014 naar voren gebracht. Deze wrakingsgrond dient, gelet op het bepaalde in artikel 513 lid 3 Sv, dat alle feiten en omstandigheden tegelijk naar voren moeten worden gebracht, derhalve buiten beschouwing te blijven bij de beoordeling van het verzoek.

Ten overvloede merkt de wrakingskamer daarbij op dat – zou deze grond wel ter zitting op 13 augustus 2014 zijn aangevoerd – deze ook niet tot wraking had kunnen leiden. Het betreft immers een opmerking die enkel een juridisch feit betreft waaruit redelijkerwijs geen enkele opvatting van de rechter en/of de rechtbank met betrekking tot de afloop van de strafzaak kan worden afgeleid. Die opmerking is daarom onvoldoende om (de schijn van) vooringenomenheid aan te kunnen nemen.

Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

- verklaart het verzoek tot wraking van de meervoudige kamer, in de samenstelling van mrs. J. Iding, H.H. Dethmers en A.K. Kleine, ongegrond en wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.P.F. van Dooren (voorzitter), mr. E.J.M. Boogaard-Derix en mr. R.A.J. van Leeuwen, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken door mr. M.P.F. van Dooren op 25 augustus 2014.

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.