Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7691

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
C/03/194866 / KG ZA 14-437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

geldvordering, terugvordering advocatenhonorarium, voorschot op schadevergoeding, beroepsfout, het ter zitting in hoger beroep innemen van een ander standpunt dan voorbesproken met cliënt, geen causaal verband met de uitkomst van het hoger beroep, vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/194866 / KG ZA 14-437

Vonnis in kort geding van 4 september 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MUTUALIS BELEGGINGEN B.V.,

gevestigd te Ospel, gemeente Nederweert,
eiseres,

advocaat mr. M.H.F. van Buuren te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap [naam] N.V.,
gevestigd te Maastricht,
gedaagde,
advocaat mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem.

Partijen zullen hierna Mutualis en [gedaagde] worden genoemd.

1.

Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de brief van Mutualis van 21 augustus 2014 met producties
- de mondelinge behandeling op 25 augustus 2014
- de pleitnota van Mutualis
- de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2.

De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft als voormalig opdrachtnemer van Mutualis advocatenwerkzaamheden verricht ter zake een door Waterleiding Maatschappij Limburg (hierna: “WML”) jegens Mutualis aanhangig gemaakte procedure strekkende tot nietigverklaring respectievelijk vernietiging van een tussen WML en Mutualis op 24 december 2007 gesloten koopovereenkomst, onder meer op grond van vertegenwoordigingsonbevoegdheid van de vertegenwoordiger van WML, en vergoeding door Mutualis van de door WML geleden schade. De feitelijke dienstverlening vond plaats door [naam advocaat].


2.2. De werkzaamheden zijn door [gedaagde] verricht in de periode 21 april 2009
t/m juni 2013. [gedaagde] heeft terzake de door haar verrichte werkzaamheden aan Mutualis in totaal een bedrag van € 197.536,70 in rekening gebracht. In het kader van de procedure zijn ter ondersteuning van het standpunt van Mutualis in opdracht (respectievelijk op instigatie) van [gedaagde] twee taxaties uitgebracht voor een bedrag ad € 16.174,48. In totaal is door Mutualis in het kader van de procedure tegen WML € 213.711,18 uitgegeven aan advocaat- en taxatiekosten.

2.3.

Bij vonnis van 28 maart 2012 zaaknummer 99877 / HA ZA 10-230 heeft de rechtbank Roermond voor recht verklaard dat de koopovereenkomst tussen WML en Mutualis van 24 december 2007 en de notariële akte tussen WML en Mutualis van 25 februari 2008 nietig zijn en WML gemachtigd om ingevolge het bepaalde in artikel 3:299 BW namens Mutualis over te gaan tot (terug)levering van de betreffende percelen.
De rechtbank heeft als beoordelingskader aangehouden de vraag of de betrokken medewerker van WML bevoegd was WML te vertegenwoordigen, en of de medewerker in dit geval kon optreden als wederpartij van de volmachtgever, de zogenaamde Selbsteintritt. De rechtbank is daarbij tot de conclusie gekomen dat de betrokken medewerker van WML met tegenstrijdig belang heeft gehandeld in de zin van artikel 3:68 en 7:416 BW, zodat hij niet langer bevoegd was om WML in deze kwestie te vertegenwoordigen, terwijl Mutualis van dit gebrek in bevoegdheid op de hoogte was. Tegen dit vonnis heeft Mutualis op advies van [gedaagde] hoger beroep aangetekend.

2.4.

Bij arrest van 22 oktober 2013, zaaknummer HD 200.106.215/01 heeft het Hof ‘s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Roermond bekrachtigd, onder meer overwegende dat Mutualis in de pleitnota in hoger beroep uitdrukkelijk de stelling van WML heeft onderschreven dat de medewerker van WML (helemaal) niet bevoegd was de koopovereenkomst voor WML met Mutualis te sluiten en dat zij haar eerder ingenomen stelling dat de medewerker van WML wél bevoegd was daarmee heeft laten varen. Die erkenning impliceerde volgens het Hof dat de vraag of sprake is geweest van Selbsteintritt niet meer beantwoord behoefde te worden, evenmin als de vraag of sprake was van nadeel voor WML geen behandeling meer behoeven. Het Hof overweegt voorts dat door Mutualis onvoldoende is gesteld om bekrachtiging van de nietige koopovereenkomst aan te nemen.

2.5.

Mutualis heeft met [gedaagde] voorafgaande aan de pleidooien bij het Hof ter zitting op 21 mei 2013 op 13 mei 2013 het in te nemen standpunt ter zake de schijn van vertegenwoordiging en bevoegdheid besproken aan de hand van een conceptpleitnota waarop Mutualis haar zienswijze in rood had weergegeven.

2.6.

Voor zoveel nodig heeft Mutualis bij brief van 18 februari 2014 de overeenkomst van opdracht tussen haar en [gedaagde] ontbonden.

3.

Het geschil

3.1.

Mutualis vordert veroordeling van [gedaagde] om als voorschot op de schadevergoeding in de bodemprocedure aan Mutualis primair een bedrag van € 216.404,64 terzake de terugbetaling van de advocaat- en taxatiekosten en de kosten van het cassatie-advies en subsidiair een bedrag van € 2.693,46 terzake de kosten van cassatie te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Mutualis legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij, gelet op de afspraken die zij had gemaakt tijdens de voorbespreking met haar advocaat voorafgaande aan de zitting bij het Hof, volkomen verrast was dat haar raadsman bij pleidooi plotseling erkende dat de medewerker van WML niet bevoegd was de koopovereenkomst voor WML met Mutualis te sluiten. Zij hadden immers afgesproken dat zij voor de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid zouden gaan en voorts een beroep zouden doen op bekrachtiging van een nietige koopovereenkomst door levering. Mutualis ziet de erkenning als een “zwenking” in de stellingname die tot verlies van de procedure heeft geleid. Door de zwenking zijn de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden ten behoeve van Mutualis van nul en generlei waarde geweest. Bovendien heeft [gedaagde] het beroep op bekrachtiging onvoldoende onderbouwd. Het door [gedaagde] (zeer) kansrijk geachte hoger beroep is dientengevolge volledig de mist in gegaan. [gedaagde] is daardoor meervoudig tekort geschoten in de uitvoering van de tussen Mutualis en [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht. De door [gedaagde] gedeclareerde werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 216.404,64 zijn met de zwenking in standpunten nutteloos gebleken, hetgeen de ontbinding door
Mutualis van de overeenkomst van opdracht rechtvaardigt. [gedaagde] heeft volgens
Mutualis geen recht op het door haar in rekening gebrachte honorarium. Mutualis stelt spoedeisend belang te hebben bij haar geldvordering in kort geding, omdat zij de met WML overeengekomen afkoopsom ad € 100.000,-- ter voldoening aan het vonnis van de rechtbank Roermond (ad € 241.717,43), niet volledig kan nakomen. De eerste termijn heeft zij weten te voldoen dankzij financiële hulp van derden die dat geld weer terugbetaald moeten krijgen. De tweede termijn ad € 50.000,-- moet vóór 1 september 2014 worden voldaan. Indien de tweede betaling niet plaatsvindt kan WML terugvallen op de executie van het vonnis van de rechtbank Roermond en het volledige bedrag van € 241.717,43 verhalen. Mutualis beschikt niet over de middelen om de tweede termijn te voldoen. Ter onderbouwing verwijst zij naar haar meest recente jaarrekening (productie 7).

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op dit verweer wordt, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan.

4.

De beoordeling

4.1.

Voor de vraag of plaats is voor toewijzing van een geldvordering in kort geding, zal de voorzieningenrechter moeten onderzoeken of 1) het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, 2) uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en 3) het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (het restitutierisico) – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat.

4.2.

De geldvordering voldoet niet aan de onder 4.1 bedoelde eerste en derde eis.

4.3.

Voor toewijzing van de terugbetalingsvordering terzake het honorarium en de taxatiekosten is onder meer vereist dat voldoende aannemelijk is dat de gewraakte “zwenking” in het standpunt van [gedaagde] ter zitting van het Hof tot de voor Mutualis ongunstige uitkomst van de procedure tussen Mutualis en WML heeft geleid en dat daardoor schade is veroorzaakt. Mutualis grond haar vordering immers volledig op die zwenking.

4.4.

In dit kort geding is echter door Mutualis uitdrukkelijk in het midden gelaten of de zwenking causaal was voor de uitkomst van de procedure tussen Mutualis en WML en wat de uitkomst van de procedure zou zijn geweest zonder die zwenking. Het Hof is op basis van de zwenking in de stellingname tot het oordeel gekomen dat de betrokken medewerker van WML niet vertegenwoordigingsbevoegd was, en kwam daardoor niet meer toe aan de vraag of sprake was van (verboden) Selbsteintritt, evenmin als aan het beroep van Mutualis op bekrachtiging. Mutualis heeft niet aangevoerd en dus niet aannemelijk gemaakt dat het Hof zonder de zwenking over de Selbsteintritt anders zou hebben geoordeeld dan de rechtbank Roermond heeft gedaan, al dan niet onder verbetering van de gronden. Evenmin heeft zij iets aangevoerd omtrent het mogelijke welslagen van een van haar andere grieven in hoger beroep, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat het Hof op een andere grond het vonnis van de rechtbank Roermond zou hebben vernietigd. Daardoor staat niet vast dat de uitkomst van de procedure zonder de zwenking anders zou zijn geweest. Reden waarom de vordering niet kan worden toegewezen.

4.5.

Afgezien van het voorgaande geldt bovendien dat het restitutierisico – volgens Mutualis heeft zij geen verdiencapaciteit meer en is zij de facto failliet – in de weg staat aan toewijzing van de door [gedaagde] gemotiveerd betwiste (ook met andere argumenten dan de hiervoor besproken causaliteitsvraag) geldvorderingen van Mutualis.

4.6.

Bij het voorgaande merkt de voorzieningenrechter nog op dat voor de toewijsbaarheid van deze vorderingen van Mutualis in dit kort geding niet van belang is of het door Mutualis verlangde voorschot wordt aangemerkt als een voorschot op schadevergoeding – zoals Mutualis kennelijk doet en door [gedaagde] wordt benadrukt – of als een voorschot op een op [gedaagde] na de ontbinding rustende ongedaanmakingsverplichting. In dat laatste geval is voor de vraag of de gestelde beroepsfout van [naam advocaat] tot schade heeft geleid – welke vraag in dit kort geding niet bevestigend kan worden beantwoord – van belang voor de gerechtvaardigdheid van de ontbinding en voor de gevolgen die daaraan kunnen worden verbonden.

4.7.

Ten aanzien van het door Mutualis gevorderde bedrag van € 2.693,46, de kosten van het door haar ingewonnen cassatieadvies, wordt nog overwogen dat, voor zover deze vordering is gegrond op de toezegging van [naam advocaat] in zijn e-mail van 19 november 2013 dat de kosten van de cassatieadvocaat voor rekening van [gedaagde] zijn, niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter zal oordelen dat Mutualis dit aanbod (tijdig) heeft aanvaard.

4.8.

Mutualis wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] als volgt begroot:
griffierecht: € 3.829,--
salaris advocaat: € 816,--
Totaal € 4.645,--

5.

De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,


5.2. veroordeelt Mutualis tot betaling van de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 4.645,--,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

EvdP